Showing posts with label Filmclips. Show all posts
Showing posts with label Filmclips. Show all posts

Friday, November 22, 2019

iHuman





Op zondag 24 november voorzie ik de IDFA-documentaire iHuman van omlijsting: een korte introductie vooraf en een nagesprek van een half uur:

In het eerste kwartier van het nagesprek praat ik met regisseur Tonje Hessen Schei, journalist Lee Fang, voormalig Google-medewerker Jack Poulson en Edward Snowdens advocaat Ben Wizner.

In het tweede kwartier spreek ik via een Skype-verbinding met Edward Snowden over zijn kijk op de documentaire en op de impact van AI op onze samenleving.

Bekijk hier de trailer van de documentaire:


Daphne Channa Horn maakte deze prachtige foto's tijdens de DocTalk:




Thursday, November 14, 2019

'Robots zijn ook een onderdeel van de natuur'

Dit artikel is gepubliceerd op de website van Marineterrein Amsterdam, ter gelegenheid van het feit dat november 2019 Blade Runner-maand is. De legendarische sciencefiction film uit 1982 speelde immers in november 2019. 

Op de website van het Marineterrein kun je ook de bijpassende fragmenten uit de film Blade Runner bekijken.


Rob van Hattum is eindredacteur wetenschap bij de VPRO en chief science officer bij het NEMO Science Museum in Amsterdam. Hij maakte talloze radio- en tv-uitzendingen over robots en is een fan van de film Blade Runner. Samen met zijn NEMO-collega’s bereidt hij momenteel een tentoonstelling voor over big data op het Marineterrein in Amsterdam. NEMO huurt daar een oude gymzaal waar het de komende vijf jaar tijdelijke tentoonstellingen wil organiseren die raken aan actuele thema’s en die het niet goed kwijt kan in de hoofdvestiging. De big data-tentoonstelling zal raakvlakken krijgen met het thema robots.

Wetenschapsjournalist Bennie Mols, gespecialiseerd in kunstmatige intelligentie en robots, sprak met Rob van Hattum over Blade Runner, de ontwikkeling van robots, het maken van programma’s over robots, en over de relatie tussen mens en technologie.

Waarom ben je zo’n fan van Blade Runner?

“Ik heb Blade Runner een keer of vier, vijf gezien. Een prachtige film. Visueel een enorm spektakel. Hoewel de film zich afspeelt in 2019, is het geen voorspelling van de wereld in 2019. We hebben geen robots die er precies als mensen uitzien en die zich precies zo gedragen als mensen, zoals de replicants in de film. We hebben ook geen vliegende auto’s. Maar de film gaat ook niet over het voorspellen van technologie.

Uiteindelijk gaat de film over ons als mensen, over onze drijfveren, onze motieven en onze dromen. De zoektocht van de replicants, de robots, is een heel menselijke zoektocht. Wij mensen weten dat we doodgaan. Omdat we dat niet kunnen uitstaan, zoeken we naar een betekenis van het leven, zoeken we naar een ziel of worden we religieus. De replicants weten dat ze maar vier jaar leven en ze nemen het hun menselijke schepper kwalijk dat hij dat ingebouwd heeft. Heel begrijpelijk.

Een ander interessant aspect vind ik de agressie van de robots. Ik hou op zichzelf niet van geweld, ook niet in deze film, maar het geweld van de robots is wel voorstelbaar. Bij mens en dier is agressie een gevolg van de kracht van de evolutie. Organismen hebben een drijfveer om te overleven. Ze moeten wel, want anders sterven ze uit. De robots in Blade Runner zijn gemaakt door ons en gemodelleerd naar ons. Dus het is niet raar dat ze ook ons soort agressie vertonen.”

Kun je je eerste kennismaking met robots nog herinneren?

