Click on the image to watch the video
Delft Robotics Institute: robots for people and with people.
I was happy to hear and see that the myth of robots taking over the world is finally also among roboticists being replaced by the best cooperation between humans and robots.
In my TEDx-Delft-presentation you can see what I had to say about these themes:
SCIENCE JOURNALIST - WRITER - SPEAKER @ ClearScience42 ***** Specialized in artificial intelligence, robots, the brain and Alan Turing***Gespecialiseerd in kunstmatige intelligentie, robots, het brein en Alan Turing.
Friday, January 25, 2013
Sunday, January 6, 2013
The Internet turns 30 - Happy birthday!
A brief history of the Internet
1969 The first version of the ARPANET, developed by the United States Department of Defense. The ARPANET is the predecessor of our present day Internet.
1971 Ray Tomlinson sends the world's first e-mail between two computers of the ARPANET. He is the first to use the @-sign in an e-mail address.
1983 DARPA (America's Defense Advanced Research Projects Agency) adopts the Transmission Control Protocol/Internet Protocol (TCP/IP) as the standard protocol for communication between computers. The Internet is born on January 1, 1983. It consists of a network of 500 computers at universities and US government institutions.
1990 Birth of the World Wide Web at the CERN-institute in Geneva (Switzerland). The whole world should thank Tim Berners-Lee that his invention was not patented and commercialized, but stayed an open, free infrastructure. Wouldn't he deserve the Nobel Peace Prize for this?
Note: Many people confuse the Internet with the World Wide Web. They are not the same. The Internet is the infrastructure underlying the World Wide Web, like motorways are the underlying structure for cars, motorcycles and trucks. The Internet is a network of computer networks. WWW is one of the services that runs on the Internet, but there are more services, such as e-mail, FTP, VoIP and Usenet.
1991 Info.cern.ch is the first website, running on a NeXT-computer at CERN
1992 Website-registration for the Internet begins with domain names ending on .com, .net, .org, .gov and .edu.
1993 CERN opens up the World Wide Web for everyone.
1994 Release of the Netscape Navigator, a browser for the Internet. Creation of JAVA.
1995 Foundation of Yahoo, Amazon.com and eBay.
1996 Launch of Hotmail
1997 The Amsterdam Internet Exchange is launched. Amsterdam becomes the Internet capital of the world.
1998 Google founded
2000 Burst of Dot.com-bubble
2001 Launch of Wikipedia
2003 Launch of Second Life
2004 Launch of Facebook
2005 Launch of YouTube and Google Earth
2006 Launch of Twitter
2006 Web Science becomes the scientific study of the Web
2011 Although it is really too much honor to call the Arab Spring a Facebook- or a Twitter-revolution, Facebook and Twitter definitely play an accelerating role in spreading the revolutionary spirit during the Arab Spring.
2013 Internet @30...More than 2,4 billion people worldwide use the Internet. If the Internet were a country, it would rank as the world's fifth-largest economy.
To-Do-list for the next 30 years:
- One-third of the world population has now access to Internet. But that also means that two-third of the world population has no access. The next challenge is to connect all world citizens.
- Our present Internet connects computers and people. The next step will be to also connect THINGS: your car, your fridge, your house. As more and more things are getting sensors and chips, they can be connected to the Internet
- Turning the Internet in a true and beneficial Social Machine that uses Big Data. Read my interview with Dame Wendy Hall about the Social Machine.
- Interplanetary Internet
More about the Internet on the Internet:
Read here more about the history of the Internet.
Visit also the The Big Internet Museum
Internet World Stats collects statistics about the use of Internet in the world
Labels:
Informatica,
Informatics
Wednesday, January 2, 2013
Videozoekmachine wordt volwassen
Een steeds groter deel van de gedigitaliseerde informatie bestaat uit beeld: van vakantiefoto’s op Facebook, homevideo’s op YouTube tot professionele filmreportages in beeldarchieven. Wat zou het handig zijn als we in die beelden net zo goed en snel zouden kunnen zoeken als zoekmachines kunnen in tekst. Zoek je filmbeelden van wielrenners die voor de camera ontkennen dat ze ooit doping hebben gebruikt, dan zou je de de bijbehorende filmfragmenten met slechts een paar trefwoorden willen vinden: bijvoorbeeld ‘wielrenners’, ‘doping’ en ‘ontkenning’ of liever nog met een grammaticaal correcte opdracht als ‘Geef me alle filmfragmenten van wielrenners die voor de camera ontkennen dat ze ooit doping hebben gebruikt’.
Dat lijkt veel eenvoudiger dan het is. In werkelijkheid is automatische beelddetectie een van de grootste uitdagingen in de informatica. Neem bijvoorbeeld het filmbeeld van een man die een overval pleegt op een slijterij. Het herkennen van individuele voorwerpen zoals ‘man’, ‘fles’ en ‘toonbank’ lukt een computer al vrij aardig, maar het begrijpen en onder woorden brengen van de relatie tussen alle individuele voorwerpen in een samengesteld beeld − in dit geval: ‘een man pleegt een overval op een slijterij’ − is voorlopig nog een brug te ver. Toch is er in de afgelopen tien jaar veel vooruitgang geboekt. En daaraan heeft informaticus Cees Snoek van de Universiteit van Amsterdam (UvA) een stevige bijdrage geleverd.
Doorbraak in beeldzoeken “Tot eind jaren negentig probeerden wetenschappers computers beelden te laten begrijpen door modellen van voorwerpen te bouwen”, zegt Snoek. “Zo’n model vertelt de computer bijvoorbeeld dat ‘een stoel vier poten heeft’ en dat ‘een zeilboot een grote romp en een zeil heeft en omringd wordt door blauw water’. Voor elk voorwerp had de computer een apart algoritme nodig. Dat heeft niet tot de gehoopte doorbraak in videozoeken geleid.”
Die doorbraak kwam pas met een model dat de Amerikaan David Lowe in 1999 ontwikkelde. Dit model is geïnspireerd op de manier waarop het menselijk brein visuele informatie begrijpt. Snoek: “Kort gezegd maakt het model een zo compact mogelijke beschrijving van de nabije omgeving van elk pixel. Hoe verandert in de omliggende pixels het contrast, de textuur en de beweging? Die beschrijving filtert alle toevalligheden, zoals de opnamehoek of de schaduw, eruit. Zo ontwikkelde Lowe een algoritme dat alle mogelijke concepten aan kan. In het werk van Lowe zat nog geen kleurinformatie. Dat hebben wij er aan toegevoegd en die uitbreiding gebruikt nu ook de hele wereld in ons vakgebied. Een tweede belangrijke bijdrage aan de geboekte vooruitgang was het beschikbaar komen van heel veel beelddata en het vermogen van algortimen om steeds beter te leren van al die voorbeelden.”
Snoek is de onderzoeksleider van de MediaMill Semantic Video Search Engine, een videozoekmachine van de UvA die jaarlijks hoge ogen gooit in een internationale wedstrijd voor videozoekmachines, georganiseerd door het Amerikaanse National Institute of Standards and Technology (NIST). In 2008, 2009 en 2010 won de UvA-zoekmachine de wedstrijd. “Dat laat zien dat ons onderzoek op wereldniveau zit,” zegt Snoek, “en dat heeft er ongetwijfeld toe bijgedragen dat ik nu de Nederlandse prijs voor ICT-onderzoek heb gewonnen.”
Het verhaal achter het beeld
Snoek probeert niet alleen de huidige versie van de MediaMill Semantic Video Search Engine beter, sneller en robuuster te maken, hij wil ook nieuwe wegen inslaan. Een van die wegen moet het handmatig labelen van beelden automatiseren. Nu nog labelen onderzoekers de trainingset met beelden handmatig. Om boten te herkennen geven ze de computer een heleboel voorbeelden van boten, waaraan ze zelf het label ‘boot’ hebben gehangen. Snoek: “Dat handwerk wil ik vervangen door het verzamelen van gelabelde beelden van het internet. Dan loop je in eerste instantie tegen het probleem op dat veel labels helemaal niet hoeven te kloppen met het beeld. Een foto van een boot kan bijvoorbeeld het label ‘vakantie’ dragen. Maar we hebben inmiddels een algoritme ontwikkeld dat dit probleem op een effectieve manier oplost.”
