Showing posts with label De Standaard. Show all posts
Showing posts with label De Standaard. Show all posts

Saturday, November 29, 2008

Houdini-truc met origamiwiskunde


Dit artikel is gepubliceerd in NRC Handelsblad, 29 november 2008 en in De Standaard, 24 december 2008

Wanneer de verslaggever binnenkomt in de tijdelijke Brusselse werkkamer van wiskundige en computerwetenschapper Erik Demaine, staan vader Martin en zoon Erik toevallig naast elkaar. Als twee druppels water lijken ze op elkaar. Dezelfde bril, dezelfde baard, dezelfde, in een paardenstaart gebonden lange haren. Een bijzonder duo. Vader Martin – glasblazer, zilversmid en beeldend kunstenaar – gaf zijn zoon vanaf zijn zevende vier jaar lang zelf les. Zonder schoolopleiding werd Erik op zijn twaalfde toegelaten tot de Dalhousie University in het Canadese Halifax. Op volle snelheid stoomde hij door, en al voor zijn twintigste werd hij een leidende wiskundige in de origamiwiskunde. Ook nu nog werken vader en zoon nauw samen. Vader vooral met zijn praktische kennis en kunstzinnige ideeën, zoon vooral met zijn kennis van de wiskunde en van computeralgoritmen. Een verhaal over kunst die wiskunde inspireert, en andersom.

Je hebt geen school doorlopen, maar bent door je vader geschoold. Hoe ging dat?
“Tussen mijn zevende en mijn twaalfde reisde ik met mijn vader langs de oostkust van de VS. Af en toe bleven we wat langer op een plaats, en dan ging ik soms een week naar school om te kijken hoe het ging. Maar verreweg de meeste tijd onderwees mijn vader me. We moesten er allebei in het begin wel aan wennen. Hij moest omschakelen van ‘vader-Martin’ naar ‘leraar-Martin’. Soms liep ik eerst een blokje om zodat we allebei tijd hadden voor die omschakeling. Zo’n thuisscholing werkt zoveel efficiënter dan naar school gaan. Ik heb er veel profijt van.”

Hoe ontstond je interesse voor wiskunde en computerwetenschap?
“Ik speelde als kind veel videogames. Toen ik zeven was, vroeg ik aan mijn vader: ‘hoe maken mensen zo’n videogame?’ Mijn vader wist het ook niet, maar zocht boeken die ons dat konden leren. Samen schreven we ons eerste simpele avonturenspel in de programmeertaal BASIC. We gingen steeds verder en leerden andere programmeertalen. Op een gegeven moment zei mijn vader dat als ik echt goed wilde leren programmeren, ik ook wiskunde moest leren. Hij kocht weer wat boeken, en zo begon ik met wiskunde. Daarnaast legde hij veel nadruk op het praten met mensen van alle leeftijden, niet alleen met kinderen van mijn eigen leeftijd.”

Hoe belandde je zo jong op de universiteit?
“Toen ik twaalf was, kreeg mijn vader het voor elkaar dat ik om te proberen colleges computerwetenschappen mocht volgen aan de universiteit. Het ging goed, en ik mocht als student komen. Ik volgde zoveel colleges als ik aankon en als een spons zoog ik alles op. Op die leeftijd kun je zoveel tegelijk doen! Ik had geluk dat ik zo vroeg naar de universiteit kon. Het leeftijdsverschil maakte niets uit. De andere studenten deden normaal tegen me, en ik werd ook op hun feestjes uitgenodigd. Ik denk echt dat meer studenten dit moeten en kunnen doen. Alles wat je nodig hebt, is de passie om nieuwe dingen te leren.”

Hoe ben je in de origamiwiskunde verzeild geraakt?
“Ik hou van wiskunde, maar als student computerwetenschappen wist ik niet wat ik ermee wilde doen. Tot het moment dat ik me realiseerde dat ik in de computationele geometrie wiskunde kon combineren met computeralgoritmen. Ik hou erg van het visuele aspect van geometrische figuren. Je kunt tastbare modellen maken en met die vormen spelen. En je kunt het ook uitleggen aan mensen die geen wiskunde kennen. Gewoon door vormen te laten zien. Toevallig hoorde ik een keer over het werk van de Amerikaanse natuurkundige en origamikunstenaar Robert Lang in de computationele origami: rekenmethoden om nieuwe origamivormen te vouwen. Dat klonk cool. Ik dacht: ‘misschien zijn er andere onopgeloste problemen waaraan ik kan werken.’ En zo ben ik begonnen.”