“Eind jaren zeventig, vlak voor ik radioprogramma’s bij de VPRO ging maken, heb ik een tijd filosofie gestudeerd. Een onderdeel daarvan was kunstmatige intelligentie. Toen las ik een artikel dat ging over grondrechten van robots. Dat artikel introduceerde een mensachtige robot. Die robot hield van muziek, van literatuur, van discussies over politiek en hij kon ook nog gedichten schrijven. De centrale vraag die het artikel vervolgens stelde, was of je die robot mag discrimineren op grond van zijn afkomst, op grond van het feit dat hij in een fabriek is gemaakt. Dat vond ik een fascinerende vraag. En dat is ook de link met Blade Runner, want de film is gebaseerd op het science-fictionboek ‘Do androids dream of electric sheep?’, zeg maar op het idee dat robots een gedachtenwereld kunnen hebben. Toen begon ik in de wereld van de kunstmatige intelligentie te duiken. Tegelijkertijd begon ik ook te zien dat wij mensen eigenlijk een soort biocomputers zijn. Ons brein verwerkt informatie op een biologische manier, via een enorm netwerk van hersencellen, en die manier is gevormd door de evolutie.”

Als je een favoriete robot mag kiezen, welke is dat dan?

“Dan kies ik voor het robothondje Aibo, dat in 1999 door Sony op de markt werd gebracht. Aibo was de eerste robot die charmant was. Hij was een beetje onbeholpen, maar gedroeg zich als een metgezel. Ik weet nog goed dat ik een uitzending over robothuisdieren moest presenteren. Vanwege die uitzending hadden we een Aibo aangeschaft. Ik nam hem mee naar de redactie en daar zaten een paar dames die een echte hond hadden en hun honden ook bij zich hadden. In die tijd mocht je je hond nog meenemen naar het werk. Ze zagen Aibo en vroegen: ‘Wat is dat?’ Ik zeg: ‘Dat is een robothond’. ‘Wat stom!’ zeiden ze. Ik zeg: ‘Ik zal ’m wel even aanzetten.’ Ik zette Aibo aan, hij strekte zijn pootjes uit en stond langzaam op. Binnen dertig seconden begonnen de dames Aibo te aaien. Dat was zo fascinerend om te zien.”

Wat is je het beste bijgebleven van het maken van de VPRO-programma’s over robots?

“Voor VPRO Tegenlicht waren we op bezoek bij de Japanse robotbouwer Hiroshi Ishiguro [https://www.youtube.com/watch?v=3AciynL30no]. Hij maakt androïde robots. Zij lijken sprekend op echt bestaande Japanse mensen, maar worden trouwens wel op afstand bestuurd. Eentje is gemodelleerd naar een Japanse nieuwslezeres. Met ons camerateam stonden we bij die robot. Ze kijkt naar je. Ze beweegt. Het voelde voor mij heel ongemakkelijk. Ik zei dat tegen Ishiguro, en toen zei hij: ‘Hoezo ongemakkelijk? Je mag haar best even aanraken.’ Ik legde mijn arm om haar schouder. Toch voelde het alsof ik haar lichamelijke integriteit aantastte, wat in feite natuurlijk onzin is. Het is een robot. Ze kan geen toestemming geven.

Mijn gevoel was precies wat ze in de robotica de uncanny valley noemen: dat we robots die goed op mensen lijken, maar toch net niet helemaal menselijk zijn, als eng ervaren. Aan de andere kant: als de robot exact op een mens lijkt, zoals de replicants in Blade Runner, dan kun je er ook gemakkelijk verliefd op worden. Dat gebeurt ook in de film, tussen hoofdpersoon en blade runner Rick Deckard en Rachael.”

Is er een link tussen robots en de activiteiten op het Marineterrein?

“Ik zou heel graag een robot-pontje realiseren tussen NEMO en het Marineterrein: robotische bootjes die bezoekers heen en weer kunnen varen. We gaan kijken of we daarvoor vergunning van de gemeente kunnen krijgen.

Verder hebben we in de hal van NEMO wel al een robot staan. Dat is robot Pepper, die Jelle Brandt Corstius vergezelde in de VPRO-serie Robo Sapiens. Bezoekers zijn dol op Pepper.

