Tuesday, May 27, 2008

Bestaan lentekriebels?

Dit artikel is gepubliceerd in dagblad Trouw, 26 mei 2008

Wat de eerste lentezon niet allemaal kan teweegbrengen: kriebels in je buik, rusteloosheid, vrolijkheid, romantische gevoelens, lustgevoelens…nou ja, vooral een algehele energiestoot. En natuurlijk rokjesdag, bloesjesdag, bermudadag, of hoe de dag waarop de eerste naakte lichaamsdelen op straat zich aan de lentezon blootstellen, ook bestempeld wordt.

Wat is het toch dat de lente met ons lichaam doet?

Engelsen en Amerikanen spreken trouwens over ‘spring fever’ – lentekoorts – wat nog veel heftiger klinkt dan de het bescheiden ‘lentekriebels’. “Koorts is een woord dat in dit verband wel erg ver gaat”, zegt hoogleraar psychofysiologie Gerard Kerkhof van de Universiteit van Amsterdam, gespecialiseerd in het menselijke bioritme. “Echte harde gegevens over lentekriebels ken ik niet, en zijn volgens mij ook moeilijk te verkrijgen”, zegt hij. “Maar een voor de hand liggende verklaring ligt in de rol die licht speelt in het menselijk functioneren. Daar hebben we wel veel wetenschappelijke gegevens van.”

Licht heeft twee belangrijke effecten, legt Kerkhof uit. “Allereerst heeft het een rechtstreeks effect op onze stemming. Veel onderzoek – wereldwijd – laat zien dat onze stemming seizoensschommelingen vertoont. In de winter een dal; in de zomer een piek. In Nederland is de lichtintensiteit ’s winters maar eentiende van die in de zomer. En de lengte van de periode waarin het licht is, is ’s winters maar de helft van ’s zomers. Er is een subgroep die echt last heeft van winterdepressie. Maar ook gezonde mensen vertonen seizoensschommelingen in hun stemming.”

Naast het directe effect van licht op onze stemming, heeft licht nog een tweede belangrijke effect. Kerkhof: “De afwisseling tussen licht en donker zet onze ingebouwde biologische klok gelijk met de omgeving. Deze klok volgt niet exact de periode van een etmaal, maar zijn periode is iets langer. Om toch in de pas te lopen met de omgeving, zet de licht-donker-overgang de biologische klok gelijk. Pas in de afgelopen jaren hebben wetenschappers gevonden dat het netvlies speciale cellen heeft die alleen reageren op trage veranderingen in de lichtcondities. Deze cellen geven een signaal door aan de biologische klok.”

De herfst en de lente zijn in dit verhaal de overgangsseizoenen. In de lente klimt onze stemming dus uit het winterdal, langzaam naar de zomerpiek. Wanneer in de lente de dagen langer beginnen te worden en de lichtintensiteit toeneemt, worden we grosso modo alerter en beter gemutst. Onderzoek onder vijfhonderd Amerikanen en Canadezen liet zien dat hoe langer mensen op een zonnige lentedag buiten zijn, hoe beter hun stemming. De optimale temperatuur schijnt 22 graden Celsius te zijn – kamertemperatuur zeg maar. Op warme zomerdagen, wanneer het kwik tot boven kamertemperatuur stijgt, neemt de stemming juist weer wat af.

Lentekriebels kenmerken zich door een combinatie van snelle, onvoorspelbare schommelingen in onze stemming, en een gevoel van een energiestoot. En waarschijnlijk juist omdat het contrast met het wat bedrukte wintergevoel zo groot is, vallen die eerste lentekriebels ons zo op.

Kun je leven met één hersenhelft?

Dit artikel is gepubliceerd in dagblad Trouw, 19 mei 2008

In het boek Half a brain is enough beschrijft de arts Antonio Battro het geval van het jongetje Nico. Nico had heftige epileptische aanvallen in de rechter hersenhelft. Zo heftig, dat er voor zijn overleving niets anders op zat dan een ingrijpende hersenoperatie. Anders zou ook de rest van zijn hersenen beschadigd raken.