Waarover gaat origamiwiskunde?
“In de origamiwiskunde proberen we te begrijpen hoe je van een vlak stuk papier een willekeurig driedimensionaal object kunt vouwen: een kikker, een mens of een abstracte, geometrische figuur. Het kan alles zijn. Je werkt in drie dimensies, maar je vouwt een tweedimensionaal oppervlak. De ultieme uitdaging is om een rekenmethode te vinden die je vertelt hoe je op de beste manier een willekeurige driedimensionale structuur kunt vouwen. En ‘beste’ betekent zoiets als met zo min mogelijke vouwen en een zo klein mogelijk stuk papier. Daaraan werk ik samen met mijn vader en Robert Lang. Ik vermoed dat het niet mogelijk is om altijd de beste manier van vouwen te vinden. Maar ik denk dat we wel op weg zijn om een rekenmethode te vinden die dicht daarbij in de buurt komt.”


Hoe lastig zijn origamiproblemen?
“Ze zien er misschien gemakkelijk uit, maar ze zijn wiskundig vaak buitengewoon uitdagend. Neem het ‘vouw-en-knip’-probleem, het eerste origamiprobleem waaraan ik in 1996 met mijn vader begon. Het idee is als volgt. Je neemt een stuk papier en vouwt het zo vaak als je wilt en hoe je maar wilt. De enige voorwaarde is dat je na elke vouw nog steeds een plat stuk papier moet hebben. Dan knip je het gevouwen stuk papier op een willekeurige plek door zodat er ogenschijnlijk twee helften overblijven. Die twee helften trek je uit elkaar. Meestal krijg je zo niet twee, maar meer dan twee stukken. Het zijn allemaal veelhoeken: stukjes met drie, vier of meer hoeken. De beroemde goochelaar Harry Houdini gebruikte dit principe voor een van zijn goocheltrucs. Hij toverde het publiek met vouwen en één knip een vijfpuntige ster voor. In 1921 publiceerde hij het boek ‘Paper Magic’ met meer van dit soort voorbeelden. Later vroeg de Amerikaanse wiskundepopularisator Martin Gardner zich af welke vormen je op deze manier wel of niet kunt maken.”

En?
“Die vraag inspireerde ons, en na twee jaar puzzelen vonden we in 1998 een wiskundige oplossing. Het antwoord had niemand verwacht. In principe kun je willekeurig welke gehoekte vorm krijgen! Of het nu een zwaan is, een stripfiguur of je initialen. We vonden de rekenmethode die je vertelt met welke vouwen en welke knip je zo’n vorm kunt maken. Werken aan origamiproblemen is big fun, maar ook uitdagend voor wiskundigen en computerwetenschappers.”

Kun je het ook toepassen buiten de origamikunst?
“Origamiwiskunde kun je toepassen op alle terreinen die met vouwen te maken hebben: bijvoorbeeld bij het vouwen van robotarmen in de robotica, maar ook in de architectuur, de beeldende kunst en bij computergraphics. Ik weet ook dat sommige bedrijven met origamirekenmethoden onderzoeken hoe ze airbags veiliger kunnen maken. Levert de airbag een betere bescherming als je hem op een slimmere manier opvouwt, waardoor hij zich bij een ongeluk beter ontvouwt, is dan de vraag. En origamikunstenaar Robert Lang werkt aan een opvouwbare telescooplens. In de ruimte moet je de lens kunnen uitvouwen tot een vlak van honderd meter in diameter, maar opgevouwen in een ruimteschip wil je een pakje van niet meer dan tien meter breed overhouden. Hoe doe je dat op de handigste manier?”

Aan welk concreet praktisch probleem werk je zelf?
“Dat is het probleem van de eiwitvouwing. Misschien wel de belangrijkste mogelijke toepassing, hoewel we daar nog voor een onopgelost probleem staan. Onze genen vertellen welke eiwitten cellen moeten aanmaken. Eiwitten zijn de werkpaarden van het lichaam. Ze zijn op een bepaalde manier gevouwen, en die manier bepaalt voor een groot gedeelte hun functie. Maar we weten voor veel eiwitten niet hoe ze zijn gevouwen. Als we dat wel weten, dan kunnen we die kennis gebruiken om geneesmiddelen te maken. Bij allerlei ziekten gaat de eiwitvouwing verkeerd, en geneesmiddelen kunnen dat met speciaal ontworpen eiwitten repareren. In plaats van gewoon maar te proberen of een middel werkt, kunnen we dan van te voren bedenken welke stof wel of niet als geneesmiddel kan werken.”

