Showing posts with label Reisverhalen. Show all posts
Showing posts with label Reisverhalen. Show all posts

Saturday, August 16, 2008

Four days in Baku (Azerbaijan)


Baku Beauty: our friends Nika, Nara, Natasha and Del flying over Baku...


Nara and Nika


Nika, Natasha and Nara

Me in the Palace of the Shirvanshakhs in Baku's old town




The old town of Baku



Baku by night



Tea party with Natasha, Nika, Del, Nara and Monika



The Palace of the Shirvanshakhs



Dancing in Qobustan





Saturday, February 9, 2008

Puffins als toetje

Eerder gepubliceerd op www.amerika.nl in 1997

Jim, de breedbesnorde baas van het Backpackers’ Hostel, staat wijdbeens in het hoge gras, slingert z’n lasso een aantal malen rond en gooit hem trefzeker richting een stoel die tien meter verderop staat en is voorzien van horens. Hij heeft beet en met gretige halen trekt hij zijn wilde stier naar zich toe. Een jaar geleden heeft een paard Jims been op meerdere plaatsen gebroken waardoor hij z’n werk op een ranch op het Canadese vasteland tijdelijk heeft moeten opgeven. Om de tijd te doden is hij aangesteld als baas van het Backpackers’ Hostel in Tofino, een dorpje aan de westkust van Vancouver Island. Hij heeft als opdracht de slechte reputatie van het Hostel, verkregen door het overvloedige blowen en feesten van haar hippieachtige bezoekers, op te poetsen. Terwijl de oorspronkelijke Indianen al lang uit Tofino verdwenen zijn, rookten post-hippies er tot voor kort massaal hun eigen vredespijp. In z’n vrije tijd geniet Jim, als iedere andere bezoeker van Tofino, van de overweldigende natuur hier aan de Pacific. En hij moet de kunst van het lasso werpen op peil houden, voor als hij weer terug kan naar de ranch en z’n lasso weer om echte stieren en paarden moet gaan gooien.

Het vooruitzicht van walvissen, regenwoud en stranden aan de Pacific, heeft ook Chris en mij naar Vancouver Island gelokt. Ik kwam Chris tegen in Vancouver waar ze deelnam aan een stromingsleerconferentie. Ze wilde op zee kajakken en walvissen zien. Stromingsleer in het groot, zegt ze. Zo nemen we eerst de boot naar Nanaimo. Van daaruit verder met de bus naar Tofino, dat is het idee. Maar we zijn te laat voor de enige bus die per dag naar de westkust gaat. Dan maar liften. Een familie van Indiaanse afkomst, vader, moeder en vier kinderen, pikt ons in hun grote auto op aan de oostkant van het eiland, in Nanaimo – van het Indiaanse Sne-Ny-Mo, ‘Waar de grote stam woont’. Hier vonden de Indianen in 1850 ‘een zwarte steen die kan branden’. De kolenindustrie bracht de familie Dunsmuir vervolgens een fortuin, maar ruïneerde de Indiaanse cultuur, zegt de vader. Moeder, met het jongste kind op schoot, zet dan een cassettebandje aan met Indiaanse trommelmuziek, maar de drie kinderen achter haar beginnen meteen te klagen. “Niet deze muziek!” Moeder bindt snel in en krijgt van haar dochter een ander bandje aangereikt. Zo rijden we op een houseritme verder door de stromende regen. Het ritme van de regendruppels verslaat het houseritme glansrijk. Het jongetje met de Chicago-Bulls-cap op zegt dat ze een oom in Tofino hebben waar we kajaks kunnen huren. Als we even later uitstappen in Port Alberni stopt hij ons een handvol folders toe. Eco-uitstapjes vanuit Tofino: walvissen, kajakken, regenwoud, warmwaterbronnen. Get away from civilization and into the quiet inlets of the...West Coast!, aldus de folder van Seaside Adventures. Binnen een mum van tijd krijgen we een volgende lift die ons langs besneeuwde bergtoppen en door het Pacific Rim National Park precies voor de deur van het Backpackers’ Hostel afzet, op het punt waar de weg ophoudt. Voor het Hostel een bordje For Sale. Maar Jim komt ons geruststellen. Vooralsnog blijft het Hostel bestaan en vinden we onderdak.