Nico was bij de operatie drie jaar en zeven maanden oud. Eerst werd zijn volledige slaapkwab weggehaald. Wat er van zijn rechterhersenhelft nog overbleef, werd losgesneden van de linker hersenhelft en van de hersenstam. Dit deel werd niet verwijderd, maar functioneerde niet meer. Als volwassene zal hij het moeten doen met de helft van de normale 1400 gram hersenen.

Na de operatie kon Nico in eerste instantie niet lopen. Maar vijf jaar later rent en speelt hij vrij normaal, alleen een beetje trekkebenend. Wel beweegt zijn linkerarm moeilijk, en ziet hij niks in de linkerhelft van zijn gezichtsveld. Met die relatief kleine handicaps kan hij echter goed omgaan. Maar dan het opmerkelijke. Nico’s cognitieve, sociale en emotionele vermogens verschillen niet wezenlijk van die van zijn leeftijdgenoten. Zijn talige vermogens – typisch een vermogen van de linker hersenhelft – liggen zelfs ruim boven het gemiddelde.

De crux zit in het aanpassingsvermogen van Nico’s overgebleven hersenhelft. Hoe dat precies werkt, is nog onbekend. Specifieke training is wel essentieel. Vermogens die typisch worden geassocieerd met de weggehaalde rechter hersenhelft – onder andere wiskunde, beeldende kunst, muziek – zijn overgenomen door de overgebleven linker hersenhelft. En hoewel Nico voor die vaardigheden geen speciale aanleg heeft, is hij er ook niet slechter in dan de gemiddelde leeftijdgenoot. Nico had het geluk dat hij op zo’n jonge leeftijd werd geopereerd. Dat beperkte zijn functieverlies nog enigszins.

Wereldwijd zijn er ongeveer honderd patiënten waarbij vanwege heftige epilepsie een hersenhelft wordt verwijderd. Ook de Duitser Philipp Dörr leed zo zwaar aan epilepsie dat artsen geen andere oplossing zagen dan het verwijderen van de rechterhelft van zijn grote hersenen. Dörr was bij de operatie al elf jaar. Net na de operatie waren alle functies die vroeger door de rechter hersenhelft werden gedaan verdwenen. Drie jaar revalideerde Dörr na de operatie in het ziekenhuis, een veel langere revalidatieperiode dan bij Nico. Maar ook bij de Duitser bleek de flexibiliteit van het brein verrassend groot.

Hoewel Dörr veel herinneringen mist uit de jaren vóór de operatie, bleken zijn intellectuele vaardigheden nauwelijks onder de verwijdering van de rechter hersenhelft te hebben geleden. Zijn IQ is normaal. Praten en schrijven kan hij nog steeds. Hij schaakt en leest romans. Alleen als zijn brein veel taken tegelijk moet verwerken, heeft hij daar duidelijk moeite mee.

Ja, je kunt dus leven met één hersenhelft. Wat trouwens niet betekent dat er geen functies verloren gaan, of dat we, zoals een hardnekkige mythe beweert maar tien procent (of zelfs maar de helft) van onze hersenen zouden gebruiken. Het betekent wel dat de flexibiliteit van onze hersenen groter is dan we lang hebben gedacht.

Sunday, May 11, 2008

IJsafscheid (18 - Slot)


Poolblog – Donderdag 8 mei http://www.volkskrantblog.nl/blog/57852

Twee weken op de Amundsen-ijsbreker zitten erop. Vandaag moet ik van boord. Het schip blijft een dag of vier liggen in het landvaste ijs nabij Cape Parry, op het Canadese vasteland aan de Amundsen Golf. Voor het eerst in twee weken zien we land. Ik weet niet precies wat het is, maar op het moment dat ik land zag, ging er onherroepelijk iets verloren. IJseenzaamheid, ijsgevaar, ijsstilte, ijsillusies. IJs dat aan land vastzit, is toch een beetje nep, als je net aan zeeijs bent gewend.

