Friday, November 22, 2019

iHuman





Op zondag 24 november voorzie ik de IDFA-documentaire iHuman van omlijsting: een korte introductie vooraf en een nagesprek van een half uur:

In het eerste kwartier van het nagesprek praat ik met regisseur Tonje Hessen Schei, journalist Lee Fang, voormalig Google-medewerker Jack Poulson en Edward Snowdens advocaat Ben Wizner.

In het tweede kwartier spreek ik via een Skype-verbinding met Edward Snowden over zijn kijk op de documentaire en op de impact van AI op onze samenleving.

Bekijk hier de trailer van de documentaire:


Daphne Channa Horn maakte deze prachtige foto's tijdens de DocTalk:




Thursday, November 14, 2019

Hoera, het Internet bestaat 50 jaar!

In opdracht van SIDN mocht ik zes Nederlandse internetpioniers interviewen over 50 jaar Internet: Erik Huizer, Frances Brazier, Kees Neggers, Ted Lindgreen, Jaap Akkerhuis en Boudewijn Nederkoorn.

Vandaag hebben we de prachtige video van deze interviews gepresenteerd, net als een uitgebreide tijdlijn van de ontwikkeling van het Internet en zijn toepassingen:

Klik hier voor de lange versie (18 minuten)


Klik hier voor de korte versie (4 minuten):



Klik hier voor een tijdlijn van de geschiedenis van het internet en zijn toepassingen


'Robots zijn ook een onderdeel van de natuur'

Dit artikel is gepubliceerd op de website van Marineterrein Amsterdam, ter gelegenheid van het feit dat november 2019 Blade Runner-maand is. De legendarische sciencefiction film uit 1982 speelde immers in november 2019. 

Op de website van het Marineterrein kun je ook de bijpassende fragmenten uit de film Blade Runner bekijken.


Rob van Hattum is eindredacteur wetenschap bij de VPRO en chief science officer bij het NEMO Science Museum in Amsterdam. Hij maakte talloze radio- en tv-uitzendingen over robots en is een fan van de film Blade Runner. Samen met zijn NEMO-collega’s bereidt hij momenteel een tentoonstelling voor over big data op het Marineterrein in Amsterdam. NEMO huurt daar een oude gymzaal waar het de komende vijf jaar tijdelijke tentoonstellingen wil organiseren die raken aan actuele thema’s en die het niet goed kwijt kan in de hoofdvestiging. De big data-tentoonstelling zal raakvlakken krijgen met het thema robots.

Wetenschapsjournalist Bennie Mols, gespecialiseerd in kunstmatige intelligentie en robots, sprak met Rob van Hattum over Blade Runner, de ontwikkeling van robots, het maken van programma’s over robots, en over de relatie tussen mens en technologie.

Waarom ben je zo’n fan van Blade Runner?

“Ik heb Blade Runner een keer of vier, vijf gezien. Een prachtige film. Visueel een enorm spektakel. Hoewel de film zich afspeelt in 2019, is het geen voorspelling van de wereld in 2019. We hebben geen robots die er precies als mensen uitzien en die zich precies zo gedragen als mensen, zoals de replicants in de film. We hebben ook geen vliegende auto’s. Maar de film gaat ook niet over het voorspellen van technologie.

Uiteindelijk gaat de film over ons als mensen, over onze drijfveren, onze motieven en onze dromen. De zoektocht van de replicants, de robots, is een heel menselijke zoektocht. Wij mensen weten dat we doodgaan. Omdat we dat niet kunnen uitstaan, zoeken we naar een betekenis van het leven, zoeken we naar een ziel of worden we religieus. De replicants weten dat ze maar vier jaar leven en ze nemen het hun menselijke schepper kwalijk dat hij dat ingebouwd heeft. Heel begrijpelijk.

Een ander interessant aspect vind ik de agressie van de robots. Ik hou op zichzelf niet van geweld, ook niet in deze film, maar het geweld van de robots is wel voorstelbaar. Bij mens en dier is agressie een gevolg van de kracht van de evolutie. Organismen hebben een drijfveer om te overleven. Ze moeten wel, want anders sterven ze uit. De robots in Blade Runner zijn gemaakt door ons en gemodelleerd naar ons. Dus het is niet raar dat ze ook ons soort agressie vertonen.”