Wat kan de origamiwiskunde toevoegen aan het werk dat biologen, natuurkundigen en scheikundigen al aan eiwitvouwing doen?
“Vanuit natuurwetenschappelijk perspectief is het vouwproces nog grotendeels een mysterie. Wij schuiven dat perspectief tijdelijk aan de kant en stellen simpelweg de vraag op welke mogelijke manieren je de ene eiwitvorm tot de andere kunt vouwen. Wiskundig gezien is dat een soort eendimensionale origami. De vraag is of we een rekenmethode kunnen vinden voor de handigste manier van eiwitvouwing. Welk natuurwetenschappelijk principe de vouwing ook bepaalt, op enig niveau kun je het als een rekenmethode beschouwen. We hopen dat als we die wiskundige rekenmethode hebben gevonden, zij ons automatisch ook inzicht geeft in de natuur- en scheikundige principes die bepalen hoe een eiwit zich vouwt. Vaak heeft de natuur een efficiënt principe ontwikkeld, en ik hoop dat we dat met origamiwiskunde kunnen vinden.”

Maak je in je abstracte, wiskundige werk gebruik van de origamipraktijk, of zijn dat twee gescheiden werelden?
“Mijn vader en ik experimenteren veel bij het oplossen van een wiskundig origamiprobleem. Het met je handen vouwen van een origamiobject vormt je intuïtie voor wat wel en niet mogelijk is; voor waar je een bepaalde vouw moet maken om later een bepaalde structuur aan het driedimensionale object te geven. Het is alsof je je hoofd door het vouwen voedt met een grote experimentele database. Die database gebruik je bij het oplossen van de wiskundige puzzel. Trouwens, alle bekende origamiontwerpers gebruiken enige vorm van origamiwiskunde. Alleen laten zij geen computer rekenen, maar doen ze de berekening onbewust in hun hoofd, op een intuïtieve manier.”

Je laat je inspireren door vormen en structuren die je om je heen ziet. Je werkt nauw samen met je vader, die beeldend kunstenaar is. Wat is voor jou de relatie tussen wetenschap en kunst?
“Voor mijn vader en mij komen beeldende kunst en wetenschap steeds dichter bij elkaar. Voor mij lijkt de esthetica van de wiskunde sterk op die van de kunst. Wij begonnen ons werk aan origamiproblemen vanuit wetenschappelijke nieuwsgierigheid. Soms vinden we ineens prachtige vormen, leggen de wetenschap een tijdje aan de kant en beginnen die vormen vanuit kunstzinnig perspectief verder te verkennen. Wij springen heen en weer tussen kunst en wetenschap. Dat geeft veel flexibiliteit. Als je wetenschappelijk een tijd geen vooruitgang boekt, kun je je meer met de kunst bezighouden, en andersom. Drie van onze origamivormen staan nu in de permanente collectie van het Museum of Modern Art in New York. Het zijn trouwens vormen die we wiskundig nog niet helemaal begrijpen.”



Jullie werken ook aan een ‘schaduwwand’. Wat is dat?
“De ‘schaduwwand’ is een prachtig project waarin kunst en wetenschap samenkomen. Het is een idee van mijn vader. We werken er nu samen aan, maar hebben nog geen oplossing gevonden. We hebben wel al een sponsor om het ook echt te bouwen, zodra we een wiskundige oplossing hebben gevonden. We willen ergens op een zonnige locatie in de grond een grote wand neerzetten. Uit die wand steken stenen of stokken, of wat dan ook. De zon tekent een schaduw van de uitsteeksels op de wand. De vraag is nu hoe je de uitsteeksels moet plaatsen zodat de zon in de ochtend de schaduw van een kleine jongen maakt, en dat die schaduw tegen zonsondergang verandert in het silhouet van een oude man. Om dat voor elkaar te krijgen moet je de wiskunde achter de schaduwvorming begrijpen. Dit is geen origamiprobleem, maar wel een geometrieprobleem. Veel van de problemen die ik wiskundig probeer op te lossen lijken als je ze in de praktijk brengt op goocheltrucs. Wiskunde die raakt aan kunst en goochelen, daar hou ik van.”