IJseenzaamheid, maar dan gedeeld met veertig onderzoekers. Een miniatuurmaatschappij.

Land doet aan thuis denken, aan één en dezelfde vaste plek, aan stilstand. Een illusie die de moderne mens graag in stand houdt. Het ijs is elke seconde anders. Mijn thuis was veertien dagen lang een schip dat meedreef op een ijsschots, die elk moment uit elkaar kon breken. Een schip dat de laatste twee dagen ijsschotsen doorkliefde.

Onze ijsschots zal binnen een paar weken uit elkaar vallen. Er zit nog meetapparatuur in vast. Buisjes die koolstofdioxide uit het ijs verzamelen. Wachtend op een onderzoeker die zo vriendelijk is om nog eens langs te komen en meetapparatuur op de buisjes aan te sluiten. Wachten op Godot.

En er drijft een GPS met onze ijsschots mee, die voortdurend uitzendt waar het puzzelstuk uithangt. Alsof je de ijsschots oormerkt. Ik zou graag willen volgen waar hij heen drijft, wanneer hij uit elkaar valt, in hoeveel stukjes, en waar op de zeebodem het oormerk uiteindelijk beland (Wat zullen toekomstige archeologen wel niet denken?). Allemaal nutteloze informatie, maar toch geruststellend. Ik hou van nutteloze informatie. Het kan me niet nutteloos genoeg zijn.

Wanneer ik in de ochtend mijn spullen inpak, zwermen groepjes onderzoekers alweer uit over het ijs. Hier worden ijskernen geboord, daar worden sneeuwmonsters genomen en weer ergens anders brengt iemand een pomp in het ijs aan om zeewater omhoog te pompen en te analyseren. En op het bovendek – het apeneiland: een eilandje vol met aan alle kanten uitstekende instrumenten – wordt elke seconde de wind gemeten, het wolkendek, de luchtvochtigheid, de stroom van koolstofdioxide, de neerslaghoeveelheid. Harde schijven vol met enen en nullen.

Ik moet denken aan de verzuchting van professor Nummedal in de roman ‘Nooit meer slapen’ van W.F. Hermans: “Wat is wetenschap? Wetenschap is de titanische poging van het menselijk intellect zich uit zijn kosmische isolement te verlossen door te begrijpen!”

Afscheid nemen doet pijn. Stuntelige omhelzingen. Verkeerd gekozen woorden. Stiltes bij gebrek aan beter.

De hamvraag (17)



Poolblog – Woensdag 7 mei http://www.volkskrantblog.nl/blog/57852

IJsplaten kraken en breken onder de romp van het schip. Breuklijnen snijden tientallen meters door het ijs en splijten het uit elkaar. De helft van de dag zijn we bezig met ijsbreken en deint het schip op en neer. Eindelijk geweld.

Gisteren was het nog dun ijs. Het voelde nauwelijks als ijs breken. Vandaag varen we dichter bij de kust, en zijn de ijsplaten meer dan een meter dik. De Amundsen kan meer dan drie meter aan. Vaak vaart het schip een stuk terug om een aanloop te nemen en een nieuwe ijsschots in stukken te rammen.

We passeren vandaag meer dan twintig Groenlandse walvissen. Ik heb ze allemaal gemist. Steeds op het verkeerde moment op de verkeerde plek. Maar er rest nog wat tijd om ze wel te zien.

Dat voorlopige gemis wordt ruimschoots goed gemaakt doordat ik opnieuw mag meevliegen met de helikopter. Een vlucht van twee uur over het opbrekende zeeijs naar het vasteland aan de Franklin Bay en terug. Het dikkere ijs is spierwit. Het jongere ijs is donkerder. Het hele dunne ijs is bruin gekleurd door de zeeijsalgen, die gretig gebruik maken van het licht dat het ijs doorlaat.