Kun je je eerste kennismaking met robots nog herinneren?

“Eind jaren zeventig, vlak voor ik radioprogramma’s bij de VPRO ging maken, heb ik een tijd filosofie gestudeerd. Een onderdeel daarvan was kunstmatige intelligentie. Toen las ik een artikel dat ging over grondrechten van robots. Dat artikel introduceerde een mensachtige robot. Die robot hield van muziek, van literatuur, van discussies over politiek en hij kon ook nog gedichten schrijven. De centrale vraag die het artikel vervolgens stelde, was of je die robot mag discrimineren op grond van zijn afkomst, op grond van het feit dat hij in een fabriek is gemaakt. Dat vond ik een fascinerende vraag. En dat is ook de link met Blade Runner, want de film is gebaseerd op het science-fictionboek ‘Do androids dream of electric sheep?’, zeg maar op het idee dat robots een gedachtenwereld kunnen hebben. Toen begon ik in de wereld van de kunstmatige intelligentie te duiken. Tegelijkertijd begon ik ook te zien dat wij mensen eigenlijk een soort biocomputers zijn. Ons brein verwerkt informatie op een biologische manier, via een enorm netwerk van hersencellen, en die manier is gevormd door de evolutie.”

Als je een favoriete robot mag kiezen, welke is dat dan?

“Dan kies ik voor het robothondje Aibo, dat in 1999 door Sony op de markt werd gebracht. Aibo was de eerste robot die charmant was. Hij was een beetje onbeholpen, maar gedroeg zich als een metgezel. Ik weet nog goed dat ik een uitzending over robothuisdieren moest presenteren. Vanwege die uitzending hadden we een Aibo aangeschaft. Ik nam hem mee naar de redactie en daar zaten een paar dames die een echte hond hadden en hun honden ook bij zich hadden. In die tijd mocht je je hond nog meenemen naar het werk. Ze zagen Aibo en vroegen: ‘Wat is dat?’ Ik zeg: ‘Dat is een robothond’. ‘Wat stom!’ zeiden ze. Ik zeg: ‘Ik zal ’m wel even aanzetten.’ Ik zette Aibo aan, hij strekte zijn pootjes uit en stond langzaam op. Binnen dertig seconden begonnen de dames Aibo te aaien. Dat was zo fascinerend om te zien.”

Wat is je het beste bijgebleven van het maken van de VPRO-programma’s over robots?

“Voor VPRO Tegenlicht waren we op bezoek bij de Japanse robotbouwer Hiroshi Ishiguro [https://www.youtube.com/watch?v=3AciynL30no]. Hij maakt androïde robots. Zij lijken sprekend op echt bestaande Japanse mensen, maar worden trouwens wel op afstand bestuurd. Eentje is gemodelleerd naar een Japanse nieuwslezeres. Met ons camerateam stonden we bij die robot. Ze kijkt naar je. Ze beweegt. Het voelde voor mij heel ongemakkelijk. Ik zei dat tegen Ishiguro, en toen zei hij: ‘Hoezo ongemakkelijk? Je mag haar best even aanraken.’ Ik legde mijn arm om haar schouder. Toch voelde het alsof ik haar lichamelijke integriteit aantastte, wat in feite natuurlijk onzin is. Het is een robot. Ze kan geen toestemming geven.

Mijn gevoel was precies wat ze in de robotica de uncanny valley noemen: dat we robots die goed op mensen lijken, maar toch net niet helemaal menselijk zijn, als eng ervaren. Aan de andere kant: als de robot exact op een mens lijkt, zoals de replicants in Blade Runner, dan kun je er ook gemakkelijk verliefd op worden. Dat gebeurt ook in de film, tussen hoofdpersoon en blade runner Rick Deckard en Rachael.”

Is er een link tussen robots en de activiteiten op het Marineterrein?

“Ik zou heel graag een robot-pontje realiseren tussen NEMO en het Marineterrein: robotische bootjes die bezoekers heen en weer kunnen varen. We gaan kijken of we daarvoor vergunning van de gemeente kunnen krijgen.

