Boeken

Friday, February 8, 2008

Zin en onzin van hersengymnastiek

De hersenen kun je niet trainen zoals een spier, vindt neuropsycholoog Rudolf Ponds. Vaak zijn psychologische factoren de oorzaak van geheugenklachten en niet een gebrek aan geheugentraining, meent hij. Psycholoog Jaap Murre schat juist dat geheugentechnieken het geheugen op specifieke taken met dertig procent kunnen verbeteren. Moeten we elke dag memory gaan spelen, of ons juist helemaal geen zorgen maken als we iets vergeten?

Dit artikel is oorspronkelijk verschenen in Natuurwetenschap & Techniek, februari 2004

Namen die je niet te binnen schieten. Niet op een woord kunnen komen. Waar heb je dat voorwerp ook weer gelaten? Niet meer precies weten wat je net hebt gelezen of gehoord. Welke plannen en voornemens had je ook weer gemaakt?

Deze geheugenklachten vormen, precies in die volgorde, de Vergeet-Top-5. Dat blijkt in ieder geval uit de subjectieve indruk die mensen hebben. Moet iedereen dan maar aan de hersengymnastiek? Over het nut van hersengymnastiek verschillen de meningen. Psycholoog Jaap Murre van de Universiteit van Amsterdam (tevens bijzonder hoogleraar aan de Universiteit van Maastricht) ontwikkelt modellen over de werking van het geheugen en geeft bovendien cursussen in het trainen van het geheugen. “Met specifieke technieken kun je het geheugen wel degelijk trainen”, zegt Murre. “Iedereen kan er baat bij hebben. Stel je zit in de auto en bent in je hoofd plannen aan het maken. Opschrijven kan niet. Dan wil je wel onthouden wat je bedenkt. Voor verkopers zou het raar staan als ze de informatie van een briefje zouden oplezen. Ze moeten in hun hoofd hebben zitten wat ze moeten zeggen. En als je een lezing moet geven of een korte speech moet houden, wil je ook zo veel mogelijk uit het hoofd doen. Geheugentraining kan hier goed bij helpen. En natuurlijk is het handig voor scholieren en studenten.”

Neuropsycholoog Rudolf Ponds, werkzaam bij het psycho-medisch streekcentrum Vijverdal in Maastricht, vindt dat er juist te veel nadruk ligt op geheugentechnieken als het gaat om het vergeten. “Ik vind dat het geheugen te veel als een machine wordt gezien. Ik kijk altijd eerst naar de psychologische toestand van iemand en dan pas naar geheugentechnieken als extra hulpmiddel. Mensen die klagen over hun geheugen zijn vaak te bezorgd dat ze dingen vergeten. Dingen vergeten is vervelend, maar nou niet iets om je zorgen over te maken. Toch vindt 39% van de mensen zichzelf vergeetachtig, en dat zijn lang niet alleen ouderen. Van de mensen tussen 25 en 35 vindt dertig procent zichzelf vergeetachtig. Tien procent van die subgroep maakt zich daar zelfs echt zorgen over.”

Vertrouwen
In de jaren negentig deed Ponds, toen nog verbonden aan de universiteit van Maastricht, een geheugenexperiment met twee groepen mensen. De ene groep had een groot vertrouwen in het eigen geheugen, de andere groep juist weinig. Verder bestonden de groepen uit mensen met een vergelijkbare opleiding en intelligentie. Het enige verschil zat in de manier waarop de mensen tegen hun eigen geheugenprestaties aankeken. Ponds vroeg de proefpersonen vervolgens hoe goed ze zelf dachten dat ze gezichten konden onthouden. De mensen uit de groep met een groot vertrouwen in het eigen geheugen dachten uiteraard dat ze veel zouden onthouden, en de mensen uit de andere groep dachten dat ze slecht zouden scoren.

