Boeken

Saturday, February 9, 2008

De prater en de zwijger

“Boot nummer 159”, roept de kaartjesverkoopster me na. Ze wijst op haar horloge. Ik zet de looppas in naar de Dunajec-rivier. Op de kant liggen houten vlotten. Elk vlot bestaat uit vijf aan elkaar gemaakte houten kuipen, met dwars daarover drie zitbankjes. De voorkant is bekleed met naaldboomtakken. Achter me zitten twee stelletjes, naast en voor me vijf schoolmeisjes. Twee bootsmannen met lange stokken staan al gereed om ons voort te punten. De een is een prater, de ander een zwijger, zo zal blijken. Beiden dragen traditionele blauwe vesten en een zwart hoedje, kledij van de Pieniny-bergen. De vesten zijn versierd met geborduurde bloemmotieven.

De zwijger en de prater duwen ons vlot met de stokken van de wal af. We drijven stroomafwaarts. De prater vraagt waar we vandaan komen. De stelletjes komen uit Gdansk en Warschau. De schoolmeisjes giebelen als ze horen dat ik uit Nederland kom. Een van de meisjes krijgt een houten schep in haar handen gedrukt. Zij moet het water dat de boot binnensijpelt opscheppen en overboord kieperen. “Kijk”, roept de prater, en hij duwt zijn stok volledig onder water. Twee seconden later stuitert de stok weer boven water, veilig in zijn handen. Drijfzand dus.

Rechts van ons ligt Slowakije, links Polen. We varen precies op de grens. Af en toe staat er een visser met lieslaarzen aan in het water. Er wordt vis schoon gemaakt aan de kant. Soms versnellen we sterk en moeten de prater en de zwijger ons met alle macht bijsturen. Dan weer drijft ons vlot traag met de stroom mee en leggen de punters hun stokken op het vlot. De zwijger zwijgt. De prater klokt slokken water weg. Hij heeft een tenger gezicht met een rode blos. Een gezond gezicht, gegrimeerd door de buitenlucht.

We varen een soort canyon in. Aan weerszijden steken rotsen van het Pieniny nationale park driehonderd meter de hoogte in. De prater wijst op drie rotsen die lijken op drie kronen. Mijn kennis van het Pools moet passen bij de anekdote die hij vertelt. Slowaakse schoolkinderen staan hun kanokledij uit te trekken. Jongens en meisjes leggen hun lichamen in de zon. De kano’s druipen nog na. Een schoolmeisje biedt me haar koekjes aan. Vervolgens krijg ik om beurten van de meisjes koekjes, zoutjes of drinken aangeboden.

“Aan welke kant passeren we die rotsen”, vraagt de prater wijzend op een rotspartij. Hij herhaalt dezelfde vraag meerdere malen tijdens de tocht. Op het juiste antwoord blijkt geen pijl te trekken. We denken links, en passeren rechts. Of andersom. Wij zijn niet van de bergen. We zijn stedelingen. Achter me rinkelt een mobieltje. Warschau belt de bergen. We zijn bang om alleen te zijn.

Het grootste deel van de tocht zijn we volledig omringd door rotsen en bossen. Om ons heen is het stil. Stil, behalve het geluid van spetterend, kolkend en klotsend water. Behalve fluitende vogels en uit de rivier springende vissen. Behalve een naar vis duikende vogel. Behalve ruisende bladeren. Behalve de wind. Stilte is wat er over blijft als je de mens van de natuur aftrekt.