Verder hebben we in de hal van NEMO wel al een robot staan. Dat is robot Pepper, die Jelle Brandt Corstius vergezelde in de VPRO-serie Robo Sapiens. Bezoekers zijn dol op Pepper.

Daarnaast werken we aan een tentoonstelling over big data in onze dependance op het Marineterrein. Wat we daarin graag willen laten zien, is dat het verzamelen van data niet iets is van de 21e eeuw, maar al een lange geschiedenis heeft. Met de uitvinding van de landbouw vonden mensen ook allerlei vormen van het verzamelen van data uit. Denk aan het bijhouden van de hoeveelheid land, bijhouden hoeveel van jou is en hoeveel van mij, bijhouden wat de opbrengst van het land is en wat de waarde van een stuk land is. En nog later natuurlijk ook de introductie van geld als ruilmiddel. We zijn als het ware van jager-verzamelaars data-verzamelaars geworden.

Het idee van het benutten van data is dus al oud. Het is eigenlijk een deel van onze natuur. Een data-gedreven samenleving zie ik als een onderdeel van het grotere technologische verhaal waarin het samenkomen van allerlei wetenschappelijke ontwikkelingen zorgt voor een explosie aan technologische mogelijkheden. En dat is wat we momenteel zien met robots en kunstmatige intelligentie. Robots kunnen in de toekomst gaan leren van de data die op het internet zwerven, of ze kunnen een soort handen en voeten van het internet worden.”

Hoe denk je over de toekomst van de mens in relatie tot de robot?

“Met androïde robots zoals in Blade Runner zal het in de toekomst denk ik niet zo’n vaart lopen. Dat zit minder in de technologie dan in zaken als de kostprijs en in de vraag wat het voor zin heeft om zo’n robot te maken. Ik denk wel dat we zoiets als robothuisdieren gaan krijgen. Die volgen je beter dan echte huisdieren, je kunt er niet allergisch voor zijn, ze gehoorzamen je onvoorwaardelijk en kunnen je altijd helpen. Voor dit soort robotmetgezellen, als huisdier, maar ook in de zorg, zie ik een grote markt.

Ik zie technologie als een onderdeel van de natuur. Voor mij is een vliegtuig ook natuur, en een computer idem dito. We beschouwen een vogelnest toch ook als natuur, of een spinnenweb? Als je een spin cafeïne geeft, dan verandert het spinnenweb van vorm. Het web is dus een product van de neurale activiteit in het brein van de spin. Op dezelfde manier moeten we de creaties van de mens ook zien als een product van onze neurale activiteit. Dat geldt voor al onze technologie, dus ook voor robots. Ook robots zijn een onderdeel van de natuur.

Ik zou niet zover willen gaan door te zeggen dat technologie helemaal een autonoom organisme is, maar het is wel een onderdeel geworden van het evolutionaire systeem. Het is een gevolg van de evolutie en het gaat almaar door. Als mensen maken wij systemen die onze vermogens voorbij gaan. Ik vind dat een mooi idee. We hebben al robots de ruimte in gestuurd. En misschien gaan robots in de toekomst nog wel een groter deel van het heelal voor ons verkennen. Mensen zijn daar helemaal niet geschikt voor.”

Wednesday, November 13, 2019

"Dingen die peuters al beheersen zijn vaak het moeilijkst voor robots"


Voor het novembernummer van technologietijdschrift De Ingenieur interviewde ik Berkeley-hoogleraar Pieter Abbeel 

“Als hoogleraar wil ik voor het grote doel gaan: robots bouwen die net zo goed leren als mensen. Maar als oprichter van mijn eigen bedrijf Covariant.ai moet ik zorgen dat robots nú goed werken voor een klant.”

Aan het woord is Pieter Abbeel (42), een van de wereldleiders op het terrein van lerende robots. Hij is directeur van het Berkeley Robot Learning Lab, hoogleraar aan de Universiteit van Berkeley (Californië, VS) en oprichter van het net twee jaar oude start-up bedrijf Covariant AI. Aan de universiteit ontwikkelt hij kunstmatige intelligentie (AI) om robots sneller nieuwe taken te laten leren. Met zijn bedrijf ontwikkelt hij automatisering die toegepast wordt in de praktijk van onder andere de maakindustrie, de logistiek en de detailhandel. Robotarmen die een grotere variëteit aan producten kunnen oppakken en verplaatsen bijvoorbeeld.