Daarnaast werken we aan een tentoonstelling over big data in onze dependance op het Marineterrein. Wat we daarin graag willen laten zien, is dat het verzamelen van data niet iets is van de 21e eeuw, maar al een lange geschiedenis heeft. Met de uitvinding van de landbouw vonden mensen ook allerlei vormen van het verzamelen van data uit. Denk aan het bijhouden van de hoeveelheid land, bijhouden hoeveel van jou is en hoeveel van mij, bijhouden wat de opbrengst van het land is en wat de waarde van een stuk land is. En nog later natuurlijk ook de introductie van geld als ruilmiddel. We zijn als het ware van jager-verzamelaars data-verzamelaars geworden.

Het idee van het benutten van data is dus al oud. Het is eigenlijk een deel van onze natuur. Een data-gedreven samenleving zie ik als een onderdeel van het grotere technologische verhaal waarin het samenkomen van allerlei wetenschappelijke ontwikkelingen zorgt voor een explosie aan technologische mogelijkheden. En dat is wat we momenteel zien met robots en kunstmatige intelligentie. Robots kunnen in de toekomst gaan leren van de data die op het internet zwerven, of ze kunnen een soort handen en voeten van het internet worden.”

Hoe denk je over de toekomst van de mens in relatie tot de robot?

“Met androïde robots zoals in Blade Runner zal het in de toekomst denk ik niet zo’n vaart lopen. Dat zit minder in de technologie dan in zaken als de kostprijs en in de vraag wat het voor zin heeft om zo’n robot te maken. Ik denk wel dat we zoiets als robothuisdieren gaan krijgen. Die volgen je beter dan echte huisdieren, je kunt er niet allergisch voor zijn, ze gehoorzamen je onvoorwaardelijk en kunnen je altijd helpen. Voor dit soort robotmetgezellen, als huisdier, maar ook in de zorg, zie ik een grote markt.

Ik zie technologie als een onderdeel van de natuur. Voor mij is een vliegtuig ook natuur, en een computer idem dito. We beschouwen een vogelnest toch ook als natuur, of een spinnenweb? Als je een spin cafeïne geeft, dan verandert het spinnenweb van vorm. Het web is dus een product van de neurale activiteit in het brein van de spin. Op dezelfde manier moeten we de creaties van de mens ook zien als een product van onze neurale activiteit. Dat geldt voor al onze technologie, dus ook voor robots. Ook robots zijn een onderdeel van de natuur.

Ik zou niet zover willen gaan door te zeggen dat technologie helemaal een autonoom organisme is, maar het is wel een onderdeel geworden van het evolutionaire systeem. Het is een gevolg van de evolutie en het gaat almaar door. Als mensen maken wij systemen die onze vermogens voorbij gaan. Ik vind dat een mooi idee. We hebben al robots de ruimte in gestuurd. En misschien gaan robots in de toekomst nog wel een groter deel van het heelal voor ons verkennen. Mensen zijn daar helemaal niet geschikt voor.”

Sunday, May 11, 2008

De hamvraag (17)



Poolblog – Woensdag 7 mei http://www.volkskrantblog.nl/blog/57852

IJsplaten kraken en breken onder de romp van het schip. Breuklijnen snijden tientallen meters door het ijs en splijten het uit elkaar. De helft van de dag zijn we bezig met ijsbreken en deint het schip op en neer. Eindelijk geweld.

Gisteren was het nog dun ijs. Het voelde nauwelijks als ijs breken. Vandaag varen we dichter bij de kust, en zijn de ijsplaten meer dan een meter dik. De Amundsen kan meer dan drie meter aan. Vaak vaart het schip een stuk terug om een aanloop te nemen en een nieuwe ijsschots in stukken te rammen.

We passeren vandaag meer dan twintig Groenlandse walvissen. Ik heb ze allemaal gemist. Steeds op het verkeerde moment op de verkeerde plek. Maar er rest nog wat tijd om ze wel te zien.

Dat voorlopige gemis wordt ruimschoots goed gemaakt doordat ik opnieuw mag meevliegen met de helikopter. Een vlucht van twee uur over het opbrekende zeeijs naar het vasteland aan de Franklin Bay en terug. Het dikkere ijs is spierwit. Het jongere ijs is donkerder. Het hele dunne ijs is bruin gekleurd door de zeeijsalgen, die gretig gebruik maken van het licht dat het ijs doorlaat.



