Boeken

Saturday, February 9, 2008

Zwaveldamp en kasteelruïne

Kudowa Zdroj heette Bad Cudowa, Klodzko noemde men Glatz en Wroclaw stond als Breslau op de kaart. Wat nu Neder-Silezië heet, was toen Sudetenland. De Sudeten-Duitsers moesten na de oorlog vertrekken. Voormalig Duitse kuuroorden en kastelen doorstonden de tand des tijds en wachten nu op nieuwe bezoekers.

“Ik heb afschuwelijke pijnen, niet alleen tijdens het lopen maar ook bij het zitten. Als ik ’s morgens uit mijn bad klauter, dan heb ik heel wat werk met de twee stenen trapjes, kuchend en zwetend hijs ik mij aan de leuning omhoog, heb nauwelijks nog de kracht om het badlaken om me heen te slaan...Ik ben in acht dagen een oud man geworden.” Dat schrijft de Duits-Zwitserse schrijver Herman Hesse in de novelle Kurgast uit 1924. De helende werking van mineraalhoudend natuurlijk bronwater is al bekend sinds de Grieken, maar kennelijk kent het kuren ook zo haar schaduwzijden.

Water dat ruikt naar rotte eieren, roestwater, zout water, koolzuurhoudend water, radioactief water, water waarin conifeernaalden als theebladeren trekken, stoom, modder – het wordt allemaal wel gebruikt ter bestrijding van een of andere lichamelijke aandoening. Elke natuurlijke bron kent zijn specifieke chemische samenstelling, een vingerafdruk van de geologische geschiedenis van de streek.

In Neder-Silezië in Zuidwest-Polen liggen binnen tweehonderd kilometer tien kuuroorden. Het voormalig Duitse Bad Cudowa is nu het Poolse Kudowa Zdroj. Zdroj is ‘Bad’in het Duits. In de nabije omgevig vind je andere kuuroorden met namen als Duszniki Zdroj, Polanica Zdroj en Ladek Zdroj.

Rond 1900 bereikte de kuurculuur haar hoogtepunt. De gegoede burgerij probeerde er tot rust te komen. Kuren was in. Geest was mode. Het was de tijd van Freud. Bovenal moet het kuren de geest tot rust brengen in die tijd. In de loop van de 20e eeuw kwam de klad in de aloude kuurtraditie. Maar er is een kentering gaande, en dus worden de Neder-Silezische kuuroorden gemoderniseerd. Stoffige, donkere krochten, waarin je je al bij binnenkomst bedrukt en bedroefd voelt, veranderen in lichte, vrolijkere gangen. Gezelligheid rukt op. Alleen dan is er voor de Midden- en Oost-Europese kuuroorden hoop op klinkende euro’s. De moderne mens, gebukt onder permanente tijdsdruk, wordt hier voorbereid op een hernieuwde kennismaking met helend water waarin tijd voor even moet ophouden te bestaan.

Groepen Duitsers en Scandinaviërs landen al geregeld in Pools kuurwater. Nederlanders hebben geen kuurtraditie en zijn moeilijker warm te krijgen voor het bedwelmende baden. Calvinisten zijn gewend lichaam en geest te scheiden en dat is nou net tegen de essentie van het kuren. Ja, Hollandse reumapatiënten schijnen wel al te komen, hoor ik.
Ladek Zdroj is het oudste Poolse kuuroord. Ik krijg een handdoek, kan me omkleden in een moderne douchecabine en loop daarna naar het klassieke ronde bad. Klassieke muziek galmt rond. Ik stap het warme water in. Ik ruik de zwavel. Met een paar lange halen ben ik aan de andere kant. Dit is geen bad om te zwemmen, maar om te dobberen; je lichaam rustig op het water laten drijven, als een dode pier. Voor het kuren moet je rust in je kop hebben. Het ronde bad kent een paar nissen. Je kunt er zitten op een van de treden en je lichaam toevertrouwen aan de mineralen, aan het water. Rustig ademen, de geest bevriezen.

Het moet gezegd: na een half uur weken heb ik het gevoel dat het water me high heeft gemaakt. Alsof ik opeens individuele hersencellen voel. Maar enige tijd later slaat er ook vermoeidheid, slaperigheid toe. Is dit het verborgen wapen dat ook Hesse trof?