Het volledige interview is te lezen in de papieren editie van De Ingenieur.

Hoe moderne AI op oude obstakels stuit


Deze boekrecensie is verschenen in technologietijdschrift De Ingenieur van oktober 2019

Het Amerikaanse bedrijf Boston Dynamics trekt al jarenlang de aandacht met indrukwekkende robotvideo’s. Neem de humanoïde robot Atlas die op twee krachtige benen een hindernisparcours aflegt. Hij springt over boomstammen en stapt blokken op en af. Uitleg geeft het bedrijf nooit. Vragen van journalisten beantwoordt het niet. En dus blijft de vraag: hoe robuust zijn deze robots echt? Vertonen ze hun kunstjes ook als we de omgeving een beetje veranderen?

In hun net verschenen boek Rebooting AI onthullen psycholoog en ondernemer Gary Marcus en hoogleraar informatica Ernest Davis dat robot Atlas voor de parcours-video 21 pogingen nodig had om er eentje te laten lukken. Nog erger: verplaats een blok een beetje, dim het licht, schilder de muren donker en de robot struikelt. Elk kind dat heeft leren lopen doet dat beter. De robotvideo’s van Boston Dynamics maken ons lekker met een illusie.

In Rebooting AI bespreken de auteurs natuurlijk de indrukwekkende prestaties die kunstmatige intelligentie (AI) recent heeft geleverd: automatische vertaling, gezichtsherkenning, voorwerpherkenning, spraakherkenning, rij-ondersteuning in de auto. Maar Marcus en Davis maken zich vooral zorgen dat we de huidige AI te veel vertrouwen. Een zelfrijdende auto die 95% van de tijd feilloos rijdt, bijvoorbeeld op voorspelbare snelwegen, maar in de stad om de haverklap brokken maakt, is levensgevaarlijk.

Ondanks het succes van zoekmachines bij het schiften van informatie op het world wide web begrijpen computers nog steeds niet wat ze lezen. Neem dit beroemde, uit slechts vijf woorden bestaande verhaaltje: “Te koop: babyschoentjes. Nooit gedragen.” Mensen trekken hieruit de conclusie dat er waarschijnlijk een baby is overleden en de schoentjes daarom te koop zijn. Dat staat nergens letterlijk. Ons begrip stoelt op kennis van de wereld en van de taal, op gezond verstand en causaal redeneren. Geen computer die dit korte verhaal begrijpt, laat staan een complexe roman van een paar honderd pagina’s.

AI heeft fundamentele beperkingen die meer computerkracht en meer data niet oplossen, beargumenteren Marcus en Davis. De achilleshiel is dat onze wereld complex, dynamisch en open is. Er kan een vrijwel oneindig aantal onvoorziene dingen gebeuren. Huidige AI is sterk gebaseerd op het leren van duizenden voorbeelden en kan daar niet mee omgaan. Er is vaak geen tijd om eerst van duizenden voorbeelden te leren. Een zelfrijdende auto moet in een fractie van een seconde de juiste beslissing nemen.

De AI worstelt al sinds haar begin als wetenschappelijke discipline in 1956 met deze achilleshiel. De aanpak die in de eerste decennia de boventoon voerde, symbolische AI, was gebaseerd op het vatten van kennis in symbolen en regels, en daarmee logisch redeneren. Ook die aanpak liep tegen beperkingen aan. In het afgelopen decennium werd de symbolische AI overvleugeld door lerende AI en dan met name deep learning.

De oude aanpak is slecht in het leren van nieuwe dingen. De nieuwe aanpak is slecht in het begrijpen van de wereld. En zo komen Marcus en Davis in Rebooting AI bij hun recept voor de toekomst: combineer de oude en de nieuwe AI, en vul de mix aan met nog te ontwikkelen nieuwe AI-instrumenten. Net als mensen zullen ook machines een aantal aangeboren vaardigheden moeten hebben: een basaal begrip van tijd, ruimte en causaliteit. Daarmee kunnen ze een intuïtief psychologisch en natuurkundig begrip ontwikkelen. Wat gaat er in andere mensen om? Hoe gedragen voorwerpen zich onder invloed van de zwaartekracht?