Ponds: “De uitkomst van het experiment was dat beide groepen even goed scoorden in het herkennen van gezichten terwijl ze sterk verschilden in hun vertrouwen in het geheugen. Ook in een woordentest scoorden de groep even goed. Die uitkomst vertelt heel veel. Het verschil tussen de subjectieve beleving en het objectieve resultaat kan in negatieve gevolgen hebben in het sociale functioneren. Je ziet het vooral bij ouderen. Sommigen trekken zich terug op een feestje, bang als ze zijn dat ze in een gesprek niet op bepaalde dingen kunnen komen. Of ze zeggen hun krantenabonnement op, omdat ze van zichzelf vinden dat ze toch maar weinig onthouden. Mensen gaan zich gedragen naar hun eigen verwachting. Terwijl er objectief gezien bij veel ouderen geen reden tot bezorgdheid is, vindt ruim de helft van de mensen boven de zeventig zichzelf vergeetachtig. Als bejaarden iets vergeten denken ze al snel dat het beginnende dementie is.”

De psychologische invloeden op de geheugenprestatie hebben we volgens Ponds altijd onderschat. “Als mensen meer vertrouwen krijgen in hun geheugen, verbetert ook hun geheugenprestatie. Ze gaan zich meer inspannen en houden de zoektocht in het geheugen langer vol.”

“Natuurlijk spelen psychologische factoren een rol bij het geheugen”, erkent Murre. “We weten allemaal dat een gestresste leerling tijdens een examen kan blokkeren. Maar ik blijf erbij dat bepaalde geheugentechnieken voor specifieke taken heel handig zijn. Daarnaast denk ik dat onzekere mensen juist meer vertrouwen in hun eigen geheugen kunnen krijgen als ze bepaalde technieken beheersen waarop ze altijd kunnen terugvallen. Net zoals je trucjes hebt om te leren vermenigvuldigen en delen, heb je ook trucjes om woorden, plannen, namen en teksten te onthouden. Je moet wel goed trainen, en het kost nog steeds moeite, maar je kunt heel veel doen. Het is moeilijk te zeggen hoeveel geheugentraining verbetert, maar ik schat dat je op specifieke punten een verbetering van dertig procent kunt krijgen.”

Betere bibliothecaris
Eigenlijk is ‘geheugentraining’ trouwens een verkeerd woord, vinden zowel Murre als Ponds. Je traint niet het geheugen, maar het leren en dan gaat het vooral om efficiënte strategieën bij dat leren. “De hersenen zijn geen spier”, aldus Ponds. “Elke dag memory spelen doet niets met je geheugen. Pas als je een superstrategie ontwikkelt die je voor veel soorten informatie kunt gebruiken, verbeter je het opslaan en ophalen van informatie. Als je een vergelijking trekt tussen het geheugen en een bibliotheek met boeken, boekenplanken en een bibliothecaris, dan krijg je niet automatisch een betere bibliotheek met meer boeken en boekenplanken, maar wel met een bibliothecaris die een beter zoeksysteem heeft. Boeken ordenen op gewicht is zinloos, op kleur zou al iets herkenbaarder zijn, maar het beste is natuurlijk op onderwerp of op alfabetische volgorde van auteursnaam.”

“De hersenen hebben geen capaciteitsprobleem”, vindt ook Murre. “We slaan zaken in het brein op door het maken van verbindingen tussen neuronen. Waarschijnlijk mogen we één verbinding opvatten als één byte in de digitale wereld. Met die aanname zou het hele brein honderdduizend harddisks van tien gigabyte bevatten. Als je verder aanneemt dat je ongeveer tien procent van het brein gebruikt voor geheugentaken, dan kun je bij wijze van spreken elke dag een paar cd’s in je brein branden, en dan nog blijft er plek over. Geheugentraining verhoogt niet de geheugencapaciteit, maar verbetert het ophalen en opslaan van informatie.”

Het werkgeheugen, of korte-termijngeheugen, kan ongeveer zeven cijfers vasthouden, als je er even je best voor doet. Bepaalde mensen hebben echter een heel groot werkgeheugen voor cijfers. Murre: “Zo is er iemand die getallen bestaande uit ongeveer zeventig cijfers kan onthouden. Die man is een grote atletiekfan. Hij kijkt altijd naar het hardlopen op tv, en traint zich in het onthouden van allerlei tijden van atleten op diverse afstanden. Zijn truc om grote getallen te onthouden is om dat grote getal op te delen in stukken die hij herkent als de tijd van een bepaalde atleet op een bepaald onderdeel. Zo maakt hij voor zichzelf grotere betekenisvolle eenheden, waardoor hij veel grotere getallen kan onthouden dan iemand die niet een dergelijke truc heeft. Maar op andere gebieden heeft hij een volstrekt gewoon geheugen.”