Als ik dit schrijf, zit mijn laatste volle dag op de Amundsen-ijsbreker er voor driekwart op. Als het weer het toestaat, vlieg ik morgen eerst terug naar Inuvik, en een dag later via Edmonton, Calgary en Londen naar Amsterdam.

De Circumpolar Flaw Lead Study (CFL) met de Amundsen begon op 15 oktober 2007 en loopt nog door tot 1 augustus 2008. Daarna hebben de wetenschappers nog twee jaar nodig om alle verzamelde gegevens te analyseren, wetenschappelijke artikelen te schrijven en de CFL-resultaten samen te vatten.

Voor gedetailleerde wetenschappelijke conclusies is het dus nog te vroeg. Wel valt er al wat te zeggen van de ijs- en sneeuwobservaties in de Amundsen Golf. Tijdens de wetenschappelijke vergadering van gisteravond vatte John Iacozza van de Universiteit van Manitoba in Winnipeg er een aantal samen.

“Het opbreken van het zeeijs in de Amundsen Golf begint ongeveer een maand eerder dan gebruikelijk is. Dat is veel sneller dan we aan het begin van de CFL-studie hadden gedacht. Dit jaar is de oostenwind dominant, en niet de noordenwind. Die oostenwinden duwen het ijs van de Amundsen Golf nu snel naar de Beaufort Zee. Als deze winden aanhouden, kan een groot deel van het zeeijs over twee weken verdwenen zijn uit de Amundsen Golf.”

De kapitein maakte een verkenningsvlucht langs de westkust van Banks Island. Hij vertelt: “Zo ver we konden kijken, zagen we open water. Pas ver uit de kust ligt het pakijs op de Arctische Oceaan. Vanuit Sachs Harbour, aan de zuidkant van Banks Island, zou ik zo kunnen doorvaren langs de hele westkust van het eiland. Zeer ongebruikelijk.”

Professor Dave Barber is de leider van het CFL-project en de wetenschappelijk begeleider van een handvol wetenschappers aan boord. Toen ik aan boord ging, kwam hij net van de Amundsen af. Op de CFL-website schrijft hij: “Er is een systematische trend richting later bevriezen, vroeger smelten, een kleiner oppervlak aan meerjarig ijs en dunner wordend ijs.” Volgens hem zijn de veranderingen niet meer toe te schrijven aan een gewone, natuurlijke variabiliteit.

En dan de hamvraag: Is het de klimaatverandering?

Alle wetenschappers die ik aan boord spreek, zijn voorzichtig met hun conclusies. Op grond van wat je in het hier en nu ziet, kun je die conclusie nooit trekken. Je moet harde data analyseren van zo’n drie decennia. Je moet alle puzzelstukjes – wetenschappelijke observaties van het zeeijs, van de atmosfeer, van de sneeuw, van de oceaan, van de poolflora en -fauna, en ook de observaties van de Inuit – bij elkaar voegen. Een hels karwei. En je moet de klimaat- en zeeijsmodellen voor het poolgebied zoveel mogelijk voeden met experimentele informatie. Pas als je dat doet, ja, dan is het waarschijnlijk dat de smeltende pool een gevolg is van klimaatverandering.

Waarschijnlijk…

Als wetenschappers zeggen dat ze nog niet alles weten, vertalen sommige burgers of klimaatsceptici dat als dat ze niets weten. Onzin. Onzekere wetenschap is heel iets anders dan slecht onderbouwde wetenschap. Wetenschap is een proces dat het aantoonbaar onware scheidt van het mogelijk ware. Sommige wetenschappelijke uitspraken zijn heel onzeker, sommige bijna zeker, maar geen enkele is helemaal zeker.

We moeten leren leven met wetenschappelijke onzekerheid, zoals dat in het gewone leven ook het geval is.