Hoe kies je je onderzoeksvragen?
“Aan het begin van mijn loopbaan zeiden mensen vaak tegen me dat ik te veel recreatiewiskunde deed. Wel fun, maar te weinig serieuze wiskunde. Ik heb alle commentaren en adviezen genegeerd en alleen maar gewerkt aan problemen die me echt aanspraken en die inderdaad fun waren. Het feit dat MIT me meteen na mijn promotie in 2000 een baan aanbood, en het feit dat ik in 2003 de MacArthur Fellowship won, hebben me gelukkig in mijn eigenwijsheid bevestigd. Maar ja, in het begin wist ik inderdaad niet of ik wel de juiste keuze had gemaakt.

“Ik hou ervan om van de gebaande paden af te wijken. Dat heb ik – geloof ik – ook wel van mijn vader meegekregen. Ik zoek altijd naar hele basale problemen, waar nog niemand aan heeft gedacht, maar die toch uitdagend zijn. Zoals de vraag of je met een stuk papier elke veelhoekige driedimensionale vorm kunt vouwen. Natuurlijk wil je op die vraag graag het antwoord weten!”

En wat is het antwoord?
“Ja, ik heb bewezen dat dat kan, als het stuk papier groot genoeg mag worden. Ik voel dat als je aan zulke basale problemen werkt, er altijd wel een moment komt waarop het wiskundige werk toepassingen krijgt in de wereld om ons heen. Het is moeilijk te voorspellen wanneer dat is en welke toepassing het werk krijgt, maar het prachtige van wetenschap in het algemeen en wiskunde in het bijzonder is dat fundamenteel werk vaak op een onverwachte manier in de praktijk toepassingen krijgt.”


Kort profiel:
Dr. Erik Demaine (27) is een Amerikaans-Canadese wiskundige en computerwetenschapper van het Massachusetts Institute of Technology (MIT) in de VS. Hij is een van de leidende wiskundigen op het terrein van de origamiwiskunde: de wiskunde van het vouwen. Op zijn twaalfde ging hij – zonder schoolopleiding, maar alleen onderwezen door zijn vader – naar de Dalhousie University in het Canadese Halifax. Twee jaar later haalde hij daar zijn bachelordiploma. Op zijn zestiende haalde Demaine zijn masterdiploma aan de University of Waterloo en op zijn twintigste promoveerde hij aan die universiteit. Nog in hetzelfde jaar werd hij aangesteld als assistent professor aan het Massachusetts Institute of Technology (VS), als jongste ooit. In 2003 won hij de prestigieuze MacArthur Fellowship – ook wel ‘Genius Award’ genoemd – van een half miljoen dollar. Sinds 1 november 2008 bekleedt hij voor een half jaar de International Francqui Chair als gast van de Université Libre de Bruxelles (ULB). Vader Martin Demaine is als artist-in-residence en onderzoeker ook verbonden aan MIT.


Achtergrondinformatie: Origamiwiskunde

Origami is gebaseerd op het vouwen van papier. Hoewel het als van oorsprong Japanse kunstvorm al eeuwen bestaat, is origamiwiskunde iets van de laatste drie decennia. Hoe je een stuk papier moet vouwen om een bepaald patroon te maken, wordt in de praktijk aangegeven door de ‘blauwdruk’: een patroon van getrokken lijnen op het ongevouwen, vlakke stuk papier. Eén type lijn (– – – – – ) zegt dat je het papier daar naar binnen moet vouwen (een dalvouw), en een ander type lijn (–∙∙–∙∙–∙∙–∙∙–) zegt dat je daar naar buiten moet vouwen (een bergvouw). Origamiwiskunde beschrijft de origamispelregels op een formele manier, en ontdekt wat er wel en niet mogelijk is.

Origami voldoet aan vier eenvoudige wiskundige spelregels. De eerste regel zegt dat je alle vlakjes van de blauwdruk met twee kleuren kunt inkleuren zonder dat twee aangrenzende vlakjes dezelfde kleur krijgen. Volgens de tweede regel verschilt het aantal ‘bergvouwen’ en het aantal ‘dalvouwen’ in een willekeurig punt waarin vouwen samenkomen (technisch heet dat een ‘interne vertex’) altijd het aantal 2. De derde regel gaat over de hoeken van de stukjes die rondom een interne vertex liggen. Als je om een vertex heen wandelt, en die hoeken nummert als 1, 2, 3…, dan geldt dat de som van alle oneven genummerde hoeken (1, 3, 5…) gelijk is aan 180 graden. Hetzelfde geldt voor de som van alle even hoeken (2, 4, 6…). De vierde regel zegt dat je het papier nergens door zichzelf mag steken. Het blijkt dat deze eenvoudige vier basisregels een ongelofelijke hoeveelheid origamipatronen opleveren.