Een tweede nieuwe weg die Snoek wil in slaan, is het interpreteren van een beeld in een gehele zin in plaats van alleen in een enkel concept, zoals nu nog gebeurt. “Neem een beeld waarop een vrouw en een fiets te zien zijn. De computer zou dan moeten herkennen of de vrouw langs de fiets loopt, of op de fiets rijdt, of misschien wel de fiets aan het stelen is. De computer moet dan niet alleen met zelfstandige naamwoorden op de proppen komen, maar ook met werkwoorden en voorzetsels. Het ultieme doel is dat een computer de beeldscène omschrijft in een verhaal, zoals mensen dat ook kunnen.”
De beeldzoektechnieken die Snoek met zijn collega’s ontwikkelen, worden sinds kort ook in de praktijk toegepast. Het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid in Hilversum gebruikt de technieken om meer dan 750.000 uur aan videomateriaal doorzoekbaar te maken. En het Nederlands Forensisch Instituut is geïnteresseerd in het toepassen van de techniek om bijvoorbeeld grote hoeveelheden in beslag genomen videomateriaal te filteren op de aanwezigheid van kinderporno.
Het prijzengeld van € 50.000 dat verbonden is aan het winnen van de Nederlandse Prijs voor ICT-onderzoek is voor Snoek een welkome steun in de rug. “Een deel ervan wil ik gebruiken om buitenlandse onderzoekers van naam en faam naar Nederland te halen voor het geven van lezingen. Met een ander deel wil ik mijn promovendi ondersteunen bij de aanschaf van bijvoorbeeld een nieuwe computer of andere hardware. Verder wil ik ook een deel van het geld besteden om een samenwerking met China op te zetten. Een voormalige student van mij is nu universitair docent in Peking en dat contact kan ik gebruiken om de samenwerking met China uit te breiden.”
Internet
http://www.ceessnoek.info/
Kort CV Cees Snoek:
Cees Snoek (1978) studeerde business information systems aan de Universiteit van Amsterdam (UvA, 2000) en promoveerde aan dezelfde universiteit in de informatica (2005). Momenteel is hij universitair docent bij het Instituut voor Infomatica van de UvA en hoofd R&D van het spin-offbedrijf Euvision Technologies. Snoek is gespecialiseerd in automatische zoektechnieken voor video. Hij is de onderzoeksleider van de MediaMill Semantic Video Search Engine, een videozoekmachine die driemaal als ’s werelds beste uit de bus kwam. In de afgelopen jaren won Snoek diverse onderzoeksbeurzen: NWO Veni (2008), Fulbright Junior Scholarship (2010) en een NWO Vidi-beurs (2012). Op 30 oktober 2012 ontving hij de Nederlandse Prijs voor ICT-onderzoek (voor onderzoekers onder de veertig jaar). Het prijzengeld van € 50.000 mag hij vrij besteden aan ICT-onderzoek. De prijs is ingesteld door het ICT-onderzoek Platform Nederland (IPN) en NWO Exacte Wetenschappen, met steun van de Koninklijke Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen (KHMW).
Cees Snoek (1978) studeerde business information systems aan de Universiteit van Amsterdam (UvA, 2000) en promoveerde aan dezelfde universiteit in de informatica (2005). Momenteel is hij universitair docent bij het Instituut voor Infomatica van de UvA en hoofd R&D van het spin-offbedrijf Euvision Technologies. Snoek is gespecialiseerd in automatische zoektechnieken voor video. Hij is de onderzoeksleider van de MediaMill Semantic Video Search Engine, een videozoekmachine die driemaal als ’s werelds beste uit de bus kwam. In de afgelopen jaren won Snoek diverse onderzoeksbeurzen: NWO Veni (2008), Fulbright Junior Scholarship (2010) en een NWO Vidi-beurs (2012). Op 30 oktober 2012 ontving hij de Nederlandse Prijs voor ICT-onderzoek (voor onderzoekers onder de veertig jaar). Het prijzengeld van € 50.000 mag hij vrij besteden aan ICT-onderzoek. De prijs is ingesteld door het ICT-onderzoek Platform Nederland (IPN) en NWO Exacte Wetenschappen, met steun van de Koninklijke Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen (KHMW).
Creating social machines for the greater good
The Internet has evolved from a read-only Web, via a read/write Web to a social Web in which humans are becoming part of the machine. Dame Wendy Hall, Professor of Computer Science at the University of Southampton, has always been at the forefront of the science that has led to social machines.
This article has been published in I/O Magazine, december 2012
Dame Wendy Hall is an atypical computer scientist. She doesn’t like programming. She doesn’t like geek speak. She likes dealing with people. ‘I am a people person, whereas an awful lot of computer scientists don’t like dealing with people,’ she says after having delivered her lecture Web Science: The Theory and Practice of Social Machines at ICT.OPEN 2012 in Rotterdam last October.
Web science is a perfect example of the unique interplay between the scientific and the engineering components of computer science: an interplay between fundamental scientific developments and the practical tool created by computer scientists: the Web. And the social machine is to web scientists what the telescope is to astronomers. ‘Social machines collectively use the power of the human brain, together with the power of machines, for the greater good,’ says Hall, adding, ‘although of course there will also be a greater bad.’
As Hall sees it, the main question that social machines can help us answer is how certain phenomena emerge on the Web. ‘A well-known example involves Twitter, a social machine that we use a lot in our scientific research in Southampton. Who influences whom on Twitter? Who are the creative thinkers? Who are the followers? Who amplifies messages? These are interesting questions to answer. Let me give another example of what a social machine can do in the medical domain. In a small country, only a few people might suffer from some rare disease. But on a global scale that can add up to a significant number of people. A social machine can help patients and their families share their knowledge and experiences.’
Explorers
With the others in her research group at the University of Southampton, Hall is working to characterise and classify social machines, but also to build social machines of their own. She aims to develop a Web observatory where people all over the world can share the data they are gathering about the Web. Hall: ‘Astronomers are already sharing data gathered from different places around the world to create more powerful telescopes. Ideally there should be Web observatories all over the world, including the one we are building at Southampton, coordinated through the Web Science Trust, which is hosted at Southampton.
In considering the potential of social machines, we have to remember, Hall says, that we are still in the very early days. ‘We are explorers in new terrain. It’s like with the computer in the 1940s. People still had to discover what computers are and what computer science is. More social machines fail than succeed. But looking at the failures is as important as looking at the successes. Actually, the Web itself is only so young and therefore still fragile. Governments and companies often don’t understand the digital ecosystem. Companies are afraid to be open and some even try to challenge the principle of net neutrality. Sometimes I feel that just as we could destroy the physical ecosystem on the planet, we could also destroy the digital ecosystem.’
In Hall’s view, humans are an essential part of the social machine: ‘Social machines are not Turing machines anymore. The social machine can be seen as Turing machines in combination with the unpredictable ‘us’. The Web is a sociotechnical system. Social machines are redefining what machines are. They are changing us. But how? The jury is still out. We need data, lots of data. The medical world could profit a lot from health data. We need to get health data out, whilst still ensuring privacy.’
Keeping a close eye on both the element of privacy and the terms under which data can be used is an important issue when it comes to collecting data. Another important issue is that many companies are reluctant to share the data they ‘own’. ‘But in the end,’ says Hall, ‘it’s all about return on investment. If the return is higher than the investment, then it’s worth sharing data.’
Role model Now 60, Hall flies all over the world to give talks about web science and the potential of social machines. ‘I feel privileged that I am ending my scientific career on a real high. All that I have done before is coming together in what I am doing now.’ In 2012, Computer Weekly ranked her second among the ‘most influential women in UK IT’. Hall is seen as a role model for women in science. ‘I have accepted that role, although I have never had kids. I’ve never had to combine family with work and in that sense I am not a role model.’
Throughout her career, Hall has tried to involve more women in computer science. But sometimes she gets tired of the gender issue. ‘Then I think: this is just the way it is. Yes, we do need more women in programming, in building computer architectures, in senior positions, but the pipeline is so empty. Unfortunately it’s almost as if we have lost the battle in computer science. We have created this culture that women just don’t enjoy. On the other hand, women do enjoy talking about the social implications of computer science. My research group counts far more women than the average research group in computer science. That’s because our research is close to the social sciences and the humanities where there are more women than men. I have no problem involving more women in web science and that makes me happy.’