Als ik dit schrijf, zit mijn laatste volle dag op de Amundsen-ijsbreker er voor driekwart op. Als het weer het toestaat, vlieg ik morgen eerst terug naar Inuvik, en een dag later via Edmonton, Calgary en Londen naar Amsterdam.

De Circumpolar Flaw Lead Study (CFL) met de Amundsen begon op 15 oktober 2007 en loopt nog door tot 1 augustus 2008. Daarna hebben de wetenschappers nog twee jaar nodig om alle verzamelde gegevens te analyseren, wetenschappelijke artikelen te schrijven en de CFL-resultaten samen te vatten.

Voor gedetailleerde wetenschappelijke conclusies is het dus nog te vroeg. Wel valt er al wat te zeggen van de ijs- en sneeuwobservaties in de Amundsen Golf. Tijdens de wetenschappelijke vergadering van gisteravond vatte John Iacozza van de Universiteit van Manitoba in Winnipeg er een aantal samen.

“Het opbreken van het zeeijs in de Amundsen Golf begint ongeveer een maand eerder dan gebruikelijk is. Dat is veel sneller dan we aan het begin van de CFL-studie hadden gedacht. Dit jaar is de oostenwind dominant, en niet de noordenwind. Die oostenwinden duwen het ijs van de Amundsen Golf nu snel naar de Beaufort Zee. Als deze winden aanhouden, kan een groot deel van het zeeijs over twee weken verdwenen zijn uit de Amundsen Golf.”

De kapitein maakte een verkenningsvlucht langs de westkust van Banks Island. Hij vertelt: “Zo ver we konden kijken, zagen we open water. Pas ver uit de kust ligt het pakijs op de Arctische Oceaan. Vanuit Sachs Harbour, aan de zuidkant van Banks Island, zou ik zo kunnen doorvaren langs de hele westkust van het eiland. Zeer ongebruikelijk.”

Professor Dave Barber is de leider van het CFL-project en de wetenschappelijk begeleider van een handvol wetenschappers aan boord. Toen ik aan boord ging, kwam hij net van de Amundsen af. Op de CFL-website schrijft hij: “Er is een systematische trend richting later bevriezen, vroeger smelten, een kleiner oppervlak aan meerjarig ijs en dunner wordend ijs.” Volgens hem zijn de veranderingen niet meer toe te schrijven aan een gewone, natuurlijke variabiliteit.

En dan de hamvraag: Is het de klimaatverandering?

Alle wetenschappers die ik aan boord spreek, zijn voorzichtig met hun conclusies. Op grond van wat je in het hier en nu ziet, kun je die conclusie nooit trekken. Je moet harde data analyseren van zo’n drie decennia. Je moet alle puzzelstukjes – wetenschappelijke observaties van het zeeijs, van de atmosfeer, van de sneeuw, van de oceaan, van de poolflora en -fauna, en ook de observaties van de Inuit – bij elkaar voegen. Een hels karwei. En je moet de klimaat- en zeeijsmodellen voor het poolgebied zoveel mogelijk voeden met experimentele informatie. Pas als je dat doet, ja, dan is het waarschijnlijk dat de smeltende pool een gevolg is van klimaatverandering.

Waarschijnlijk…

Als wetenschappers zeggen dat ze nog niet alles weten, vertalen sommige burgers of klimaatsceptici dat als dat ze niets weten. Onzin. Onzekere wetenschap is heel iets anders dan slecht onderbouwde wetenschap. Wetenschap is een proces dat het aantoonbaar onware scheidt van het mogelijk ware. Sommige wetenschappelijke uitspraken zijn heel onzeker, sommige bijna zeker, maar geen enkele is helemaal zeker.

We moeten leren leven met wetenschappelijke onzekerheid, zoals dat in het gewone leven ook het geval is.