Na de onderdompeling in het zwavelhoudende water, rijden we naar een kasteelruïne. Nog enigszins loom stap ik met mijn reisgenoten het donkere kasteelcafé binnen. Als we een overheerlijk donker kasteelbiertje hebben weggeklokt in deze cafékrocht, lopen we een nauwe, steile trap op waarvan de treden lichtelijk zijn afgebrokkeld. Geelbruin gruis stuift naar beneden. Om ons heen krioelt een twintigtal honden, de ene helft wit, de andere helft zwart. Ze passeren ons links en rechts en door de benen, blaffend, maar meer op een speelse dan op een agressieve manier. Het kasteel is hun thuis, niet het onze. Boven aan de trap laat de kasteeleigenaar ons door een deur glippen, terwijl hij de honden naar beneden dirigeert.
Als de deur veilig achter ons dicht klapt en de honden de vreemde gasten nog luidkeels nablaffen, toont de eigenaar ons een schilderij: een huilende wolf (of is het een van zijn honden?) op de voorgrond en een door de volle maan oplichtend kasteel tegen de achtergrond. Dat oplichten ziet er echt zo uit, zegt hij. Intrigerende man, deze kasteelheer.

Palac Kamieniecki, zoals het kasteel in het Pools heet, ligt ten zuiden van Wroclaw, in Neder-Silezië. Voor de Tweede Wereldoorlog behoorde het tot Duits grondgebied, na die oorlog tot het Poolse. In het begin de jaren dertig van de 19e eeuw gaf prinses Marianne van Oranje, dochter van koning Willem I, opdracht tot de bouw ervan. Een kasteel met een Oranje randje dus. Marianne van Oranje was getrouwd met een van de zonen van de toenmalige Pruisische koning en woonde een groot deel van haar leven in Neder-Silezië. In 1872 was de bouw voltooid en prijkte een romantisch, neogotisch paleis op een heuvel nabij de plaats Kamieniec Zabkowicki. Van veraf zie je vier karakteristieke torens, elk een kleine vijftig meter hoog.

De eigenaar is een hoogleraar in de geschiedenis, die het kasteel vijftien jaar geleden, na een erfenis van enkele tientallen miljoenen Engelse ponden – zo gaan althans de dorpsgeruchten – kocht van de Poolse overheid. Hij vertelt dat de Duitsers het paleis tijdens de Tweede Wereldoorlog gebruikten, maar in ieder geval in tact lieten. De Russen, die er later introkken en het als kazerne gebruikten, brachten echter vele vernielingen aan. Toen de huidige eigenaar erin trok, trof hij nog één enkele oude fles wijn aan. Die hadden de Russen kennelijk niet weten te vinden. De wijnkelder was uiteraard volledig geplunderd.

Op de binnenplaats kijk ik om me heen. Gehavende wandschilderingen van riddergevechten en hoofse taferelen. De kleuren zijn wat vervaald. Op enkele plekken komen de rode bakstenen onder de schilderingen uit. Kapotte luiken liggen op de grond. In de hoek staat werkloos een stenen boog zonder onderstel. Aan de wand hangt een geïmproviseerde collectie van oude kasteelfoto’s.

Ik kijk door een stenen poort, met gerafelde randen. Een witte hond snuffelt wat tussen het steengruis. De zon slaat een doffe schaduw van zijn lichaam af. Driemaal zo groot plakt de schaduwvlek tegen de roodgrijze stenen vloer door de poort naar binnen, bijna tot waar ik sta. Achter de hond strekt een buitenplaats zich nog zo’n twintig meter uit, tot een onaangekondigde leegte zich naar de uitgestrekte paleistuinen en paleisvijver stort. Kleine plassen water reflecteren op de buitenplaats de bewolkte lucht en de namiddagse zonnestralen. In de verte: heuvels, bossen, wat huizen en een torentje.

De eigenaar is druk bezig om in een deel van het paleis hotelkamers te bouwen. Enkele zijn al voor publiek open, waaronder eentje hoog in een van de vier torens. De inrichting van de kamers is bewust ouderwets: oude houten meubels en bedden, bij elkaar gescharrelde, niet op elkaar afgestemde beddenspreien en gordijnen. De Nederlandse ambassadeur in Polen verbleef hier een nacht, zegt de hoogleraar. Vreemde man, met een strenge scherpe blik. Geen lachje kan eraf. Het is niet te hopen dat hij ’s nachts slaapwandelt terwijl je als nietsvermoedende gast naar je kamer zoekt.

Ik stel me een nachtelijke wandeling in het kasteel voor: knisperend gruis van de geschiedenis onder angstige voeten; het licht van de volle maan valt in een diep zwart gat rondom het kasteel; onophoudelijk geblaf (of is het gehuil) uit alle hoeken en gaten; een kafkaësk trappenlabyrint – ’s nachts lijkt alles verder en ingewikkelder; nachtelijk gefladder van onduidelijke herkomst; piepende deuren; opwaaiend gruis (de wind waait gek genoeg steeds waar jij loopt); stadse geluiden rijken niet tot hier – die bestaan niet meer; de simpelste geluiden beangstigen het meest. Ruïnes hebben de eenzaamheid als trouwe vriend. Wat bezielt een hoogleraar geschiedenis deze ruïne te kopen, het puin achtergelaten door het Rode Leger stukje bij beetje weg te poetsen en er met een twintigtal honden (of heeft hij ook een vrouw?) de rest van zijn leven te slijten?