Although Hall likes to study and construct social machines, she is a late adopter herself. ‘I use Twitter, but only since 2009. I enjoy Twitter because it’s a good way to communicate with a large number of people. But I don’t use Facebook. I just don’t want to take the time for it. For me, computer science has always been about how people use computers. I have never been interested in writing programs or compilers. Honestly speaking, computers really annoy me. If I ever have problems with my computer or with the network, I give them to the technical support team to fix.’
Short CV:
Wendy Hall was born in London in 1952. She received a bachelor’s degree and a PhD in mathematics from the University of Southampton. In 1984 she became a computer science lecturer at the same university. She did pioneering research in the field of multimedia and was the co-inventor of the Microcosm hypermedia system, a predecessor of the World Wide Web that ran on a closed network of computers. In 1994 she was appointed Professor of Computer Science at the University of Southampton. In 2006 she co-founded the Web Science Research Initiative (together with, among others, Tim Berners-Lee, the inventor of the World Wide Web). From 2008 to 2010 she was President of the ACM (Association for Computing Machinery). In 2009 she was awarded the title Dame Commander of the British Empire and she was elected as a Fellow of the Royal Society. From 2008-2011 she was a guest professor at Tsinghua University in Beijing. Wendy Hall is married and has no children.
Web science is a perfect example of the unique interplay between the scientific and the engineering components of computer science: an interplay between fundamental scientific developments and the practical tool created by computer scientists: the Web. And the social machine is to web scientists what the telescope is to astronomers. ‘Social machines collectively use the power of the human brain, together with the power of machines, for the greater good,’ says Hall, adding, ‘although of course there will also be a greater bad.’
As Hall sees it, the main question that social machines can help us answer is how certain phenomena emerge on the Web. ‘A well-known example involves Twitter, a social machine that we use a lot in our scientific research in Southampton. Who influences whom on Twitter? Who are the creative thinkers? Who are the followers? Who amplifies messages? These are interesting questions to answer. Let me give another example of what a social machine can do in the medical domain. In a small country, only a few people might suffer from some rare disease. But on a global scale that can add up to a significant number of people. A social machine can help patients and their families share their knowledge and experiences.’
Explorers
With the others in her research group at the University of Southampton, Hall is working to characterise and classify social machines, but also to build social machines of their own. She aims to develop a Web observatory where people all over the world can share the data they are gathering about the Web. Hall: ‘Astronomers are already sharing data gathered from different places around the world to create more powerful telescopes. Ideally there should be Web observatories all over the world, including the one we are building at Southampton, coordinated through the Web Science Trust, which is hosted at Southampton.
In considering the potential of social machines, we have to remember, Hall says, that we are still in the very early days. ‘We are explorers in new terrain. It’s like with the computer in the 1940s. People still had to discover what computers are and what computer science is. More social machines fail than succeed. But looking at the failures is as important as looking at the successes. Actually, the Web itself is only so young and therefore still fragile. Governments and companies often don’t understand the digital ecosystem. Companies are afraid to be open and some even try to challenge the principle of net neutrality. Sometimes I feel that just as we could destroy the physical ecosystem on the planet, we could also destroy the digital ecosystem.’
In Hall’s view, humans are an essential part of the social machine: ‘Social machines are not Turing machines anymore. The social machine can be seen as Turing machines in combination with the unpredictable ‘us’. The Web is a sociotechnical system. Social machines are redefining what machines are. They are changing us. But how? The jury is still out. We need data, lots of data. The medical world could profit a lot from health data. We need to get health data out, whilst still ensuring privacy.’
Keeping a close eye on both the element of privacy and the terms under which data can be used is an important issue when it comes to collecting data. Another important issue is that many companies are reluctant to share the data they ‘own’. ‘But in the end,’ says Hall, ‘it’s all about return on investment. If the return is higher than the investment, then it’s worth sharing data.’
Role model Now 60, Hall flies all over the world to give talks about web science and the potential of social machines. ‘I feel privileged that I am ending my scientific career on a real high. All that I have done before is coming together in what I am doing now.’ In 2012, Computer Weekly ranked her second among the ‘most influential women in UK IT’. Hall is seen as a role model for women in science. ‘I have accepted that role, although I have never had kids. I’ve never had to combine family with work and in that sense I am not a role model.’
Throughout her career, Hall has tried to involve more women in computer science. But sometimes she gets tired of the gender issue. ‘Then I think: this is just the way it is. Yes, we do need more women in programming, in building computer architectures, in senior positions, but the pipeline is so empty. Unfortunately it’s almost as if we have lost the battle in computer science. We have created this culture that women just don’t enjoy. On the other hand, women do enjoy talking about the social implications of computer science. My research group counts far more women than the average research group in computer science. That’s because our research is close to the social sciences and the humanities where there are more women than men. I have no problem involving more women in web science and that makes me happy.’
Although Hall likes to study and construct social machines, she is a late adopter herself. ‘I use Twitter, but only since 2009. I enjoy Twitter because it’s a good way to communicate with a large number of people. But I don’t use Facebook. I just don’t want to take the time for it. For me, computer science has always been about how people use computers. I have never been interested in writing programs or compilers. Honestly speaking, computers really annoy me. If I ever have problems with my computer or with the network, I give them to the technical support team to fix.’
Short CV:
Wendy Hall was born in London in 1952. She received a bachelor’s degree and a PhD in mathematics from the University of Southampton. In 1984 she became a computer science lecturer at the same university. She did pioneering research in the field of multimedia and was the co-inventor of the Microcosm hypermedia system, a predecessor of the World Wide Web that ran on a closed network of computers. In 1994 she was appointed Professor of Computer Science at the University of Southampton. In 2006 she co-founded the Web Science Research Initiative (together with, among others, Tim Berners-Lee, the inventor of the World Wide Web). From 2008 to 2010 she was President of the ACM (Association for Computing Machinery). In 2009 she was awarded the title Dame Commander of the British Empire and she was elected as a Fellow of the Royal Society. From 2008-2011 she was a guest professor at Tsinghua University in Beijing. Wendy Hall is married and has no children.
Monday, November 5, 2012
Friday, October 19, 2012
Totaalvoetbal op wielen
Na vier verloren WK-finales won het Tech United-team van de TU Eindhoven op 23 juni 2012 in Mexico eindelijk het wereldkampioenschap robotvoetbal. In 2013 wordt de titel in eigen huis verdedigd.
Dit artikel is gepubliceerd in I/O Magazine (september 2012) van het ICT-onderzoek Platform Nederland (IPN)
Een paar weken na de met 4-1 gewonnen WK-finale staan twee van de Eindhovens voetbalrobots al weer op het trainingsveld bij de faculteit werktuigbouwkunde. Ze zijn aan de buitenkant gehavend. Door het transport van Mexico Stad naar Eindhoven? “Nee”, zegt masterstudent werktuigbouwkunde Robin Soetens. “Onze Iraanse robottegenstanders in de finale waren per stuk bijna vijf kilo zwaarder. Dat maakt ze logger in bewegingen, maar ook sterker in het fysieke contact. En bij dat fysieke contact hebben onze robots enkele deuken opgelopen.” Soetens zet de twee robots aan, laat ze samenspelen en afwerken op een leeg doel. De bal vliegt er met groot gemak keer op keer in.
De voorbereiding op titelprolongatie is al weer begonnen. Technisch manager van Tech United, werktuigbouwkundige dr. René van de Molengraft, komt net terug van een brainstormsessie over de komend jaar te volgen strategie. De huidige WK-titel noemt hij ‘dik verdiend’. “Eigenlijk hadden we in 2010 al moeten winnen. We domineerden toen het hele toernooi, maar in de finale liet de hardware ons in de steek. In de afgelopen twee jaar zijn we er in geslaagd om de hardware robuust te maken en de software naar een hoger plan te tillen. Dit jaar hebben we voor het eerst de afspeelpass als wapen geïntroduceerd. Vroeger zag je robots alleen lange solo’s uitvoeren. Een nieuwe spelregel verbiedt het sinds dit jaar echter dat een speler over de middellijn dribbelt.”