Wetenschappelijke kennis zit in de wetenschappelijke gemeenschap. Als meer dan negentig procent van de wetenschappers het ergens over eens is, dan is dat de wetenschappelijke kennis van het moment. Dit is geen garantie dat ze gelijk hebben, maar het is wel de best mogelijke kennis van dit moment. En gaandeweg moet je die kennis durven corrigeren als nieuwe feiten daarom vragen.

Het verschil is dat de wetenschap een oneindig geduld heeft, maar de maatschappij niet.




IJsbreken (16)



Poolblog – Dinsdag 6 mei http://www.volkskrantblog.nl/blog/57852

Om half zeven wordt door de intercom omgeroepen dat we vertrekken. Een half uur eerder dan gepland. Ik stond op het punt een douche te nemen, maar in plaats daarvan kleed ik me snel aan en beklim de trappen naar het bovendek. Ik ben het enige niet-bemanningslid dat net op tijd is opgestaan om het schip te zien vertrekken. De zon schijnt en er is geen wolkje te zien. Donker wordt het in de Amundsen Golf al dagen niet meer.

De Amundsen snijdt door de bevroren vaargeul die hij zelf twaalf dagen geleden heeft achtergelaten. Het ijs splijt met gemak. Lawaai maakt het ijsbreken nauwelijks. We stoppen even om een paar Duitse wetenschappers de kans te geven enkele door het schip gebroken ijsstukken te verzamelen. In een kooi worden de onderzoekers van het voordek naar beneden getakeld. Daar verzamelen ze grote en kleine stukken ijs.

Binnen tien minuten zijn we bij een groot stuk open water. Om zo min mogelijk brandstof te verstoken, zoekt de kapitein de breuklijnen in het ijs op om door te varen. Dat is zelden de kortste weg van A naar B. De helikopter heeft net van tevoren nog een verkenningsvlucht gemaakt samen met de kapitein.

Een uurtje later mag ik zelf met de helikopter mee, een Duitse BO 105, een beetje aangepast voor de Canadese Kustwacht. Hoewel, vandaag is hij een flink aangepast. Op de neus is een twee meter lang meetinstrument bevestigd, waar er maar twee in de wereld van bestaan, allebei in Canada. John Iacozza van de Universiteit van Manitoba in Winnipeg gebruikt het om de ijsdikte en de ijsruwheid te meten vanuit de helikopter te meten.

Ik vraag helikopterpiloot Serge Arseneau of het niet lastiger vliegen is met zo’n fallus op de neus van je helikopter. “Nauwelijks”, zegt hij. “Maar het heeft de wetenschappers wel vijftigduizend euro gekost om aan te tonen dat het instrument aan alle vliegwaardigheids- en veiligheidseisen voldoet.”

De piloot neemt John en mij mee voor een van Johns experimenten. Voor het eerst sinds we met het vliegtuig vanuit Inuvik naar de Amundsen vlogen, nu dertien dagen geleden, zie ik het ijs in vogelvlucht. We zien alle details die verloren gaan in satellietbeelden. Kleine meertjes; lange, smalle geulen; flinterdun ijs; ijseilandjes in open water; schotsen die over elkaar geschoven zijn. Af en toe lijkt het alsof er een gigantisch kristallen glas boven het poolwater in duizend stukken is gespat.

De ijsschots waarin we twaalf dagen lagen geparkeerd, was de grootste in de wijde omtrek. Alles wat ze nu zien, is kleiner. Daarom wilden sommige wetenschappers zo graag in het ijs blijven zitten. Zolang het maar veilig is, doet de kapitein wat de meerderheid van de wetenschappers wil. Maar ook hij had zin om te gaan varen. Zondag zei hij aan het diner: “Het is mijn natuur om te varen, niet om stil te liggen.”

Aan de hand van satellietbeelden heeft John een denkbeeldige lijn in een grote ijsschots gedefinieerd. Over die kilometers lange lijn moeten we heen vliegen. Maar er is een probleem. Het instrument werkt alleen goed als we niet meer dan tien meter boven het ijs vliegen. Liefst op vier meter hoogte. De helikopterpiloot houdt voor de veiligheid echter liefst tien meter aan. Dat is op het randje van wat het instrument nog pikt. Af en toe vraagt John de piloot nog lager te gaan vliegen. Riskant, want de ijsruggen die uit het ijs steken, zijn soms een paar meter hoog.