Wetenschappelijke kennis zit in de wetenschappelijke gemeenschap. Als meer dan negentig procent van de wetenschappers het ergens over eens is, dan is dat de wetenschappelijke kennis van het moment. Dit is geen garantie dat ze gelijk hebben, maar het is wel de best mogelijke kennis van dit moment. En gaandeweg moet je die kennis durven corrigeren als nieuwe feiten daarom vragen.

Het verschil is dat de wetenschap een oneindig geduld heeft, maar de maatschappij niet.




IJsbreken (16)



Poolblog – Dinsdag 6 mei http://www.volkskrantblog.nl/blog/57852

Om half zeven wordt door de intercom omgeroepen dat we vertrekken. Een half uur eerder dan gepland. Ik stond op het punt een douche te nemen, maar in plaats daarvan kleed ik me snel aan en beklim de trappen naar het bovendek. Ik ben het enige niet-bemanningslid dat net op tijd is opgestaan om het schip te zien vertrekken. De zon schijnt en er is geen wolkje te zien. Donker wordt het in de Amundsen Golf al dagen niet meer.

De Amundsen snijdt door de bevroren vaargeul die hij zelf twaalf dagen geleden heeft achtergelaten. Het ijs splijt met gemak. Lawaai maakt het ijsbreken nauwelijks. We stoppen even om een paar Duitse wetenschappers de kans te geven enkele door het schip gebroken ijsstukken te verzamelen. In een kooi worden de onderzoekers van het voordek naar beneden getakeld. Daar verzamelen ze grote en kleine stukken ijs.

Binnen tien minuten zijn we bij een groot stuk open water. Om zo min mogelijk brandstof te verstoken, zoekt de kapitein de breuklijnen in het ijs op om door te varen. Dat is zelden de kortste weg van A naar B. De helikopter heeft net van tevoren nog een verkenningsvlucht gemaakt samen met de kapitein.

Een uurtje later mag ik zelf met de helikopter mee, een Duitse BO 105, een beetje aangepast voor de Canadese Kustwacht. Hoewel, vandaag is hij een flink aangepast. Op de neus is een twee meter lang meetinstrument bevestigd, waar er maar twee in de wereld van bestaan, allebei in Canada. John Iacozza van de Universiteit van Manitoba in Winnipeg gebruikt het om de ijsdikte en de ijsruwheid te meten vanuit de helikopter te meten.

Ik vraag helikopterpiloot Serge Arseneau of het niet lastiger vliegen is met zo’n fallus op de neus van je helikopter. “Nauwelijks”, zegt hij. “Maar het heeft de wetenschappers wel vijftigduizend euro gekost om aan te tonen dat het instrument aan alle vliegwaardigheids- en veiligheidseisen voldoet.”

De piloot neemt John en mij mee voor een van Johns experimenten. Voor het eerst sinds we met het vliegtuig vanuit Inuvik naar de Amundsen vlogen, nu dertien dagen geleden, zie ik het ijs in vogelvlucht. We zien alle details die verloren gaan in satellietbeelden. Kleine meertjes; lange, smalle geulen; flinterdun ijs; ijseilandjes in open water; schotsen die over elkaar geschoven zijn. Af en toe lijkt het alsof er een gigantisch kristallen glas boven het poolwater in duizend stukken is gespat.

De ijsschots waarin we twaalf dagen lagen geparkeerd, was de grootste in de wijde omtrek. Alles wat ze nu zien, is kleiner. Daarom wilden sommige wetenschappers zo graag in het ijs blijven zitten. Zolang het maar veilig is, doet de kapitein wat de meerderheid van de wetenschappers wil. Maar ook hij had zin om te gaan varen. Zondag zei hij aan het diner: “Het is mijn natuur om te varen, niet om stil te liggen.”

Aan de hand van satellietbeelden heeft John een denkbeeldige lijn in een grote ijsschots gedefinieerd. Over die kilometers lange lijn moeten we heen vliegen. Maar er is een probleem. Het instrument werkt alleen goed als we niet meer dan tien meter boven het ijs vliegen. Liefst op vier meter hoogte. De helikopterpiloot houdt voor de veiligheid echter liefst tien meter aan. Dat is op het randje van wat het instrument nog pikt. Af en toe vraagt John de piloot nog lager te gaan vliegen. Riskant, want de ijsruggen die uit het ijs steken, zijn soms een paar meter hoog.