Halverwege het afgelopen WK begon het samenspel bij Tech United na enkele softwareaanpassingen goed te lopen. En dat leidde tot prachtig samenspel en slim voetbal. De teamleider van Portugal kwam zelfs met tranen in de ogen aan Van de Molengraft vertellen hoe mooi hij het Nederlandse spel vond. “Wij willen niet alleen maar winnen”, zegt de technisch manager. “Net als bij het grote Oranje willen wij dat ook met mooi voetbal doen. Ik zeg wel eens dat wij de robotvariant van totaalvoetbal spelen.”
Is Van de Molengraft wel eens verbaasd over de voetbalkunsten van zijn robotspelers? “Nou en of. Ik heb een keer een Zinedine Zidane-achtige passeerbeweging van een van onze robots gezien. Hij dribbelde met de bal aan de voet. Een tegenstander kwam op hem af. Onze robot draaide tijdens de dribbel om zijn as, ontweek de tegenstander en speelde zichzelf vrij. Eigenlijk spelen twee stukken software die elkaar niet kennen tegen elkaar. Dat leidt tot emergent gedrag dat wij van te voren niet kunnen voorspellen. Het gedrag van de robot hangt af van wat de tegenstander doet.”
Voor Van de Molengraft zijn voetballende robots geen doel op zichzelf. Ze zijn een brug van robots die in een totaal voorspelbare fabrieksomgeving voorgeprogrammeerde taken uitvoeren − zoals al decennialang gebeurt − naar robots die in een onvoorspelbare omgeving multifunctioneel inzetbaar zijn − zoals Van de Molengraft de toekomst voor zich ziet. “De kennis die we met het robotvoetbal opdoen, dragen we ook over naar bijvoorbeeld onze zorgrobot AMIGO. Dat geldt zowel voor de kennis over het fysiek van de robot, als voor kennis op het cognitieve niveau: het navigeren, het vermijden van obstakels en het bouwen van een wereldbeeld.”
De grootste wetenschappelijke uitdaging bij het slaan van een brug tussen opereren in een gestructureerde omgeving en opereren in een ongestructureerde omgeving, ligt op het conceptuele niveau. Hoe kan een robot bijvoorbeeld niet alleen één bepaald soort kopje hanteren, maar elk soort kopje dat wij als zodanig herkennen? Dus met of zonder oortje, rond of rechthoekig, smal of breed, met of zonder inhoud. Van de Molengraft: “Hoe kan de robot het concept ‘kopje’ vormen en dat succesvol toepassen op elk nieuwe soort kopje? Wij mensen kunnen met de ogen dicht een kopje oppakken en naar de mond brengen, omdat we een heleboel voorkennis over de wereld hebben. De grote vraag is hoe robots eenzelfde soort voorkennis kunnen opbouwen.”
Om die brug te slaan, is RoboCup Soccer in de afgelopen jaren uitgebreid met nieuwe competities die zijn gericht op maatschappelijk nuttigere taken dan voetballen. Zo voeren robots in RoboCup Rescue reddingsoperaties uit en in RoboCup@Home huishoudelijke taken. Een belangrijke spin-off van RoboCup is dat de competities studenten enthousiast maken voor robotica-onderzoek. Van de Molengraft: “Dankzij RoboCup trekken we studenten uit diverse disciplines: werktuigbouwkunde, natuurkunde, biomedische techniek en informatica. Ook trekken we studenten die aan een andere universiteit hun bachelor hebben gehaald en aan de TU/e hun master willen doen.”
Alle binnen RoboCup ontwikkelde software is open source, waardoor de kennis zo goed mogelijk wordt gedeeld, uitgebreid en verbeterd. Een geheel nieuwe ontwikkeling, los van RoboCup, maar cruciaal voor de robot van de toekomst, is het Europese project RoboEarth. RoboEarth is een soort World Wide Web voor robots waar ze informatie kunnen delen om van elkaar te kunnen leren over hun gedrag en omgeving. Van de Molengraft: “Het ultieme doel is dat je in de toekomst een robot koopt die maar een beperkt aantal basisfuncties heeft. Als je hem vraagt om een nieuwe taak uit te voeren, dan zoekt hij via RoboEarth op hoe andere robots die taak al hebben gedaan. Die kennis gebruikt hij dan alsof het zijn eigen ervaring is.”

[Kader:]
De fijne kneepjes van het robotvoetbal
RoboCup Soccer begon in 1997 in het Japanse Nagoya met een competitie voor kleine robots. Die competitie heet nu de Small Size League. Later zijn daar nieuwe competities bij gekomen: Simulation (computersimulaties van voetballende robots in twee en drie dimensies), Middle Size (tot een meter hoog), Standard Platform (waarbij elk team hetzelfde robotplatform gebruikt, bijvoorbeeld NAO-robots) en Humanoid (robots met een mensachtig uiterlijk variërend van veertig centimeter groot tot menselijke grootte).
Het Eindhovense team van Tech United is dit jaar wereldkampioen geworden in de Middle Size League. Hierin spelen twee teams van elk vijf robots tegen elkaar met een officiële FIFA-voetbal. Elk team bestaat uit vier veldspelers en een keeper. De veldspelers mogen maximaal veertig kilogram wegen. Elke speler ziet er uit als een soort kegel op drie wieltjes en rijdt maximaal vier meter per seconde. Twee aparte wieltjes aan de onderkant fungeren als de voeten die de bal mogen spelen. Omdat de bal niet mag worden vastgeklemd tussen de wieltjes, draaien ze allebei rond. Met een schietmechanisme kan de bal worden afgespeeld naar een medespeler of op doel worden geschoten. Afspelen naar een medespeler gebeurt voorlopig alleen nog over de grond. Schieten op doel gebeurt gebeurt wel al door de lucht.
Elke robot heeft een eigen computer en neemt zelfstandig beslissingen. De Eindhovense robot kan 360 graden om zich heen kijken via een camera die gericht staat op een ondersteboven hangende parabolische spiegel. Daarmee ziet de robot scherp tot ongeveer zes meter om zich heen. Nog verder om zich heen kijken zou de snelheid van de beeldverwerking te veel afremmen. Omdat het speelveld twaalf bij achttien meter meet, ziet elke robot dus alleen maar een deel van het totale veld. Hij speelt als het ware in de mist. Dat probleem wordt opgelost doordat de robots onderling communiceren via een WiFi-verbinding. Zo vormt elke robot een beeld van waar hij zelf staat, waar de bal is en waar de mede- en tegenspelers staan.
De vier veldspelers zijn identiek, maar op elk moment spelen er twee de rol van aanvaller en twee de rol van verdediger. Wie verdedigt en wie aanvalt, hangt van de spelsituatie af. De hoofdaanvaller is de speler die de bal heeft. Hij kan de bal eventueel afspelen naar de assistent-aanvaller. De hoofdverdediger probeert de bal van de tegenstander te onderscheppen en wordt geassisteerd door een assistent-verdediger. Elke wedstrijd duurt tweemaal vijftien minuten en staat onder leiding van een menselijke scheidsrechter, die bij te ruw spel ook gele en rode kaarten kan trekken.
Internet
Het Eindhovense RoboCup-team Tech United:
www.techunited.nl/
RoboCup:
www.robocup.org/
http://en.wikipedia.org/wiki/RoboCup
Van 24 tot 30 juni 2013 vindt RoboCup plaats in Eindhoven:
www.robocup2013.org/
Een paar weken na de met 4-1 gewonnen WK-finale staan twee van de Eindhovens voetbalrobots al weer op het trainingsveld bij de faculteit werktuigbouwkunde. Ze zijn aan de buitenkant gehavend. Door het transport van Mexico Stad naar Eindhoven? “Nee”, zegt masterstudent werktuigbouwkunde Robin Soetens. “Onze Iraanse robottegenstanders in de finale waren per stuk bijna vijf kilo zwaarder. Dat maakt ze logger in bewegingen, maar ook sterker in het fysieke contact. En bij dat fysieke contact hebben onze robots enkele deuken opgelopen.” Soetens zet de twee robots aan, laat ze samenspelen en afwerken op een leeg doel. De bal vliegt er met groot gemak keer op keer in.