Tofino bestaat ‘s zomers ongeveer voor de helft uit toeristen, zegt Jim. Het Hostel is dan ook goed gevuld. Joel uit Québec – Hoe zijn de magic mushrooms in Amsterdam? – is alleen gekomen om in alle rust te blowen, op het strand aan de Pacific, of gewoon op het houten terras van het Hostel. Binnen heeft Jim het gebruik inmiddels verboden. Peter uit Australië –Normaal ben ik niet, maar wat moet ik met normale mensen? – is naarstig op zoek naar werk. Z’n geld is bijna op en hij wil hier wel een paar maanden blijven. Hij zwerft al tien jaar rond de wereld, her en der klusjes aannemend om geld te verdienen en weer verder te reizen. Hotelbediende op de Shetland Eilanden, stadsgids in Edinburgh, kelner in Victoria. Chris uit Toronto – man van de piepjes en de bliepjes – wil gewoon z’n saaie baan als geluidstechnicus vergeten in de stilte van Tofino. Op het terras glijdt de avond weg in de nacht, raken volle flessen en blikjes snel uitgeput en vermengen Engels, Duits en Frans zich onder de sterrenhemel tot een Babylonische spraakverwarring. In de vroege ochtend zie ik een wasbeer die rondsnuffelt tussen de op het terras achtergelaten resten van de vorige nacht.

De volgende avond wandelen Chris en ik naar het haventje van Tofino en we zien nog net hoe grote pakken levensmiddelen en toiletrollen verdwijnen in een boot. De Indianen die vroeger in Tofino woonden hebben hun toevlucht gezocht op een tegenover liggend eiland. Maar eens in de paar weken leggen ze hun boot aan de steiger van Tofino en gooien hem vol. Zo snel als mogelijk varen ze daarna echter terug naar hun kleurrijke houten hutten aan de overkant. Een enkele Indiaan is in het dorp blijven wonen en verdient wat met de schilderijen die hij maakt en tentoonstelt. Maar op de een of andere manier lijkt commerciële Indianenkunst je altijd achter te laten met een soort schuldgevoel. Indianen en American Express-stickers, dat vloekt met elkaar. Jim waarschuwt ons om de voordeur altijd goed achter ons dicht te doen. “Er lopen in het dorp een aantal natives rond in vrijwel permanente staat van dronkenschap”. Net als de Aboriginals grijpen ze naar de fles als laatste houvast. “Als de deur open staat lopen ze zomaar binnen”, zegt Jim.

Een dicht regenwoud strekt zich aan deze westelijke kant van het eiland uit. De temperatuur is er verre van tropisch, maar de hoeveelheid regen wel degelijk. Groen, groen en nog eens groen. Bomen van meer dan duizend jaar oud, soms twintig meter in omtrek. Jim raadt ons aan op de paden te blijven in het woud. “Als je ervan af gaat wijken is de kans klein de weg terug te vinden. Alles lijkt op elkaar en ik ben wel eens uren verdwaald. Het geluid van spelende kinderen bracht me uiteindelijk terug op m’n pad”.
Met de twee Chrissen uit het Hostel wil ik per kajak naar het regenwoud. En zo peddelen we samen met een gids en met Billy Bob, een Canadees met een grote baseball cap, op de eerste zonnige middag sinds weken van Tofino naar Meares Island. We leggen de kajaks aan bij de rand van het regenwoud. Op de achtergrond kijken majestueuze bergen toe. Ik waan me een heuse Indiaan. Onze gids vertelt hoe hij hier eens met z’n kajak aanlegde en bij één van die gigantische bomen een cameraploeg met een complete cateringservice aantrof. “Er bleek een promotiesessie opgenomen te worden voor een nieuwe plaat van Peter Gabriel. Alles moest per kleine bootjes worden aangevoerd. Transport door het woud is onmogelijk. Dezelfde boom heeft ook de National Geographic gesierd. Maar de wouden worden bedreigd door de houtkap. Regelmatig trekken milieugroeperingen met overgebleven groepen Indianen ten strijde tegen de grote houtkapbedrijven die werkzaam zijn op het eiland. Het in Vancouver opgerichte Greenpeace heeft hier in z’n kielzog vele kleinere milieu groeperingen doen ontstaan. De ongelijke strijd van milieu tegenover kapitaal en arbeid. In heel Brits Colombia, de provincie waartoe Vancouver Island behoort, zijn 750.000 mensen werkzaam in de houtkapindustrie, zegt de gids. Terwijl hij uitwijdt over de strijd tegen de houtkap, stelt Billy Bob, die veruit het hoogst liggende zwaartepunt onder ons peddelaars heeft, zich voor als chef bij een van de houtkapbedrijven. Even is de gids met stomheid geslagen. Billy Bob beweert dat ze heus niet zo onbezonnen kappen als wel wordt gesuggereerd. “Soms weigeren de houthakkers om stukken bos met zeldzame oude bomen te kappen. De adelaarsnesten die zich hier en daar hoog in de bomen bevinden moeten ook gespaard blijven”, zegt hij. Dat we op deze ecotocht al lang niet meer de eersten zijn is duidelijk als we even later een houten wegwijzer richting hemel gericht zien. Hoog in de bomen zien we een verlaten adelaarsnest.