Verder heeft de Franse wiskundige Jacques Justin in 1989, en onafhankelijk van hem de Italiaans-Japanse wiskundige Humiaki Huzita in 1992, zes axioma’s opgesteld, die je kunt beschouwen als de fundamentele operaties die je bij het vouwen op een punt of op een lijn op het origamipapier kunt uitvoeren. Zo zegt bijvoorbeeld axioma 6: “Gegeven twee punten p1 en p2, en twee lijnen l1 en l2, dan kunnen we een vouw maken die punt p1 op lijn l1 plaatst en p2 op l2”


Koshiro Hatori ontdekte in 2002 dat er nog een zevende axioma bestaat. Vervolgens bewees Robert Lang dat deze verzameling van zeven axioma’s de volledige lijst van axioma’s is in de origamiwiskunde. De wiskundige benadering van origami, gebaseerd op de vier basisspelregels en de zeven axioma’s, heeft geleid tot nieuwe ontwerpen en nieuwe ontdekkingen in de origamiwiskunde, onder andere door Erik Demaine.

Internet
Homepage van Erik Demaine: http://www.erikdemaine.org/
Homepage van Robert Lang: http://www.langorigami.com/
Videopresentatie van Robert Lang over origami en origamiwiskunde: www.ted.com/index.php/talks/robert_lang_folds_way_new_origami.html
Vouwschema’s om zelf een serie bekende origamimodellen te vouwen: http://www.origamiwithrachelkatz.com/folding/folding.htm
Uitleg van eenvoudige origamiwiskunde: http://kahuna.merrimack.edu/~thull/combgeom/flatfold/flat.html http://mathworld.wolfram.com/Origami.html

Friday, February 8, 2008

Kunnen onze hersenen zichzelf repareren?

Zelfs volwassen hersenen maken nog steeds nieuwe hersencellen aan. Ligt daar de sleutel voor een zelfreparerend brein?

Dit artikel is gepubliceerd in De Standaard, 7 maart 2007

Een groep onderzoekers uit Nieuw-Zeeland en Zweden heeft ontdekt dat een deel van het reuksysteem in de menselijke hersenen voortdurend nieuwe hersencellen aanmaakt.
Het was al bekend dat hetzelfde hersengebied bij ratten en muizen nieuwe cellen aanmaakt. Maar omdat geur voor mensen veel minder belangrijk is dan voor muizen en ratten, dachten hersenonderzoekers dat dit proces bij mensen niet of veel minder zou optreden. In een artikel in Science (16 februari 2007) laten de Nieuw-Zeelanders en Zweden echter zien dat ook bij mensen het geursysteem voortdurend nieuwe hersencellen aanmaakt.

Volwassen hersenen die nieuwe cellen produceren? Hersencellen sterven toch alleen maar af?
Decennialang was inderdaad het dogma dat het volwassen brein geen nieuwe hersencellen meer aanmaakt, en dat er met het ouder worden alleen maar meer cellen het loodje leggen. Bovendien weten we dat als de hersenen ergens serieus kapot zijn, ze daar ook kapot blijven. Hiermee zijn de hersenen een vreemde eend in de bijt van het menselijk lichaam. Immers, de meeste weefsels blijven in staat om tijdens het leven zichzelf te repareren en nieuwe cellen aan te maken. Een snee in je vinger groeit binnen een paar dagen dicht. Een gebroken been kan binnen enkele maanden weer helen. Het zijn stamcellen die verantwoordelijk zijn voor dit herstel.

In 1998 werd voor het eerst aangetoond dat de menselijke hersenen van nature wel degelijk nieuwe neuronen kunnen aanmaken. Destijds werd het effect alleen gevonden in een deel van het geheugensysteem (de hippocampus). Dit was een van de grote ontdekkingen in de neurowetenschappen van het afgelopen decennium. De publicatie uit februari van dit jaar beschrijft nu dus een tweede gebied in de menselijke hersenen waar een natuurlijke aanmaak van hersencellen plaatsvindt (neurogenese).
Overigens kunnen de hersenen bij hagedissen en andere lagere diersoorten zichzelf wel in hoge mate repareren wanneer ze beschadigd raken. Maar bij zoogdieren is dit vermogen kennelijk verloren gegaan.