Vervolgens moeten machines leren redeneren met onzekere informatie. Al deze vaardigheden moeten machines verbinden met het waarnemen van de omgeving, het manipuleren ervan, en natuurlijk met taal. Dat stelt ze in staat om net als mensen cognitieve modellen van de wereld op te bouwen. Met zo’n totaalpakket kunnen machines op een flexibele, mensachtige manier een heleboel verschillende vaardigheden leren. Van deep learning naar deep understanding.

Gemakkelijker gezegd dan gedaan, maar het valt te prijzen dat Rebooting AI de AI-hype van het broodnodige realisme voorziet. De helderheid, de nuchterheid en de inzichten uit niet alleen de informatica, maar ook de psychologie en de taalkunde maken dit het beste populair-wetenschappelijke AI-boek van de afgelopen jaren. “Het echte gevaar is niet superintelligentie, maar idiot savants met macht”, besluiten de auteurs.


Gary Marcus en Ernest Davis. Rebooting AI − Building artificial intelligence we can trust. Pantheon Books. 273 pag.

Friday, November 8, 2019

Slim, slimmer, slimst: Wat iedereen zou moeten weten over kunstmatige intelligentie

Vandaag verscheen het prachtige nieuwe magazine van Speakers Academy, met daarin mijn column: 

'Slim, slimmer, slimst: Wat iedereen zou moeten weten over kunstmatige intelligentie'



Sinds het begin van de industriële revolutie zijn technologische innovaties de drijvende kracht van economische groei. De belangrijkste innovatie van dit moment is kunstmatige intelligentie: het steeds slimmer maken van computers en robots. Maar ondanks de spectaculaire toename van het aantal toepassingen van kunstmatige intelligentie in de afgelopen tien jaar, is menselijke intelligentie op tal van terreinen nog superieur. Voor een succesvolle toepassing van kunstmatige intelligentie in uw onderneming of organisatie is het daarom cruciaal om het beste van computers en robots te combineren met het beste van mensen. De toekomst is aan hybride intelligentie.

De superkracht van kunstmatige intelligentie 

In de afgelopen twintig jaar hebben computers ’s werelds beste menselijke spelers verslagen in spellen als schaken, go en recent zelfs poker. Deze computers zijn niet eens meer getraind door mensen, maar hebben zichzelf bovenmenselijk leren spelen door miljoenen malen tegen zichzelf te oefenen en binnen een paar dagen beter te worden dan menselijke wereldkampioenen.

Deze doorbraken in kunstmatige intelligentie hebben tot talloze innovaties geleid. Burgers en consumenten, bedrijven en overheden hebben de afgelopen jaren kennis gemaakt met kunstmatige intelligentie die teksten vertaalt, gezichten en andere beelden herkent, fraude detecteert, artsen helpt bij het stellen van medische diagnoses, producten aanbeveelt bij het online-winkelen en klantenvragen schriftelijk of zelfs mondeling beantwoordt.

Tegelijkertijd zijn fysieke robots geëvolueerd van loodzware armen die alleen maar auto’s in elkaar kunnen zetten naar flexibele, lichtgewicht, lerende robotarmen die in een handomdraai nieuwe taken kunnen uitvoeren. Robots zijn ook mobiel geworden. Ze rijden spullen rond in magazijnen, bezorgen pizza’s en zijn hard op weg als taxi dienst te doen. Ze zijn onze ogen en oren in de lucht en onder water. En robots kunnen steeds beter met ons communiceren. Kunstmatige intelligentie is de drijvende kracht achter de huidige robotica.

Al deze slimme computers en robots worden niet moe, hebben geen last van emoties, maken geen domme fouten en kunnen veel meer informatie verwerken dan zelfs de slimste mensen. Soms kunnen ze zelfs creatief zijn en met onverwachte oplossingen komen. De supermenselijke go-computer deed enkele zetten waarvan de beste menselijke spelers dachten dat het domme zetten waren, maar het bleken geniale zetten te zijn die menselijke vooroordelen over het go-spel genadeloos blootlegden. In de wetenschap hebben computers al nieuwe planeten ontdekt en veelbelovende moleculen voor het maken van nieuwe materialen en geneesmiddelen.