Op de weg terug peddelt Billy Bob ver voor ons uit naar Tofino. Zijn vrouw wacht hem daar op en die houdt niet van te laat komen. De twee enorme adelaarsnesten die we onderweg op een klein eiland passeren zullen hem wel ontgaan zijn. Twee Bald Eagles kijken ons vanuit de hoogte niet begrijpend aan met hun witte koppen. Even later passeert op volle snelheid een rubberboot met in een soort rode poolpakken gehesen toeristen. Onze gids legt uit dat ze op zoek gaan naar walvissen die tussen Mexico en Noord Canada migreren en dus hier langs komen. De volgende dag hijsen we ons voor vijftig dollar zelf in die warme, rode pakken en gaan met een snelheid van zestig per uur op zoek naar zeehonden, zeeleeuwen en walvissen. Puffins waren ons weliswaar niet beloofd, maar die krijgen we er als toetje bij. De twee puffins die we op het water zien moeten in een goede bui zijn om niet meteen op de vlucht te slaan voor onze aanstormende ecoboot. Wel duiken ze snel kopje onder als de motor weer op volle toeren begint te draaien. Voorin de boot worden we dan in een rodeo losgelaten. De golven smijten ons meer dan een meter de lucht in waarna we met een harde klap telkens weer op het water neerslaan. Arme vis die net een luchtje wil scheppen.

Terug in het Hostel stormt een briesende Peter binnen. “Ik heb geen tieten”, roept hij boos. “Het is altijd hetzelfde. De baas wil alleen maar naar een vrouw kunnen kijken”. Hij was gaan informeren naar een baan bij een klein locaal restaurant, maar de baas wilde een vrouw en dat was nou net een van de weinige eisen waaraan hij niet kon voldoen. Jaren ervaring, zegt hij, en dan zo afgescheept worden. Hij heeft geen geld meer en moet werk vinden. “Het is niet in mijn handen”, zegt hij, “maar zo leef ik al tien jaar en het zal wel goed komen. Desnoods ga ik voor een tijd naar Victoria terug om daar weer kelner te worden en wat geld te verdienen”. Hij moet en zal hier een paar maanden blijven. Voor de natuur, maar ook voor de mensen.

Tofino, caleidoscopische mengeling van dolende wereldreizigers, mediterende Oibibiocursisten, post-hippies, stoere houtkappers, Gore-Tex-buitensporters en ontheemde Indianen. Is dat de reden dat op mijn wereldkaart met een schaal van 1:27.500.000 dit dorp met 1100 inwoners z’n eigen cirkeltje heeft?

De kunst van het alledaagse

“You won’t be missing much if you bypass the town”. Ik hou van deze zin. En ik hou van reisgidsen met deze zinnen. Een reisgids is een richtingaanwijzer. Het merendeel van de mensen volgt de richting van de richtingaanwijzer. Als je deze trivialiteit begrijpt, wordt reizen pas echt interessant, en kun je, het devies van je reisgids in de wind slaande, in Ustka terechtkomen.

Van oudsher is Ustka een visserplaatsje. De twee mooiste straatjes in Ustka danken hun schoonheid aan de oude vissershuizen waarvan vooral de zachte kleuren groen, bruin, geel en blauw opvallen. Wie denkt er dat Polen grijs en grauw is? Op één huis tref ik aan de zijkant de schilderingen aan van twee bloemen die deel uitmaken van de locale folklore. Bloemen die ook het servies van ons hotel sieren, als symbolen van Kachubië, het gebied waarin we ons bevinden. Aan de rand van sommige straatjes die nu geheel bedekt zijn met een dikke laag sneeuw, staan rijen fraaie knotwilgen. Straatjes met namen als Chopin-straat, Mickiewicz-straat en de onvermijdelijke Derde Mei straat. Aan de weg van de begraafplaats naar de kerk liggen huizen die allen bordjes dragen met daarop zowel het huisnummer als de straatnaam. Blauwe bordjes met witte letters en cijfers. Met blauwe verf is de naam Ulica Stalingradu doorgestreept en erboven met witte verf vervangen door een nieuwe naam die ik mij helaas niet meer kan herinneren.