Later op de dag vraag ik John naar de metingen. “Ik kan ze weggooien”, zegt hij. “We vlogen te hoog. Ik weet niet wat ik moet doen om de piloot zover te krijgen dat hij lager durft te vliegen.” Ik suggereer om dan maar zelf zijn vliegbrevet te gaan halen.

Nadat we die lijn gevlogen hebben, wil John een sneeuwmonster nemen. We landen op een vlak stuk ijs, en John en ik stappen uit de helikopter. Nog geen tien meter van het toestel, wijst John naar beneden. “De voetstappen van een ijsbeer”, zegt hij. Geen ander poolbeest laat zulke grote voetafdrukken achter. We kijken goed om ons heen, maar zien niets. John doet enkele schepjes sneeuw in een zakje en bergt het in een koelbox op. Opnieuw in de lucht, zien we meerdere ijsbeersporen in de sneeuw beneden ons. Maar in de verste verte geen beer.



Na ruim een uur vliegen, duikt het schip weer in ons blikveld op. We naderen het schip van de achterkant en Serge zet het toestel weer veilig neer op het helikopterdek van het varende schip. De Amundsen zet koers naar Cape Parry, de punt van een schiereilandje van het Canadese vasteland. In de jaren vijftig installeerden de Amerikanen hier een radarpost, die in de gaten moest houden of de Russen geen raketaanval over de Noordpool heen uitvoerden. Hetzelfde deden de Amerikanen op veel meer plaatsen in het arctische gebied. De Canadezen stemden stilzwijgend toe. Ze kregen er gratis geautomatiseerde weerstations voor terug.

Onderweg naar Cape Parry stoppen we meerdere malen voor het nemen van monsters van zowel het water als het ijs. Rond half zeven in de avond zetten we een groepje onderzoekers op een grote ijsschots af voor nieuwe ijskernboringen. Een paar uur later pikken we ze weer op.

Voor de nacht parkeert de kapitein de Amundsen in een gigantische drijvende ijsschots. Na een dagje varen ben ik wel weer toe aan ijs.





IJsruggen (15)



Poolblog – Maandag 5 mei http://www.volkskrantblog.nl/blog/57852

Vergeet het beeld van de poolkap als een vlakke, eenvormige, saaie ijsplaat. Het ijs is een slapend, verleidelijk en onvoorspelbaar monster – lees de verslagen van de 19e eeuwse ontdekkingsreizigers. Vandaag gingen we met de sneeuwscooter wat verder van het schip vandaan dan de afgelopen week. We parkeerden de sneeuwscooter in eerste instantie op een vlak stuk ijs, ter grootte van twee voetbalvelden.

Zelfs op dit ogenschijnlijk vlakke stuk ijs, zie ik per meter verschillen. Hier is de sneeuw wat dikker, daar wat dunner; hier is het wat witter, daar wat donkerder; hier heeft de wind kleine golfjes in de sneeuw geblazen, daar wat grotere golven. Ze zien eruit als kleine zandduinen.

De onderzoekers doen hun experimenten. Jens Ehn meet de ijsreflectie van het zonlicht. Iets verderop boort Natalie Asselin een gat in het ijs. Véronique Lago laat vervolgens aan een zestig meter lang touw een meetinstrument in het zeewater zakken. Ze meet hoe de temperatuur, de druk en het zoutgehalte in de eerste zestig meter zeewater veranderen.

Ik kijk ondertussen om me heen. Prachtige ijsruggen – een soort miniatuur bergketens – rijzen enkele tientallen meters van ons vandaan uit het ijs op. Ik loop er heen om foto’s te nemen. Het terrein wordt steeds ruwer. Ik zak soms tot mijn knieën in de sneeuw. Als ik er bijna ben, wordt ik teruggefloten. Zo ver mag ik niet alleen het ijs op. Ik heb geen geweer bij me (en kan trouwens ook niet schieten).