Later op de dag vraag ik John naar de metingen. “Ik kan ze weggooien”, zegt hij. “We vlogen te hoog. Ik weet niet wat ik moet doen om de piloot zover te krijgen dat hij lager durft te vliegen.” Ik suggereer om dan maar zelf zijn vliegbrevet te gaan halen.

Nadat we die lijn gevlogen hebben, wil John een sneeuwmonster nemen. We landen op een vlak stuk ijs, en John en ik stappen uit de helikopter. Nog geen tien meter van het toestel, wijst John naar beneden. “De voetstappen van een ijsbeer”, zegt hij. Geen ander poolbeest laat zulke grote voetafdrukken achter. We kijken goed om ons heen, maar zien niets. John doet enkele schepjes sneeuw in een zakje en bergt het in een koelbox op. Opnieuw in de lucht, zien we meerdere ijsbeersporen in de sneeuw beneden ons. Maar in de verste verte geen beer.



Na ruim een uur vliegen, duikt het schip weer in ons blikveld op. We naderen het schip van de achterkant en Serge zet het toestel weer veilig neer op het helikopterdek van het varende schip. De Amundsen zet koers naar Cape Parry, de punt van een schiereilandje van het Canadese vasteland. In de jaren vijftig installeerden de Amerikanen hier een radarpost, die in de gaten moest houden of de Russen geen raketaanval over de Noordpool heen uitvoerden. Hetzelfde deden de Amerikanen op veel meer plaatsen in het arctische gebied. De Canadezen stemden stilzwijgend toe. Ze kregen er gratis geautomatiseerde weerstations voor terug.

Onderweg naar Cape Parry stoppen we meerdere malen voor het nemen van monsters van zowel het water als het ijs. Rond half zeven in de avond zetten we een groepje onderzoekers op een grote ijsschots af voor nieuwe ijskernboringen. Een paar uur later pikken we ze weer op.

Voor de nacht parkeert de kapitein de Amundsen in een gigantische drijvende ijsschots. Na een dagje varen ben ik wel weer toe aan ijs.





Snuffeldag (4)


Poolblog – Vrijdag 25 april http://www.volkskrantblog.nl/blog/57852

De eerste volle Amundsen-dag bestaat uit snuffelen. Snuffelen aan elkaar en aan de boot. Eerst stelt iedereen zich voor en daarna maakt de kapitein ons wegwijs in ‘Discipline, safety & savoir vivre’ (de volledige bemanning komt uit Quebec en is dus Franstalig). In totaal zijn we met tachtig personen aan boord. Veiligheid gaat voor alles. Wetenschappelijke instrumenten gaan geregeld in het ijs verloren, maar dat mag met mensen niet gebeuren. Iedereen brengt een kort bezoek aan de boordarts, die je bloeddruk opneemt en in vogelvlucht de grote en kleine kwaaltjes met je doorneemt. Alles in goed vertrouwen, zegt ze. Heel veel heeft ze kennelijk niet te doen, want ze zegt dat je ook mag langskomen voor een praatje.

Wie in zijn eentje het ijs op wil, moet dat kenbaar maken aan het personeel, moet een satelliettelefoon meenemen, een toestel om radiocontact te maken met de boot en extra batterijen die je binnen in je jas warm moet houden. Batterijen hebben een bloedhekel aan kou en kunnen er, als je pech hebt, na een kwartier al de brui aan geven. Vanuit de navigatiehut wordt verder voortdurend in de gaten gehouden wie waar op het ijs rondloopt.

“Je denkt wel dat je maar voor vijf minuten het ijs op gaat”, zegt de kapitein, “maar als je pech hebt worden dat een paar uur.” Als je door een breuk in het ijs gescheiden wordt van de boot, biedt de helikopter die aan boord is redding. Verder van de boot vandaan mag alleen voor wie een geweer meeneemt – en er ook nog mee kan schieten. IJsberen zien er weliswaar aaibaar uit, maar dat denken de beren niet van ons. Eén van de wetenschappers vraagt om een extra schietoefening, om weer een beetje in het ritme te komen. En dus wordt er voor morgen een oefensessie op het ijs belegd.