Van deze ‘voorheen ulica Stalingradu’ loop ik naar de voorkant van de kerk waar ik een geschikte plek uitzoek om een foto te nemen. Als ik het juiste moment afwacht voor de foto, word ik op de schouder getikt. Een man van een jaar of zestig kijkt me doordringend aan. Ik ruik alcohol, ik probeer zijn stoppelbaard te doorgronden. Hij vraagt me waarom ik een foto neem, althans dat is wat ik uit zijn vraag in het Pools meen op te maken. In gebrekkig Pools probeer ik hem te antwoorden dat ik vanaf hier gewoon een mooi zicht op de kerk heb en op de mensen die er voorbij wandelen; en dat de zon mooie schaduwen werpt op de sneeuw, denk ik, niet wetend hoe ik dat in het Pools moet zeggen.

Onwillekeurig probeer je vaak razendsnel te beoordelen of iemand je met goede of met kwade bedoelingen aanspreekt. Hier sta ik een hele tijd in dubio. Wat wil deze man? Zelfs als hij het woord ‘document’ laat vallen ben ik nog zo in twijfel dat ik hem vriendelijk uitleg dat ik Nederlander ben. Pas als hij begint over meegaan naar de politie begrijp ik zijn bedoelingen, en waan me meteen in een Polen waarvan ik dacht dat het verleden tijd was. Een poging om het met de politie op een akkoordje te gooien en mij wegens anticommunistische fotografieactiviteiten wat geld afhandig te maken. Ik probeer kalm maar overtuigend ‘nie, nie’ te zeggen, maak een wegwerpgebaar en loop ogenschijnlijk rustig verder, onderwijl mezelf verwijten makend dat ik toch sneller en zelfbewuster had kunnen handelen. Bovendien schiet me te binnen dat ik een mooie portretfoto had kunnen maken van deze oude man voor wie het IJzeren Gordijn nog werkelijkheid leek te zijn. Zo had ik hem in grote verlegenheid kunnen brengen en mezelf een ongemakkelijk gevoel kunnen besparen.

Op straat lopen veel kinderen met sleetjes, ouders met kinderen op een sleetje, en kinderen met kleinere kinderen op een sleetje. Ik loop langs de kleine haven naar de vuurtoren. Vanaf de vuurtoren loopt een pier loodrecht de Baltische zee in. Aan het uiteinde van de pier rijst een metalen zuil de lucht in, klaarblijkelijk nog een lichtbaken, met een metalen ladder eraan vast gemaakt. Hele rijen ijspegels strekken zich als de grijpgrage klauwen van een ijsheks vanaf de toren en de ladder in de richting van de aarde uit. Vanaf de pier kijk ik uit op de golven die steeds meer sneeuw tegen het toch al witte strand lijken op te werpen. Een witte wal wordt op het grensvlak van zee en strand geboren, en elke dag wordt de wal dikker en dikker. Op regelmatige afstanden van elkaar dringen door die wal nog net rijen houten palen de zee in. Onthoofde, eenzame zuilen, zonder dak om te ondersteunen. Dikke ijsmantels hebben de palen om zich heen geslagen alsof ze de pionnen van de ijsheks zijn. Hier en daar zwemt een verdwaalde, verkleumde eend tussen de palen door, terwijl de meeuwen vooral op de sneeuwwal een rustplaats zoeken, ook al omdat mensen daar zo nu en dan wat brood neerleggen.