Zodra de experimenten erop zitten, gaan we er met de sneeuwscooter op af. Grote hoekige ijsblokken steken omhoog. Van boven wit, maar naar beneden toe steeds blauwer. Sommige ijsblokken steken zo ver uit, dat zich kleine ijsgrotten hebben gevormd. Ik ga op mijn buik liggen om naar binnen te kijken. Tegen een volledig blauwe achtergrond druppelt water van tientallen kleine ijspegels af.




Er staat een heerlijk zonnetje, en het is maar –8 graden. Afstudeerstudente Natalie Asselin legt zich op een omhoog geduwde ijsschots en gaat zonnebaden. We proberen sneeuwballen te gooien, maar hier ligt geen sneeuwballensneeuw. De sneeuwballen vallen hopeloos in de lucht uit elkaar.



Een heel eind verderop zie ik nog de toren van geboorde ijskernen. Meesterboorder Benoit Philipe heeft de toren twee dagen geleden gebouwd. Op één dag boorde hij het recordaantal van 109 ijskernen. En hij is al dagenlang aan het boren. Geen wonder dat de noordpool ijs verliest, was al snel de grap. Van de stukken die hij niet gebruikte, bouwde hij de ijstoren.

Aan de sneeuw en het ijs voel ik dat het echt lente begint te worden. De sneeuw wordt wat plakkeriger, de bovenste ijslaag wat zachter. Ik neem een stuk van een eerder geboorde ijskern en zuig eraan. Het smaakt zout. Dit is jong ijs. Als ik naar de ijsstructuur kijk, zie ik hier en daar dikke druppeltjes zitten, brine geheten. Het zijn druppeltjes met een heel hoog zoutgehalte. Wanneer zeewater bevriest, wordt het zout uit de ijskristallen gedrukt. Ze raken verstrikt in holtes tussen de ijskristallen. Brine blijft vloeibaar, omdat er veel lagere temperaturen nodig zijn om het te bevriezen.

Hoe langer het ijs bevroren blijft, hoe groter de kans dat de brine uit het ijs weet te ontsnappen, holtes in het ijs achterlaat, en zelf in het zeewater belandt. Daar speelt het een grote rol in de oceaancirculatie. Het verhoogt het zoutgehalte van het zeewater, dat daardoor zwaarder wordt. Het gaat zinken en kan zo grote hoeveelheden water over honderden kilometers verplaatsen.



Als ik tegen Jens Ehn zeg dat ik het zeeijs tot aan de voorbereiding van mijn Amundsen-trip zag als een vlakke, bewegende ijspannenkoek, die soms groter en soms kleiner wordt, zegt hij: “Zo zien de modelleerders het nog steeds.” Maar goed, zij moeten wel. Modelleren is vereenvoudigen. De kunst is alleen om het zeeijs zo uit te kleden dat je het aan de ene kant wiskundig kunt oplossen, maar dat het resultaat nog steeds op het echte zeeijs lijkt.

Sommige studenten op het schip vertellen me dat ze geen academische carrière willen maken, omdat ze anders achter het bureau belanden, onderzoeksvoorstellen moeten schrijven en nauwelijks meer het ijs op kunnen. Het ijs op – dat willen ze.

Sinds ik op 24 april aan boord kwam, hebben we 166,680 kilometer afgelegd. Omsingeld door een en dezelfde ijsschots, en meegedreven door de wind.

Ik durf het bijna niet meer te schrijven, maar voor morgenochtend 07.00 uur staat ons zoveelste vertrek uit het ijs gepland...