Medicijnen
Helaas is het aantal nieuwe gevormde hersencellen klein vergeleken met het totale aantal van honderd miljard in het menselijke brein. “De muizenhippocampus heeft zo’n driehonderdduizend cellen. Per dag komen er in dat gebied ongeveer 75 nieuwe, goed functionerende hersencellen bij”, vertelt psychobiologe Henriëtte van Praag van het Salk Institute (San Diego, VS). In dat instituut werd in 1998 neurogenese in de menselijke hersenen ontdekt, in samenwerking met een Zweedse onderzoeksgroep. “We vinden die neurogenese zowel bij jonge als bij oude dieren. Alleen neemt met het ouder worden wel de snelheid van de neurogenese af.”

Door de ontdekking in 1998 groeide de hoop op een verbeterde behandeling van patiënten met aandoeningen aan het centrale zenuwstelsel. Koortsachtig wordt gezocht naar mogelijkheden om via medicijnen bestaande neurale stamcellen op gewenste plekken in het brein te brengen en daar aan te zetten tot het maken van nieuwe neuronen. Zo zou het brein zichzelf kunnen repareren.

Van Praag: “In de afgelopen tien jaar hebben we gezien dat we de aanmaak van nieuwe hersencellen kunnen beïnvloeden. In positieve zin door bepaalde medicijnen en hormonen.” Zo is bekend dat antidepressiva zoals prozac, maar ook een middel als viagra, de aanmaak van nieuwe hersencellen in een deel van het geheugensysteem versterken. Allerlei medicijnen worden nu op hun effect onderzocht. “Maar”, zegt Van Praag, “we kunnen de neurogenese ook versterken door beweging en door een verrijkte omgeving” (zie kader). Stress blijkt juist een negatieve invloed op neurogenese te hebben.

“Ik denk dat we bij aandoeningen die met het geheugen te maken de meeste kans hebben versterkte neurogenese als therapie te gebruiken. Dan denk ik vooral aan dementie, maar ook aan de gevolgen van gewone veroudering voor de hersenen.”

Hersenschade herstellen
Aan de KU Leuven doen viroloog Zeger Debyser en neurobiologe Veerle Baekelandt onderzoek naar neurogenese. Baekelandt: “Bij muizen helpt neurogenese de schade na een beroerte of ander hersenletsel te herstellen. De nieuwe cellen krijgen een signaal en gaan naar de plek van de schade. Op korte termijn is er duidelijk een positief effect, maar nog onbekend is wat het langetermijneffect is.”

Toch is het niet alleen maar goud dat er blinkt. In januari 2007 stond er een overzichtsartikel in Science dat beweert dat meer neurogenese niet altijd beter is. Nieuwe neuronen dragen soms alleen maar bij op de korte termijn, maar nauwelijks op de lange termijn. Daarnaast blijkt uit recente studies dat nieuwe neuronen naar de verkeerde plekken kunnen migreren, verkeerde verbindingen kunnen vormen, en soms geen enkele verbindingen, maar dan specifiek bij epilepsie en bij onvoldoende doorbloeding van de hersenen.

Ook Debyser wijst erop dat neurogenese meestal goed lijkt te zijn, maar dat het proces soms ook verkeerd lijkt uit te pakken: “Er zijn aanwijzingen dat verkeerde neurogenese een oorzaak van epilepsie zou kunnen zijn. Of dat neurogenese epilepsie kan versterken.” De Leuvense groep werkt nu aan een techniek om het migreren van nieuwe cellen in de loop van de tijd in beeld te brengen. Ze gebruiken de regeneratie van het reuksysteem in de muis als model. Debyser: “Vroeger moesten we een muis doodmaken om de nieuw gevormde hersencellen te onderzoeken. Nu kunnen we als het ware in het muizenbrein kijken zonder het dier dood te maken. Als deze techniek lukt, dan kunnen we makkelijker testen welke medicijnen een positief effect hebben op de neurogenese.”