De voorbereiding op titelprolongatie is al weer begonnen. Technisch manager van Tech United, werktuigbouwkundige dr. René van de Molengraft, komt net terug van een brainstormsessie over de komend jaar te volgen strategie. De huidige WK-titel noemt hij ‘dik verdiend’. “Eigenlijk hadden we in 2010 al moeten winnen. We domineerden toen het hele toernooi, maar in de finale liet de hardware ons in de steek. In de afgelopen twee jaar zijn we er in geslaagd om de hardware robuust te maken en de software naar een hoger plan te tillen. Dit jaar hebben we voor het eerst de afspeelpass als wapen geïntroduceerd. Vroeger zag je robots alleen lange solo’s uitvoeren. Een nieuwe spelregel verbiedt het sinds dit jaar echter dat een speler over de middellijn dribbelt.”
Halverwege het afgelopen WK begon het samenspel bij Tech United na enkele softwareaanpassingen goed te lopen. En dat leidde tot prachtig samenspel en slim voetbal. De teamleider van Portugal kwam zelfs met tranen in de ogen aan Van de Molengraft vertellen hoe mooi hij het Nederlandse spel vond. “Wij willen niet alleen maar winnen”, zegt de technisch manager. “Net als bij het grote Oranje willen wij dat ook met mooi voetbal doen. Ik zeg wel eens dat wij de robotvariant van totaalvoetbal spelen.”
Is Van de Molengraft wel eens verbaasd over de voetbalkunsten van zijn robotspelers? “Nou en of. Ik heb een keer een Zinedine Zidane-achtige passeerbeweging van een van onze robots gezien. Hij dribbelde met de bal aan de voet. Een tegenstander kwam op hem af. Onze robot draaide tijdens de dribbel om zijn as, ontweek de tegenstander en speelde zichzelf vrij. Eigenlijk spelen twee stukken software die elkaar niet kennen tegen elkaar. Dat leidt tot emergent gedrag dat wij van te voren niet kunnen voorspellen. Het gedrag van de robot hangt af van wat de tegenstander doet.”
Voor Van de Molengraft zijn voetballende robots geen doel op zichzelf. Ze zijn een brug van robots die in een totaal voorspelbare fabrieksomgeving voorgeprogrammeerde taken uitvoeren − zoals al decennialang gebeurt − naar robots die in een onvoorspelbare omgeving multifunctioneel inzetbaar zijn − zoals Van de Molengraft de toekomst voor zich ziet. “De kennis die we met het robotvoetbal opdoen, dragen we ook over naar bijvoorbeeld onze zorgrobot AMIGO. Dat geldt zowel voor de kennis over het fysiek van de robot, als voor kennis op het cognitieve niveau: het navigeren, het vermijden van obstakels en het bouwen van een wereldbeeld.”
De grootste wetenschappelijke uitdaging bij het slaan van een brug tussen opereren in een gestructureerde omgeving en opereren in een ongestructureerde omgeving, ligt op het conceptuele niveau. Hoe kan een robot bijvoorbeeld niet alleen één bepaald soort kopje hanteren, maar elk soort kopje dat wij als zodanig herkennen? Dus met of zonder oortje, rond of rechthoekig, smal of breed, met of zonder inhoud. Van de Molengraft: “Hoe kan de robot het concept ‘kopje’ vormen en dat succesvol toepassen op elk nieuwe soort kopje? Wij mensen kunnen met de ogen dicht een kopje oppakken en naar de mond brengen, omdat we een heleboel voorkennis over de wereld hebben. De grote vraag is hoe robots eenzelfde soort voorkennis kunnen opbouwen.”
Om die brug te slaan, is RoboCup Soccer in de afgelopen jaren uitgebreid met nieuwe competities die zijn gericht op maatschappelijk nuttigere taken dan voetballen. Zo voeren robots in RoboCup Rescue reddingsoperaties uit en in RoboCup@Home huishoudelijke taken. Een belangrijke spin-off van RoboCup is dat de competities studenten enthousiast maken voor robotica-onderzoek. Van de Molengraft: “Dankzij RoboCup trekken we studenten uit diverse disciplines: werktuigbouwkunde, natuurkunde, biomedische techniek en informatica. Ook trekken we studenten die aan een andere universiteit hun bachelor hebben gehaald en aan de TU/e hun master willen doen.”
Alle binnen RoboCup ontwikkelde software is open source, waardoor de kennis zo goed mogelijk wordt gedeeld, uitgebreid en verbeterd. Een geheel nieuwe ontwikkeling, los van RoboCup, maar cruciaal voor de robot van de toekomst, is het Europese project RoboEarth. RoboEarth is een soort World Wide Web voor robots waar ze informatie kunnen delen om van elkaar te kunnen leren over hun gedrag en omgeving. Van de Molengraft: “Het ultieme doel is dat je in de toekomst een robot koopt die maar een beperkt aantal basisfuncties heeft. Als je hem vraagt om een nieuwe taak uit te voeren, dan zoekt hij via RoboEarth op hoe andere robots die taak al hebben gedaan. Die kennis gebruikt hij dan alsof het zijn eigen ervaring is.”

[Kader:]
De fijne kneepjes van het robotvoetbal
RoboCup Soccer begon in 1997 in het Japanse Nagoya met een competitie voor kleine robots. Die competitie heet nu de Small Size League. Later zijn daar nieuwe competities bij gekomen: Simulation (computersimulaties van voetballende robots in twee en drie dimensies), Middle Size (tot een meter hoog), Standard Platform (waarbij elk team hetzelfde robotplatform gebruikt, bijvoorbeeld NAO-robots) en Humanoid (robots met een mensachtig uiterlijk variërend van veertig centimeter groot tot menselijke grootte).
Het Eindhovense team van Tech United is dit jaar wereldkampioen geworden in de Middle Size League. Hierin spelen twee teams van elk vijf robots tegen elkaar met een officiële FIFA-voetbal. Elk team bestaat uit vier veldspelers en een keeper. De veldspelers mogen maximaal veertig kilogram wegen. Elke speler ziet er uit als een soort kegel op drie wieltjes en rijdt maximaal vier meter per seconde. Twee aparte wieltjes aan de onderkant fungeren als de voeten die de bal mogen spelen. Omdat de bal niet mag worden vastgeklemd tussen de wieltjes, draaien ze allebei rond. Met een schietmechanisme kan de bal worden afgespeeld naar een medespeler of op doel worden geschoten. Afspelen naar een medespeler gebeurt voorlopig alleen nog over de grond. Schieten op doel gebeurt gebeurt wel al door de lucht.
Elke robot heeft een eigen computer en neemt zelfstandig beslissingen. De Eindhovense robot kan 360 graden om zich heen kijken via een camera die gericht staat op een ondersteboven hangende parabolische spiegel. Daarmee ziet de robot scherp tot ongeveer zes meter om zich heen. Nog verder om zich heen kijken zou de snelheid van de beeldverwerking te veel afremmen. Omdat het speelveld twaalf bij achttien meter meet, ziet elke robot dus alleen maar een deel van het totale veld. Hij speelt als het ware in de mist. Dat probleem wordt opgelost doordat de robots onderling communiceren via een WiFi-verbinding. Zo vormt elke robot een beeld van waar hij zelf staat, waar de bal is en waar de mede- en tegenspelers staan.
De vier veldspelers zijn identiek, maar op elk moment spelen er twee de rol van aanvaller en twee de rol van verdediger. Wie verdedigt en wie aanvalt, hangt van de spelsituatie af. De hoofdaanvaller is de speler die de bal heeft. Hij kan de bal eventueel afspelen naar de assistent-aanvaller. De hoofdverdediger probeert de bal van de tegenstander te onderscheppen en wordt geassisteerd door een assistent-verdediger. Elke wedstrijd duurt tweemaal vijftien minuten en staat onder leiding van een menselijke scheidsrechter, die bij te ruw spel ook gele en rode kaarten kan trekken.
Internet
Het Eindhovense RoboCup-team Tech United:
www.techunited.nl/
RoboCup:
www.robocup.org/
http://en.wikipedia.org/wiki/RoboCup
Van 24 tot 30 juni 2013 vindt RoboCup plaats in Eindhoven:
www.robocup2013.org/
Labels:
Informatica,
Robots
Geografische data als nieuwe grondstof
Een belangrijk speerpunt uit de Digitale Agenda Nederland is het beschikbaar stellen van data die de overheid heeft verzameld. Geografische data zijn daarvan een belangrijk deel. De overheid voert actief beleid om bedrijven te stimuleren om met die open geodata nieuwe producten en diensten te ontwikkelen.