IJskristallen in de atmosfeer (14)



Poolblog – Zondag 4 mei
http://www.volkskrantblog.nl/blog/57852

Het ijs krijgt lentekriebels. Het trekt meer en meer open. De eerste vogels hebben zich de afgelopen drie dagen rond het schip gemeld. De zwarte zeekoet had de primeur, gevolgd door de grote burgemeester en de sneeuwgors. Aan de onderkant van het zeeijs beginnen de zeealgen tot bloei te komen.

Vanochtend even naar het meten van CO2 in het zeewater gekeken. Het gehalte koolstofdioxide van de bovenste laag zeewater is al iets gedaald sinds ik tien dagen geleden aan boord kwam. Het teken dat ijsalgen het beginnen op te nemen. Over een paar weken zal ook het fytoplankton een groeispurt beleven en daalt het CO2-gehalte nog iets verder. In de herfst en de winter gaat het vervolgens weer iets omhoog.

Een ander frappant dierennieuwtje – in ieder geval voor mij – dat ik in een van de afgelopen dagen van verschillende wetenschappers hoorde, is dat van de ‘pizzly’. Op het nabij gelegen Victoria Island leven in de bergen nabij de Minto Inlet inmiddels dertien grizzlyberen. Dat is veel noordelijker dan hun gebruikelijke habitat. Daar is de ‘pizzly’ gesignaleerd: een geelbruin beertje dat een ijsbeer als moeder heeft en een grizzly als vader. De moeder brengt het als een gewoon ijsbeertje groot.

Omdat het weer de afgelopen dagen zo vaak roet in onze plannen heeft gegooid, is het tijd om het eens over de poolatmosfeer te hebben.

Atmosferische gegevens voor het noordpoolgebied zijn relatief beperkt vergeleken met de grootte van het gebied. Er is maar een beperkt aantal weerstations, die allemaal geautomatiseerd zijn, en er zijn nauwelijks radarbeelden beschikbaar. Ook satellietbeelden en satellietmetingen van het gebied zijn relatief beperkt.

Masterstudente Lauren Candlish van de Universiteit van Manitoba in Winnipeg (Canada) werkt aan een tweejarig project om te onderzoeken hoe goed de satellietgegevens van het arctisch gebied zijn, en hoe de interpretatie van de satellietdata verbeterd kan worden. Daarvoor verzamelt ze op de boot meetgegevens van de toestand van de atmosfeer boven de Amundsen.

“Ik laat elke paar dagen vanaf de boot een weerballon op, die uitgerust is met een GPS, en die de luchtdruk, de windsnelheid, de temperatuur en de luchtvochtigheid meet. Als er nauwelijks wind staat, maken we de ballon aan een touwtje vast, zodat we hem kunnen terughalen. Als er veel wind staat, laten we de ballon los. Verder staat op het bovenste dek een meetinstrument dat continu een verticaal profiel meet van temperatuur, vochtigheid en de dichtheid van waterdamp. We zenden pulsen van microgolfstraling omhoog, en meten wat er terugkomt.”



Deze metingen vergelijkt ze met die van de satellieten Cloudsat en Calipso. Beide werden tegelijk gelanceerd in april 2006. Ze volgen precies dezelfde baan rond de polen. Cloudsat komt vijftien seconden eerder over dan Calypso. Ze gebruiken andere meettechnieken zodat hun meetgegevens met elkaar vergeleken kunnen worden.

“Het grote verschil tussen het poolgebied en zuidelijkere gebieden”, zegt Lauren, “is dat de wolken hier vaak warmer zijn dan het land en het ijs en dat de lucht veel ijskristallen bevat. Voor de interpretatie van de satellietmetingen heb je daarom iets andere rekenmethoden nodig dan in de warmere gebieden. Je moet immers met andere atmosferische randvoorwaarden rekening houden.”

“Gewone meetinstrumenten zijn vaak ontworpen voor temperaturen tussen, laten we zeggen, –25 en +30. Maar onze instrumenten moeten nog veel lagere temperaturen dan –25 aankunnen. Dat dwingt ons de limieten van onze meettechnieken en meetinstrumenten op te zoeken.”