Volgens Baekelandt laat het artikel vooral zien dat we de voor- en nadelen van met medicijnen versterkte neurogenese beter op een rij krijgen. Van Praag gaat nog een stap verder: “Ik zou het artikel met een korreltje zout nemen. Het gaat vooral over neurogenese na een herseninfarct of bij epilepsie. Een andere recente studie uit Neuron laat zien dat ook de nieuwe neuronen die met epilepsie gevormd worden een positief effect op de ziekte kunnen hebben. Verder is wel degelijk aangetoond dat nieuwe neuronen zeker een jaar of langer leven.”

Kan neurogenese in de toekomst echt therapeutisch bij mensen worden gebruikt? “Daarover valt nog weinig te zeggen”, aldus van Praag. “We moeten eerst nog ontrafelen waarom de hersenen van nature nieuwe cellen aanmaken. Daaruit zullen we veel leren over het zelfreparerend vermogen van de hersenen en in welke mate we dat kunnen sturen.”


[kader 1:]
Veel bewegen – meer nieuwe hersencellen

Kun je zelf iets doen zodat je hersenen meer nieuwe hersencellen aanmaken, en heb je daar iets aan?
In een studie uit 1999 liet Henriëtte van Praag zien dat muizen die in een looprad kunnen rondrennen, ongeveer tweemaal zoveel nieuwe hersencellen aanmaken als muizen die geen toegang hebben tot zo’n rad. En van de nieuw aangemaakte cellen zijn er bovendien meer (zo’n tachtig procent – tegenover vijftig procent als er geen rad is) die het ook echt schoppen tot volwaardig functionerende cellen. Het rennen heeft dus twee positieve effecten tegelijk.

Maar in hoeverre mag je deze resultaten doortrekken naar mensen? Wellicht wel. Het is bekend dat regelmatig hardlopen helpt tegen depressies en een mogelijke verklaring daarvoor is de versterkte neurogenese in het geheugensysteem. Een deel hiervan heeft namelijk ook te maken met onze gemoedstoestand.

“We hebben ook gekeken naar het effect van meer speeltjes op de neurogenese bij muizen”, vertelt van Praag. “Ook zo’n verrijkte omgeving zorgt voor meer neurogenese, maar toch minder dan het effect van alleen het rennen. Bij mensen is het lastig om kwantitatief te onderzoeken hoe verrijkt een omgeving moet zijn. Hoe vaak moet je daarvoor naar de bioscoop? Hoe vaak moet je daarvoor een boek lezen of naar muziek luisteren? Rennen kun je juist wel makkelijk kwantificeren. In ieder geval hebben meer en meer studies in de afgelopen jaren aangetoond dat een verrijkte leefomgeving bij muizen een positief effect heeft.”

“Ik geloof wel in het positieve effect van een verrijkte omgeving bij mensen”, zegt Veerle Baekelandt van de KU Leuven. “We wisten vroeger ook al dat fysieke en mentale uitdagingen goed zijn voor de hersenen, maar we begrepen niet goed waarom. De experimenten met neurogenese laten in ieder geval duidelijk zien dat het niet om een placebo-effect gaat.”

[kader 2:]
Nieuwe hersencellen als tijdetiketten?

De menselijke hersenen maken in twee gebieden voortdurend nieuwe cellen aan: in een deel van het geheugensysteem (de hippocampus) en in een deel van het reuksysteem. Toch weten we dat het zelfreparerend vermogen van de hersenen zeer beperkt is. Wat doen de hersenen dan met die nieuwe cellen? Al sinds de ontdekking in 1998 wordt naar een antwoord gezocht, maar het is er nog niet. Ideeën zijn er wel. Henriëtte van Praag (Salk Institute, San Diego, VS): “Een interessant nieuw idee is dat neurogenese in het geheugensysteem een gebeurtenis en het tijdstip van die gebeurtenis als het ware aan elkaar knoopt. Stel je bent in San Francisco geweest. Ergens in je geheugen is die gebeurtenis opgeslagen. Maar wanneer was dat dan? Het vermoeden is dat de hersencellen die gemaakt zijn in de periode van de gebeurtenis tegelijkertijd zorgen voor het aan elkaar knopen van gebeurtenis en tijdstip: Je bent in San Francisco geweest, en dat was drie maanden geleden.” Het idee komt niet zomaar uit de lucht vallen. Computersimulaties van het geheugensysteem hebben laten zien dat dit een mogelijke verklaring is.