Later in de morgen meldt de kapitein dat hij vanuit de navigatiehut met zijn verrekijker een ijsbeer heeft gespot, op ongeveer een kilometer van de boot, en dat de beer richting het schip loopt. Als hij te dicht bij de boot komt, wordt er eenmaal op een fluit geblazen. Maar de rest van de dag heb ik geen fluit gehoord.

Na het theoretische blokje discipline en veiligheid worden we ingewijd in de praktische geheimen van de boot. Een rondleiding langs elk dek, vooral langs plekken die essentieel zijn voor de veiligheid: reddingsboeien, reddingsboten, helikopterdek, alarmbellen, rookmelders, brandblusapparaten, brandslangen, speciale deuren die water kunnen tegenhouden, een hok vol met overlevingspakken, en vast nog meer dingen die ik nu vergeten ben (zoals dat vaak gaat met veiligheidsinstructies).

Als enige die nog niet met een wetenschappelijke poolexpeditie is meegevaren, mag ik me in zo’n waterdicht survivalpak hijsen, waarmee je in geval van nood de poolzee in kunt springen. Het oppervlaktezeewater is hier -1,7 graden (zout werkt vriespuntverlagend) en hoewel het pak je droog houdt, houdt het je niet lang warm. Het is meer uitstel van executie – hopen dat er op tijd hulp komt. Ik krijg ook praktische instructie hoe ik een menselijke ketting moet vormen voor het geval ik met meerdere lotgenoten tegelijk in het water beland. Dicht tegen elkaar aan, en goed vasthouden.

O ja, aan het savoir vivre werd vandaag de minste tijd besteed. De bar is geopend op dinsdag, donderdag en zaterdag van acht tot elf ’s avonds. Er moet altijd een principal scientist een oog in het zeil houden…op zijn minst om het aantal consumpties p.p. te tellen. Vijf is de limiet.

Niemand waagt zich vandaag nog op het ijs, behalve enkele doorgewinterde bemanningsleden die nagestuurde wetenschappelijke instrumenten gaan ophalen van een vliegtuigje. En dus hou ik het ook bij het bovenste buitendek, dat een subliem uitzicht biedt op het inmiddels bevroren spoor van de Amundsen in de omliggende poolwoestijn. Ik sta als enige op het dek. Mijn savoir vivre van vandaag. Even navragen leert dat we nu op 71,0450 graden noorderbreedte zitten, en 123,2580 graden westerlengte. De zon schijnt. Het is 16 graden onder nul en er staat nauwelijks wind. Behalve wat geluid van de boot is het muisstil in de omgeving. De zon staat laag aan de hemel, maar de schittering op het besneeuwde ijs is oogverblindend, en zonder zonnebril gaan je ogen snel pijn doen.

Om de nieuwe lichting gisteren op te pikken, en het vliegtuig te laten landen, moest de boot voldoende dik ijs opzoeken. Hij heeft zich vastgevaren in het ijs – hier ongeveer anderhalve meter dik en minder dan een jaar oud – en de bedoeling is dat hij hier zo lang mogelijk blijft liggen. In ieder geval tot het ijs gaat opbreken. De wetenschappers die meten aan zee-ijs, willen liefst zo lang mogelijk aan hetzelfde ijs meten.

Het moment waarop ‘ons’ zee-ijs opbreekt, kan over een uur zijn, maar dat kan ook over tien dagen zijn. Dat is zo’n beetje het verwachte maximum. En als dat het geval is, dan zal ik met de Amundsen weinig varen. Overigens is dat stil liggen relatief. Zee-ijs ligt nooit stil. We drijven met het ijs mee, met een driftsnelheid van ongeveer een kilometer per uur. Ik heb geen idee waarheen.

Eindelijk aan boord (3)


Poolblog - Donderdag 24 april http://www.volkskrantblog.nl/blog/57852

Het is vijf uur in de nacht als we met een B737-200 van het vliegveld in Winnipeg opstijgen. Zonder bagage in te checken, zonder security-controle, zonder paspoort te laten zien. Gewoon namen afvinken op een lijstje. En met aan aangename babbel met de piloot.