De wereldbevolking groeit tussen nu en 2040 naar verwachting van zeven naar negen miljard mensen. Nog meer mensen zullen op hetzelfde landoppervlak aan hun eten en drinken moeten zien te komen. In sommige gebieden wordt het daarom dringen om het schaars beschikbare water. Hoe kan elke wereldburger dan toch nog steeds genoeg te eten en drinken krijgen? Dat kan wanneer de voedselopbrengst per liter verbruikt water toeneemt. Het Nederlandse bedrijf eLEAF ontwikkelt informatieproducten die boeren helpen om precies dat voor elkaar te krijgen.
In digitale kaarten legt het bedrijf gedetailleerd ruimtelijk vast hoe de actuele waterconsumptie, de waterbehoefte van gewassen en de potentiële gewasopbrengst zich ontwikkelen. Deze kaarten vormen de invoer voor zogeheten ‘instructiekaarten’ die door de boordcomputer van een tractor worden gebruikt voor het automatisch aansturen van landbouwmachines. Het resultaat is een duurzamere productie tegen lagere kosten. Verschillende bedrijven leveren gespecialiseerde diensten op basis van deze informatieproducten.
eLEAF is een voorbeeld van een bedrijf dat geografische gegevens die vrij door overheden beschikbaar zijn gesteld gebruikt en aanvult om er nieuwe waardevolle producten mee te creëren. In dit voorbeeld gaat het om data afkomstig uit het Nationale Satellietdataportaal. Het mes snijdt aan twee kanten. Het bedrijfsleven profiteert van de gegevens die de overheid gratis beschikbaar stelt. En de overheid ziet beleidsdoelstellingen dichterbij komen, in dit geval het versterken van duurzame landbouw.
In navolging van de Verenigde Staten en Groot-Brittannië is het vrij beschikbaar stellen van overheidsdata een speerpunt van de Nederlandse overheid. Dat speerpunt is vastgelegd in de Digitale Agenda Nederland. Frans Lips, senior beleidsmedewerker geo-informatie van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I): “Het basisidee is dat de overheid gegevens die met belastinggeld zijn betaald gratis of tegen verstrekkingskosten beschikbaar stelt zodat de private sector ze kan gebruiken om nieuwe producten en diensten te ontwikkelen. Open geodata stimuleren de innovatie. Ook de overheid profiteert: door nieuwe economische activiteit stijgen de belastinginkomsten. Daarnaast kan de markt nieuwe producten of diensten ontwikkelen waarmee de overheid efficiënter kan gaan werken. Het Open Data beleid van de overheid mag dus best iets kosten.”
In Nederland zijn het de gemeenten, de provincies, de rijksoverheid en kennisinstellingen zoals TNO, het KNMI en het RIVM die grote hoeveelheden geo-informatie verzamelen. Die data zijn meestal bijproducten van overheidsbeleid. Zo verzamelt het kadaster in Nederland al een kleine twee eeuwen geografische informatie over de afmetingen en het gebruik van grond.
Deze traditionele landmetingen zijn in de afgelopen decennia aangevuld met nieuwe vormen van geodata, zoals lucht- en satellietfoto’s. Landbouwers kunnen satellietgegevens gebruiken voor het optimaal besproeien van gewassen. Gemeenten kunnen verzakkingen van gebouwen of zelfs wijken dankzij geodata tot millimeters nauwkeurig in kaart laten brengen. En door het in kaart brengen van de verspreiding van waterplanten kan zowel de waterrecreant als de scheepvaart tijdig worden gewaarschuwd. De mogelijkheden om open geodata nuttig te gebruiken lijken eindeloos.
Dit artikel is gepubliceerd in I/O Magazine (september 2012) van het ICT-onderzoek Platform Nederland (IPN)
De wereldbevolking groeit tussen nu en 2040 naar verwachting van zeven naar negen miljard mensen. Nog meer mensen zullen op hetzelfde landoppervlak aan hun eten en drinken moeten zien te komen. In sommige gebieden wordt het daarom dringen om het schaars beschikbare water. Hoe kan elke wereldburger dan toch nog steeds genoeg te eten en drinken krijgen? Dat kan wanneer de voedselopbrengst per liter verbruikt water toeneemt. Het Nederlandse bedrijf eLEAF ontwikkelt informatieproducten die boeren helpen om precies dat voor elkaar te krijgen.
In digitale kaarten legt het bedrijf gedetailleerd ruimtelijk vast hoe de actuele waterconsumptie, de waterbehoefte van gewassen en de potentiële gewasopbrengst zich ontwikkelen. Deze kaarten vormen de invoer voor zogeheten ‘instructiekaarten’ die door de boordcomputer van een tractor worden gebruikt voor het automatisch aansturen van landbouwmachines. Het resultaat is een duurzamere productie tegen lagere kosten. Verschillende bedrijven leveren gespecialiseerde diensten op basis van deze informatieproducten.
eLEAF is een voorbeeld van een bedrijf dat geografische gegevens die vrij door overheden beschikbaar zijn gesteld gebruikt en aanvult om er nieuwe waardevolle producten mee te creëren. In dit voorbeeld gaat het om data afkomstig uit het Nationale Satellietdataportaal. Het mes snijdt aan twee kanten. Het bedrijfsleven profiteert van de gegevens die de overheid gratis beschikbaar stelt. En de overheid ziet beleidsdoelstellingen dichterbij komen, in dit geval het versterken van duurzame landbouw.
In navolging van de Verenigde Staten en Groot-Brittannië is het vrij beschikbaar stellen van overheidsdata een speerpunt van de Nederlandse overheid. Dat speerpunt is vastgelegd in de Digitale Agenda Nederland. Frans Lips, senior beleidsmedewerker geo-informatie van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I): “Het basisidee is dat de overheid gegevens die met belastinggeld zijn betaald gratis of tegen verstrekkingskosten beschikbaar stelt zodat de private sector ze kan gebruiken om nieuwe producten en diensten te ontwikkelen. Open geodata stimuleren de innovatie. Ook de overheid profiteert: door nieuwe economische activiteit stijgen de belastinginkomsten. Daarnaast kan de markt nieuwe producten of diensten ontwikkelen waarmee de overheid efficiënter kan gaan werken. Het Open Data beleid van de overheid mag dus best iets kosten.”
In Nederland zijn het de gemeenten, de provincies, de rijksoverheid en kennisinstellingen zoals TNO, het KNMI en het RIVM die grote hoeveelheden geo-informatie verzamelen. Die data zijn meestal bijproducten van overheidsbeleid. Zo verzamelt het kadaster in Nederland al een kleine twee eeuwen geografische informatie over de afmetingen en het gebruik van grond.
Deze traditionele landmetingen zijn in de afgelopen decennia aangevuld met nieuwe vormen van geodata, zoals lucht- en satellietfoto’s. Landbouwers kunnen satellietgegevens gebruiken voor het optimaal besproeien van gewassen. Gemeenten kunnen verzakkingen van gebouwen of zelfs wijken dankzij geodata tot millimeters nauwkeurig in kaart laten brengen. En door het in kaart brengen van de verspreiding van waterplanten kan zowel de waterrecreant als de scheepvaart tijdig worden gewaarschuwd. De mogelijkheden om open geodata nuttig te gebruiken lijken eindeloos.
Creatieve apps
In het gebruik van open geodata lopen nu nog de wetenschappers voorop. Arnold Bregt is hoogleraar geo-informatiekunde aan de Wageningen Universiteit: “Wij spelen eigenlijk vier rollen bij open data. Wij zijn gebruikers, producenten, onderzoekers en ook voorvechters van open data. Onze afstudeerstudenten gebruiken massaal open geodata. Een van hen is bijvoorbeeld nagegaan in hoeverre je met open data een hydrologisch model van Nederland kunt maken. Dat bleek voor 85 procent te lukken. Dat laat zien dat we al ver zijn gevorderd met het gebruik van open data. Daarnaast doen wij ook onderzoek naar de effecten van open data op de maatschappij, op producenten en op de interactie daartussen.”