Er zijn globaal gezien twee belangrijke methoden om dingen beter te onthouden. Herhaling is uiteraard de meest voor de hand liggende. Maar een belangrijke tweede is het creëren van een soort betekenisnetwerk om datgene heen wat je wilt onthouden. Geheugentrainingen werken, zo legt Murre uit, omdat je leert om het aantal betrokken neuronen bij een bepaald stuk informatie te vergroten. Soms door meerdere hersengebieden te activeren, bijvoorbeeld gelijktijdig het visuele deel, het emotionele deel en het talige deel. Soms door binnen een gebied te zorgen dat er veel meer verbindingen ontstaan, bij een moeilijk woord dat je onthoudt via een aantal makkelijke woorden.

Hoe meer betekenis je aan een stuk informatie geeft, hoe beter je het je later zult herinneren. Er zijn diverse van dit soort uitbreidingstechnieken. Murre gebruikt ze in zijn cursussen: “Sommige technieken gebruiken rijm, andere vormen, een verhaal of een soort film. Zo beklijft de naam van professor Prlwitzkowski beter als je de naam opbreekt in een kleinere stukken die je allemaal een eigen, makkelijk te onthouden betekenis geeft, bijvoorbeeld parel-wit-koffie-ski. Van dit woordniveau kun je de betekenis ook visueel maken door bijvoorbeeld het beeld op te roepen van een kopje koffie waarin witte parels drijven. Het kopje staat op ski’s en skiet een heuveltje af. Een bizar beeld, maar het helpt bij het onthouden. Dit soort beschouwingen kunnen ook het leren van woorden in een nieuwe taal sterk vereenvoudigen.”

Slijtage
Ponds erkent dat geheugentechnieken een ondersteunende rol kunnen spelen, maar voor hem begint het toch vooral bij de psychologie van de mens. “Ik zie veel geheugenklachten een beetje als de lage rugpijn van vroeger. Iemand die tegenwoordig met lage rugpijn bij de huisarts komt, krijgt eerst de vraag hoe het met zijn relatie gaat en of alles op het werk wel goed gaat. In die lage rugpijn zitten vaak psychologische oorzaken. En zo is het ook met het geheugen. Als je jongeren en ouderen, die klagen over hun geheugen, vraagt waarom ze denken dat ze een geheugenprobleem hebben, hoor je een frappant verschil. Jongeren geven oorzaken aan buiten het geheugen: spanningen, emotionele problemen, interessegebrek of concentratieproblemen. Ouderen daarentegen zeggen dat ze vergeten omdat ze oud worden, dat het een slijtageprobleem is. Zij zoeken het geheugenfalen alleen maar binnen het geheugen. Maar er is geen enkele reden om aan te nemen dat psychologische aspecten bij ouderen opeens geen rol meer spelen. Die mensen kun je geheugentechnieken leren tot je een ons weegt, maar er zal weinig veranderen als ze niet anders tegen hun eigen geheugen gaan aankijken. Jongeren hebben wat dit betreft een reëler zelfbeeld.”

O ja, naast een Vergeet-top-5 is er natuurlijk ook een Geheugensteun-Top-5 van technieken die mensen uit zichzelf al vaak toepassen om iets wat ze zijn vergeten weer naar boven te halen: Datgene waaraan je moet denken, bijvoorbeeld een brief, op een bepaalde plek neerleggen; een notitie maken; je gedachten in de tijd terug laten gaan (op welke plaatsen weet je zeker dat je die tas wél nog had); je sterk concentreren; via allerlei associaties datgene wat je bent vergeten in je geheugen proberen te vinden.

Alles onthouden is trouwens ook niet zo handig als het misschien wel lijkt. Dat ondervond het Russische geheugenwonder Sherashevsky. Hij kon zelfs lange lijsten van nagenoeg identieke nonsenslettergrepen, of lange nonsensformules probleemloos onthouden. Ook allerlei informatie over plekken waar hij was geweest sloeg hij ongewild op. In het dagelijks leven was zijn absolute geheugen vooral een grote handicap. Hij maakte een verstrooide indruk en ervoer voortdurende stromen van associaties als in een chaotisch gemonteerde film. Voortdurend borrelde zijn geheugen over. Maar goed dat een normaal mens elke dag een heleboel vergeet.