Waarin mensen nog steeds beter zijn dan machines

Toch moeten we ondanks deze superkracht van computers en robots niet onderschatten wat mensen heel goed kunnen. Mensen zijn nog steeds veel beter dan computers en robots in een algemeen lerend vermogen (we kunnen met een en hetzelfde brein leren voetballen, viool leren spelen en een nieuwe taal leren), mensen leren van veel minder voorbeelden, mensen zijn veel beter in sociaal-emotionele intelligentie, in gezond verstand en in verbeelding. Driejarige kinderen begrijpen al meer van de wereld om hen heen dan de beste supercomputer. Het menselijk brein werkt ook ongelofelijk efficiënt: het verbruikt slechts twintig watt, een factor honderdduizend minder dan de beste supercomputers.

Daarnaast zijn onze cognitieve vermogens ingebed in een lichaam van vlees en bloed. We hebben een wil om te leven, te overleven en betekenis te geven aan ons eindige bestaan. Zoals de Britse neurowetenschapper Steven Rose het zegt: “De informatieverwerking waaruit wij bestaan, evolueerde in, en zou weleens in geen ander medium kunnen werken dan in dat van een sociale, emotionele, door seks geobsedeerde primaat van vlees en bloed.”

Tegelijkertijd is de mens altijd een technologisch wezen geweest dat instrumenten bouwt om zijn eigen beperkte capaciteiten mee uit te breiden. De mens ontwerpt zijn instrumenten en die instrumenten veranderen op hun beurt het doen en laten van de mens, of het nu gaat om de uitvinding van het wiel, de stoommachine, de pil of slimme computers en robots.

Hybride intelligentie heeft de toekomst

Door ons te realiseren waarin machines beter zijn dan mensen en waarin mensen beter zijn dan machines, kunnen we nadenken over hoe we het beste van beide werelden kunnen combineren. Alleen zo kunnen we optimaal profijt trekken uit slimme machines. De toekomst is niet aan kunstmatige intelligentie, maar aan hybride intelligentie: mensen samen met machines. Liever een arts die met een slimme computer samenwerkt dan een arts die dat niet doet. Liever een vliegtuig bestuurd door een combinatie van mens en machine dan een vliegtuig dat alleen maar vertrouwt op een van beide.

Elke toepassing van kunstmatige intelligentie, of het de automatische piloot is in een vliegtuig of auto, automatische gezichtsherkenning of een zoekmachine, is nog steeds bedacht en geprogrammeerd door mensen. De mens houdt de supervisie, ontwerpt de interface tussen mens en machine, voedt de machine met voorbeelden, doet de aanpassingen en de tests in de praktijk. Hiermee is elk kunstmatig intelligente systeem in essentie nog steeds een mens-machine-systeem.

Tenslotte, wanneer kunstmatige intelligentie in een organisatie wordt geïntroduceerd, dan verandert er niet alleen iets voor de werknemers die de toepassing gebruiken (bijvoorbeeld de chirurg die de operatierobot bedient), maar vaak verandert de hele dynamiek in een organisatie (bijvoorbeeld de dynamiek tussen de chirurg en zijn assistenten die naast de operatierobot staan). Willen we kunstmatige intelligentie optimaal benutten, dan is het belangrijk om ook voor deze dynamiek oog te hebben.

Net zoals de stoommachine, de elektriciteit en de verbrandingsmotor in de 19e en 20e eeuw, is kunstmatige intelligentie in de 21e eeuw een general-purpose-technologie die vrijwel alle sectoren in de samenleving gaat veranderen: van de gezondheidszorg tot de detailhandel, van de landbouw tot de financiële sector, van het onderwijs tot de energiesector. Kunstmatige intelligentie is een soort turbo-boost voor de menselijke geest.

Kunstmatige intelligentie helpt ons bij het optimaliseren van oplossingen voor talloze problemen, maar wij als mensen bepalen wat we willen optimaliseren en wat als optimaal geldt. Uitgangspunt zou steeds moeten zijn dat de mens met computers en robots meer floreert dan zonder.