Open data zijn hot. Maar hoe zit het met het gebruik van open geodata door de particuliere sector? “Open Data zijn een betrekkelijk nieuw fenomeen”, zegt Frans Lips. “Ondernemers en applicatiebouwers zijn niet zomaar bekend met de beschikbaarheid en de mogelijkheden van Open Data. We staan aan het begin van een nieuwe ontwikkeling. Hier en daar zien we al mooie successen. Zo hebben twee kleine innovatieve startups, Arcate en Innoview, een app ontwikkeld die boeren waarschuwt wanneer zij te dicht met hun landbouwmachines in de buurt van weidevogelnesten komen. De data komt van Stichting Landschapsbeheer Nederland. De app biedt belangrijke maatschappelijke toegevoegde waarde. Een volgende stap is het ontwikkelen van nieuwe verdienmodellen op basis van Open Data. Hiervoor is vertrouwen en samenwerking nodig: vertrouwen dat de overheid continuïteit biedt in het Open Data-beleid en creatieve ondernemers met bereidheid tot investeringen. Dan gaat de motor lopen en ontstaat nieuwe economische activiteit.”
Hoogleraar Arnold Bregt onderscheidt de algemene toepassingen, die voor iedereen nuttig zijn, zoals Google Maps, Open Street Map of Buienradar, en domeinspecifieke toepassingen. Bregt: “Het laaghangende fruit is nu wel geplukt. Dat zijn de algemene toepassingen. De volgende stap is het ontwikkelen van domeinspecifieke toepassingen. Zo’n domeinspecifieke toepassing is bijvoorbeeld de tractor die is omgetoverd tot een rijdende robot. Het idee is dat een tractor geo-informatie gebruikt om gedoseerd en locatiespecifiek kunstmest te strooien. Dat is goedkoper voor de boer en tegelijkertijd beter voor het milieu.”
Privacy versus openheid
Open data zijn hot. Maar hoe zit het met het gebruik van open geodata door de particuliere sector? “Open Data zijn een betrekkelijk nieuw fenomeen”, zegt Frans Lips. “Ondernemers en applicatiebouwers zijn niet zomaar bekend met de beschikbaarheid en de mogelijkheden van Open Data. We staan aan het begin van een nieuwe ontwikkeling. Hier en daar zien we al mooie successen. Zo hebben twee kleine innovatieve startups, Arcate en Innoview, een app ontwikkeld die boeren waarschuwt wanneer zij te dicht met hun landbouwmachines in de buurt van weidevogelnesten komen. De data komt van Stichting Landschapsbeheer Nederland. De app biedt belangrijke maatschappelijke toegevoegde waarde. Een volgende stap is het ontwikkelen van nieuwe verdienmodellen op basis van Open Data. Hiervoor is vertrouwen en samenwerking nodig: vertrouwen dat de overheid continuïteit biedt in het Open Data-beleid en creatieve ondernemers met bereidheid tot investeringen. Dan gaat de motor lopen en ontstaat nieuwe economische activiteit.”
Hoogleraar Arnold Bregt onderscheidt de algemene toepassingen, die voor iedereen nuttig zijn, zoals Google Maps, Open Street Map of Buienradar, en domeinspecifieke toepassingen. Bregt: “Het laaghangende fruit is nu wel geplukt. Dat zijn de algemene toepassingen. De volgende stap is het ontwikkelen van domeinspecifieke toepassingen. Zo’n domeinspecifieke toepassing is bijvoorbeeld de tractor die is omgetoverd tot een rijdende robot. Het idee is dat een tractor geo-informatie gebruikt om gedoseerd en locatiespecifiek kunstmest te strooien. Dat is goedkoper voor de boer en tegelijkertijd beter voor het milieu.”
Privacy versus openheid
Senior beleidsmedewerker geo-informatie Frans Lips geeft aan dat de lokale, provinciale en rijksoverheid al veel doen, maar dat veel nog los van elkaar staat. Lips: “Voor de buitenwereld is het vaak nog ondoorzichtig hoe het zit met het beheer en de kwaliteit van de data. De uitdaging voor ons als ministerie is om vraag en aanbod beter op elkaar af te stemmen. Momenteel voeren wij een inventarisatie uit naar databronnen die zich lenen om als open data beschikbaar te stellen. In het najaar gaan we met overheidspartners en het bedrijfsleven een stimuleringsprogramma opzetten. Dit plan wordt wat mij betreft een onderdeel van de nieuwe nationale beleidsagenda voor geo-informatie, die in het najaar wordt opgesteld.”
De overheid beschikt over veel geodata. Kan alles dan zomaar openbaar worden gemaakt? Nee, niet automatisch. Bij de vraag welke data wel en niet openbaar worden gemaakt treedt een spanningsveld op tussen privacy en openheid. Lips: “Aan de ene kant moet de overheid de privacy van de burger garanderen en aan de andere kant geeft de Wet Openbaarheid Bestuur de burger het recht om bepaalde overheidsgegevens in te zien.” Niet altijd is makkelijk te zien wanneer de privacy wordt geschonden, vult Arnold Bregt aan: “Het kan bijvoorbeeld zijn dat de datasets A en B afzonderlijk de privacy van de burger niet schenden, maar dat het combineren van A met B de privacy wel schendt. Dat moet dus goed worden onderzocht.”
De stap van het bezitten van veel data naar het efficiënt beschikbaar maken ervan is minder triviaal dan het lijkt. “Dat stelt de informatica voor tal van uitdagingen”, aldus Bregt. “Het snel kunnen omgaan met grote hoeveelheden data is er daar maar een van. Het weten om welke data het gaat en het omgaan met diffuse data is een andere uitdaging. Daarnaast is het belangrijk om data effectief te kunnen visualiseren en om slimme gebruikersinterfaces te bouwen. In de toekomst komt daar ook nog de koppeling aan sensornetwerken bij. We zien een verschuiving van het eens in de zoveel tijd monitoren van bijvoorbeeld de sterkte van een dijk naar het continu monitoren.”
Langetermijninvestering
De overheid beschikt over veel geodata. Kan alles dan zomaar openbaar worden gemaakt? Nee, niet automatisch. Bij de vraag welke data wel en niet openbaar worden gemaakt treedt een spanningsveld op tussen privacy en openheid. Lips: “Aan de ene kant moet de overheid de privacy van de burger garanderen en aan de andere kant geeft de Wet Openbaarheid Bestuur de burger het recht om bepaalde overheidsgegevens in te zien.” Niet altijd is makkelijk te zien wanneer de privacy wordt geschonden, vult Arnold Bregt aan: “Het kan bijvoorbeeld zijn dat de datasets A en B afzonderlijk de privacy van de burger niet schenden, maar dat het combineren van A met B de privacy wel schendt. Dat moet dus goed worden onderzocht.”
De stap van het bezitten van veel data naar het efficiënt beschikbaar maken ervan is minder triviaal dan het lijkt. “Dat stelt de informatica voor tal van uitdagingen”, aldus Bregt. “Het snel kunnen omgaan met grote hoeveelheden data is er daar maar een van. Het weten om welke data het gaat en het omgaan met diffuse data is een andere uitdaging. Daarnaast is het belangrijk om data effectief te kunnen visualiseren en om slimme gebruikersinterfaces te bouwen. In de toekomst komt daar ook nog de koppeling aan sensornetwerken bij. We zien een verschuiving van het eens in de zoveel tijd monitoren van bijvoorbeeld de sterkte van een dijk naar het continu monitoren.”
Langetermijninvestering
Hoe ziet de toekomst er voor de open geodata uit? Wat zijn haalbare doelen in de komende jaren? Frans Lips van het ministerie van EL&I: “Wat ons betreft werken we in de komende jaren toe naar een geïntegreerd Open geodatabeleid bij gemeente, provincie en rijk. Het tweede sleutelwoord is transparantie. En omdat er veel meer data beschikbaar zijn dan relevant is, moeten we, ten derde, het aanbod beter bij de vraag laten aansluiten. Ook moet de nationale geodata-infrastructuur robuust worden. Deze is nodig om een stabiel platform te bieden voor het publiceren van Open Data. En natuurlijk hebben we goed opgeleide, creatieve mensen nodig die de mogelijkheden oppakken.”