Aan boord: zo’n veertig onderzoekers, een tiental bemanningsleden van de Amundsen-ijsbreker en twee journalisten, een Canadese collega-freelancer en ik. Tweeënhalf uur tot een brandstofstop in Yellowknife, en vervolgens nog anderhalf uur tot Inuvik.

John Iacozza, zee-ijsonderzoeker van de Universiteit van Manitoba gaat al voor de veertiende keer mee met zo’n soort expeditie. Hij vertelt over de grote veranderingen die optreden in het zee-ijs. Het wordt dunner, de oppervlakte neemt af, het smelt eerder, er is nauwelijks meer ijs dat aan het vasteland vastzit en het gedraagt zich veel onvoorspelbaarder dan gebruikelijk is. Iacozza bestudeert vooral wat deze veranderingen voor de ijsberen in petto hebben. “De ijsbeer zoekt relatief stabiele plekken op in het zee-ijs”, zegt hij. “Die stabiele plekken verschuiven echter meer en meer noordelijk. In de Amundsen Golf zijn ze steeds minder te vinden. Daar hebben ze minder zeehonden om op te jagen. We hebben al een paar maal mannetjesijsberen gezien die puur van de honger de kleintjes van een vrouwtje opaten.”

Om half tien landen we in Inuvik. De zon schijnt en de thermometer houdt het bij -10. We worden in negen groepen ingedeeld, die een voor een met een Twin Otter-toestel naar de Amundsen-ijsbreker worden gevlogen. Ik zit in groep zeven. Het zal nog tot vijf uur ’s middags duren eer we eindelijk koers zetten richting de Amundsen, met uren vertraging, en als laatste groep. Er moest wat gesleuteld worden aan het vliegtuig. Het arctisch gebied is dol op verrassingen, of het nu het weer is, het ijs, of de techniek.

Tijd te over om op het vliegveld van Inuvik alvast een flink deel van de onderzoekers aan de tand te voelen. Zo vertelt Jens Ehn over een incident van twee maanden geleden. De Twin Otter had net een verse groep onderzoekers op het ijs afgezet, toen het ijs precies tussen de groep en de boot begon te scheuren en ze van elkaar af begonnen te drijven. Uiteindelijk zat er niets anders op dan de boot uit de ene ijshelft te manoeuvreren en in de andere ijshelft te varen en daar de onderzoekers op te pikken.

De dansvloer van de duivel, noemen sommigen het zee-ijs. Zo onvoorspelbaar is het.

Vorige week nog speelden Amundsen-bemanningsleden ijshockey op een zelf afgebakend stukje zee-ijs vlakbij de boot. Na een half uur begon het veld in tweeën te breken. Een paar uur later was de breuk uitgedijd tot tientallen meters.

Om vijf uur verlaten we Inuvik en vliegen we naar de boot. Het uitzicht is onwerkelijk. Opeens wordt het besneeuwde vasteland omgetoverd tot besneeuwd zee-ijs. Overal lopen breuken. Soms flinterdun, soms tientallen meters breed. Een mozaïek van ijsschotsen drijft op de Amundsen Golf. Puzzelstukjes die uit elkaar schuiven. Kunstzinnige geometrie.

En dan, na een kleine twee uur, komt het ijs steeds dichterbij. Ineens duikt in de verte het rode schip op. Eén enkele rode stip in het witte landschap. Op het ijs is een landingsbaan geprepareerd, en geruisloos landt de Twin Otter op de bevroren Amundsen Golf. Nu is het echt koud, en is mijn poolkleding eindelijk geen luxe meer. Razendsnel gaat de bagage van boord. En voor we het weten staan we in een geïmproviseerd houten karretje dat achter een sneeuwscooter hangt. De scooter stuitert over het ijs naar de Amundsen. We kieperen net niet om.

Na drie dagen reizen, en met een heleboel verloren uren slaap, beklim ik de loopplank naar het dek.