Over  dr. ir. drs. Bennie Mols
Bennie Mols is wetenschapsjournalist (o.a. voor NRC Handelsblad), auteur en spreker. Hij is gespecialiseerd in kunstmatige intelligentie, robots en het menselijk brein. Met zijn achtergrond als gepromoveerd natuurkundige en afgestudeerd filosoof biedt hij een unieke, multidisciplinaire kijk op de digitalisering van onze samenleving. Hij geeft regelmatig commentaar op radio en tv over actuele onderwerpen in de kunstmatige intelligentie en robotica. Hij is ook auteur van de succesvolle populair-wetenschappelijke boeken Turings tango (over kunstmatige intelligentie) en Hallo robot (over robots). Voor de WRR schreef hij als onafhankelijk expert het working paper Internationaal AI-beleid − Domme data, slimme computers en wijze mensen.

Voor lezingen van mij over kunstmatige intelligentie (AI), robots, het menselijk brein, Alan Turing en alles rondom de digitalisering van de samenleving kunt u contact opnemen met Speakers Academy

Tuesday, November 5, 2019

AI koloniseert nu ook al de ruimte - In StarCraft II

Computerprogramma AlphaStar bereikt een verbazingwekkend professioneel niveau in videogame StarCraft II.



Dit artikel is gepubliceerd in NRC Handelsblad van woensdag 30 oktober 2019

Voor het eerst kan een computer zich meten met de allerbeste menselijke spelers in StarCraft II, een videogame die door tienduizenden op professioneel niveau wordt gespeeld en door miljoenen puur voor de lol. Computerprogramma AlphaStar, een schepping van het Londense AI-bedrijf DeepMind, presteert beter dan 99,8 procent van de spelers die een officiële StarCraft-ranking hebben in alle drie de verschillende volken van StarCraft II: Protoss, Terran en Zerg. Niet eerder bereikte kunstmatige intelligentie zo’n hoog niveau in een professionele e-sport. Weliswaar is AlphaStar dus wereldklasse, maar nog niet bovenmenselijk zoals computers in dammen, schaken en go.

Onderzoekers van DeepMind (eigendom van Google) publiceerden hun onderzoeksresultaten in Nature van deze week. Ze werden geholpen door de professionele StarCraft-speler Dario Wünsch van het in Utrecht gevestigde Team Liquid. Begin dit jaar had een eerdere versie van AlphaStar al eens gewonnen van zowel Wünsch als van zijn collega Grzegorz ‘MaNa’ Komincz, een van de sterkste profs. Dat gebeurde echter alleen in een van de drie StarCraft-varianten: Protoss. De nieuwste versie van AlphaStar is veel krachtiger en daarnaast is de training van AlphaStar inmiddels volledig geautomatiseerd.

Lees het hele artikel op de website van NRC Handelsblad

50 jaar internet - een schitterend ongeluk

In 1969 werd aan de westkust van de VS het eerste computernetwerk geboren: Arpanet. Het zaadje dat zou uitgroeien tot ons huidige Internet. Een kleine geschiedenis van een grote ontwikkeling.





Dit artikel is gepubliceerd in de online-editie van NRC Handelsblad op dinsdag 29 oktober 2019

Terwijl de wereld nog aan het bijkomen was van de eerste mens die enkele maanden eerder voet op de maan had gezet, vond op 29 oktober 1969, vandaag precies vijftig jaar geleden, een doorbraak plaats die toen weinig aandacht kreeg maar uiteindelijk een veel grotere invloed op de wereld zou hebben: voor het eerst werd een bericht tussen twee computers verstuurd, van de Universiteit van Californië in Los Angeles naar het Stanford Research Institute.

Het bericht bestond uit weinig meer dan de letters ‘LO’. Dat had ‘LOG’ moet zijn, als afkorting van ‘LOG IN’, maar bij het versturen van de letter G crashte de verbinding. Aan het einde van dat jaar waren vier computers van vier Amerikaanse universiteiten met elkaar verbonden, een heus computernetwerk. Het Arpanet was geboren, het zaadje van ons huidige Internet, inmiddels toegankelijk voor 55 procent van de wereldbevolking.

Lees het hele artikel op de website van NRC Handelsblad