Voor Arnold Bregt staat de kwaliteit van de data voorop: “Je moet data niet als een tijdelijk project beschouwen, maar als een langetermijninvestering. Wanneer data niet worden bijgehouden zullen bedrijven er niet snel in investeren. Daarnaast hoop ik dat open data ook open blijven. Er bestaat steeds een spanningsveld tussen openheid aan de ene kant en privacy en aansprakelijkheid aan de andere kant. De angst om aansprakelijk te worden gesteld moet er niet toe leiden dat de kraan met open data later alsnog dicht wordt gedraaid. Ten slotte moet het gebruik van open data actief worden gestimuleerd. Open geodata hebben veel te bieden, maar innovatie gaat niet vanzelf.”
Ondanks het feit dat grootschalig gebruik van geodata door de particuliere sector nog in de kinderschoenen staat, ziet hoogleraar Arnold Bregt toch al positieve effecten ontstaan van het ontsluiten van geodata: “Geo-informatie was lang een eiland binnen de informatica. Maar inmiddels springen ook de niet-klassieke geo-bedrijven er op. Geo-informatietechnologie is algemene IT-technologie geworden. De exclusiviteit om om te gaan met data neemt af en dat is goed voor de innovatie.”
[Kader:]
App-wedstrijden
Twee voorbeelden van het stimuleren van het gebruik van overheidsdata zijn de wedstrijden Apps for Amsterdam en Apps voor Nederland. Deze wedstrijden hebben als doel het ontwikkelen van een originele, gebruiksvriendelijke en maatschappelijke relevante mobiele app waar ook nog een markt voor is.
De wedstrijd Apps voor Nederland werd begin dit jaar gewonnen door het collectief Glimworm met hun app Vistory. Vistory toont historische beelden en films gerelateerd aan de specifieke locatie waar je je bevindt. Zo biedt de app een nieuwe manier om de Nederlandse geschiedenis te herbeleven precies op de plek waar die zich heeft voltrokken. De jury oordeelde over Vistory: “De app heeft een sterk educatief karakter, maar kan ook ingezet worden in bijvoorbeeld de toeristische sector. Daarnaast stimuleert Vistory participatie door gebruikers op te roepen zelf beelden toe te voegen en zo de dataset te verrijken.”
De tweede prijs ging naar de app ‘10.000 Scholen’ van het collectief FreshHeads. Deze app biedt gedetailleerde informatie over alle basis- en middelbare scholen in Nederland en is daarmee de eerste landelijke, mobiele scholenzoeker. Ouders en jongeren kunnen de app gebruiken om een beter geïnformeerde keuze te maken uit het grote onderwijsaanbod. De derde prijs ging naar de app Sola van Erik Romijn. Sola berekent of het plaatsen van een zonnepaneel op het dak van je huis al dan niet rendabel is.
De wedstrijd Apps for Amsterdam loopt nog tot 19 oktober 2012 en heeft tot doel om zoveel mogelijk data van de Gemeente Amsterdam toegankelijk te maken en te benutten. Veiligheid, mobiliteit, leegstand, energie, toerisme&cultuur en democratie zijn de centrale thema’s. Enkele voorbeelden van apps die al zijn ontwikkeld, zijn een kunstwandelroute-app, een parkeer-app, een huisvuil-app en een app die politieke debatten in kaart brengt.
Internet
www.appsvoornederland.nl/
www.appsforamsterdam.nl/
[Engelse samenvatting]
Inspired by American and British open data initiatives, the Dutch government has launched in 2011 a similar open data initiative: www.data.overheid.nl. The so called Digital Agenda Netherlands actively stimulates the unlocking, combining and visualizing of open data. For the moment the academic world is at the forefront of the use of open data. Scientists use open data in fields such as healthcare, water management, agriculture, criminality and history. The business sector is gradually catching up and discovering more and more the potential of open data. A large set of mobile apps are being developed, such as apps that help farmers to make their agriculture more sustainable or apps that give tourists a new dimension in visiting a city.
Internet
www.Data.overheid.nl
www.nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/nl/main.home
www.maps4science.nl
www.spaceoffice.nl/nl/Satellietdataportaal
www.eleaf.com/
www.mijnakker.nl/
Voor Arnold Bregt staat de kwaliteit van de data voorop: “Je moet data niet als een tijdelijk project beschouwen, maar als een langetermijninvestering. Wanneer data niet worden bijgehouden zullen bedrijven er niet snel in investeren. Daarnaast hoop ik dat open data ook open blijven. Er bestaat steeds een spanningsveld tussen openheid aan de ene kant en privacy en aansprakelijkheid aan de andere kant. De angst om aansprakelijk te worden gesteld moet er niet toe leiden dat de kraan met open data later alsnog dicht wordt gedraaid. Ten slotte moet het gebruik van open data actief worden gestimuleerd. Open geodata hebben veel te bieden, maar innovatie gaat niet vanzelf.”
Ondanks het feit dat grootschalig gebruik van geodata door de particuliere sector nog in de kinderschoenen staat, ziet hoogleraar Arnold Bregt toch al positieve effecten ontstaan van het ontsluiten van geodata: “Geo-informatie was lang een eiland binnen de informatica. Maar inmiddels springen ook de niet-klassieke geo-bedrijven er op. Geo-informatietechnologie is algemene IT-technologie geworden. De exclusiviteit om om te gaan met data neemt af en dat is goed voor de innovatie.”
[Kader:]
App-wedstrijden
Twee voorbeelden van het stimuleren van het gebruik van overheidsdata zijn de wedstrijden Apps for Amsterdam en Apps voor Nederland. Deze wedstrijden hebben als doel het ontwikkelen van een originele, gebruiksvriendelijke en maatschappelijke relevante mobiele app waar ook nog een markt voor is.
De wedstrijd Apps voor Nederland werd begin dit jaar gewonnen door het collectief Glimworm met hun app Vistory. Vistory toont historische beelden en films gerelateerd aan de specifieke locatie waar je je bevindt. Zo biedt de app een nieuwe manier om de Nederlandse geschiedenis te herbeleven precies op de plek waar die zich heeft voltrokken. De jury oordeelde over Vistory: “De app heeft een sterk educatief karakter, maar kan ook ingezet worden in bijvoorbeeld de toeristische sector. Daarnaast stimuleert Vistory participatie door gebruikers op te roepen zelf beelden toe te voegen en zo de dataset te verrijken.”
De tweede prijs ging naar de app ‘10.000 Scholen’ van het collectief FreshHeads. Deze app biedt gedetailleerde informatie over alle basis- en middelbare scholen in Nederland en is daarmee de eerste landelijke, mobiele scholenzoeker. Ouders en jongeren kunnen de app gebruiken om een beter geïnformeerde keuze te maken uit het grote onderwijsaanbod. De derde prijs ging naar de app Sola van Erik Romijn. Sola berekent of het plaatsen van een zonnepaneel op het dak van je huis al dan niet rendabel is.
De wedstrijd Apps for Amsterdam loopt nog tot 19 oktober 2012 en heeft tot doel om zoveel mogelijk data van de Gemeente Amsterdam toegankelijk te maken en te benutten. Veiligheid, mobiliteit, leegstand, energie, toerisme&cultuur en democratie zijn de centrale thema’s. Enkele voorbeelden van apps die al zijn ontwikkeld, zijn een kunstwandelroute-app, een parkeer-app, een huisvuil-app en een app die politieke debatten in kaart brengt.
Internet
www.appsvoornederland.nl/
www.appsforamsterdam.nl/
[Engelse samenvatting]
Inspired by American and British open data initiatives, the Dutch government has launched in 2011 a similar open data initiative: www.data.overheid.nl. The so called Digital Agenda Netherlands actively stimulates the unlocking, combining and visualizing of open data. For the moment the academic world is at the forefront of the use of open data. Scientists use open data in fields such as healthcare, water management, agriculture, criminality and history. The business sector is gradually catching up and discovering more and more the potential of open data. A large set of mobile apps are being developed, such as apps that help farmers to make their agriculture more sustainable or apps that give tourists a new dimension in visiting a city.
Internet
www.Data.overheid.nl
www.nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/nl/main.home
www.maps4science.nl
www.spaceoffice.nl/nl/Satellietdataportaal
www.eleaf.com/
www.mijnakker.nl/
Labels:
Informatica
Subscribe to:
Posts (Atom)