Het is niet overvloedig druk, maar het zonnige middaguur lijkt toch menige inwoner te verleiden tot een wandeling langs de zee. Vooral veel oude paren, soms een jong paar en veel ouders en grootouders met kinderen. De oudere dames zijn bijna steevast in bontjassen gekleed, de oudere heren in stijf en ouderwets uitziende lange jassen, vaak met bont beklede brede kragen, de kinderen en jonge volwassenen in moderne jacks. Een generatieconflict is zichtbaar in de kleding, zoals dat overal in Polen te zien is. Jong heeft werk en geld en kent dezelfde reclamebeelden en ‘glossy magazines’ als in het westen, oud heeft nu weinig of geen werk meer en weinig tot geen geld en leeft met het hoofd vaak nog in een als sneeuw voor de zon verdwijnend communistisch verleden. Voor een verzorgingsstaat is nog geen geld, of, beter gezegd, er is veel geld, maar het is in handen van mensen die de tijd van de veranderingen handig hebben aangegrepen om snel een fortuin te verdienen, en dat waarschijnlijk niet voor een verzorgingsstaat over hebben. Het oudere deel van de samenleving heeft haar hele leven gewerkt onder, en wellicht voor – ik twijfel altijd welk voorzetsel te gebruiken – het Socialisme en moet daar nu de ongewilde en onverwachte tol voor betalen. Zeker in Warschau is het van vele gezichten af te lezen. Hier valt het wat dat betreft wel weer mee. Het lot kent geen deugd-, plicht-, nuts- of welke andere ethiek dan ook, en de nieuwe rijken, die wel de middelen hebben om het lot te sturen, hebben zo hun eigen investeringsproblemen en hebben het te druk voor ethische vragen. Maar dat is bij ons niet anders.

Een klein eindje boven het strand verheft zich een promenade waar in allerijl nieuwe, typisch Westers uitziende eet- en drinkgelegenheden worden gebouwd. Veel glas, veel recht, veel wit, en in de nabije toekomst zeker ook veel schreeuwende reclame. Ik zie de metamorfose van Ustka tot een klein Scheveningen al voor me. Als ik later hoor dat de eigenaar van ons hotel, dat pas een aantal maanden geleden open is gegaan, al met diverse Nederlandse reisbureaus contact heeft gelegd, weet ik het zeker. Ook hier gaat de wereld meer en meer op de onze lijken. We drinken een glas thee met een schijfje citroen in een nog wel Pools uitziende ‘restauracja’. Het wisselgeld is iets van anderhalve zloty, maar in eerste instantie hebben ze geen kleingeld om terug te geven. Dan brengt een dame ons een plastic zakje met daarin honderdvijftig kleine muntjes van één grosche. Is de oude sok van oma soms omgekeerd? Ik bewaar het maar als onbedoelde souvenir.

Het is een paar dagen na kerstmis als we naar een kerstconcert willen gaan dat wordt gehouden in de plaatselijke kerk. Als we de kerk, net voor de officiële aanvangstijd van het concert, binnen willen gaan is deze stampvol met mensen die nog een uitgelopen mis bijwonen. Luidsprekers zorgen ervoor dat de mis zelfs in de strenge vrieskou buiten is te horen. Alhoewel het kerstconcert is aangekondigd als een verzameling van internationale kerstliederen, zijn alleen het eerste en het laatste lied voor mij herkenbaar. Maar dat is voor dit stadje al een hele concessie, en waarom ook niet; de Westerse commercie dringt al snel en diep genoeg door. Mogen ze hun eigen liederen dan nog behouden? Een drietal jongens die ik de kerk had zien uitkomen toen wij er naar binnen gingen herken ik twee uur later in de bioscoop bij de film ‘Kids’, een film over het onbezonnen seksuele gedrag van een stel Amerikaanse tieners. Er draaien bijna alleen maar Amerikaanse films.

De mooiste winkel van het hele stadje is een drankenwinkel met evenveel soorten wodka als er sterren aan de hemel staan. De winkel is groot en netjes geordend, met veel glas en van binnen zo uitbundig verlicht dat het naastgelegen pleintje er het meest van z’n verlichting vandaan haalt. De muren van de winkel zijn roze geschilderd. Als het buiten donker is, en dat is het hier in deze tijd van het jaar al om een uur of vier, ligt hier een paradijselijke oase van licht, een paleis in dit stadje, betaald door koning Alcohol. De oude man die mij uitnodigde naar het politiebureau zal hier wel vaste klant zijn.

We gaan eten in een restaurant dat in alles doet denken aan de communistische periode. Koud, sfeerloos, geen verlichting, zelfs geen kaars, ondanks dat het al begint te schemeren. Of zie ik wat ik wil zien, probeer ik mijn voorstellingen van een communistisch Polen alsnog bevestigd te zien? Ik probeer mijn eigen achtergrond en vooroordelen zoveel mogelijk van me af te zetten, maar in hoeverre lukt dat? Mijn geest is al lang geen tabula rasa meer. Wel staat tegenover ons, ver in de hoek, een klein kerstboompje met een feestverlichting waarbij steeds meer lampjes aangaan tot ze allemaal branden, en de kermis weer van voren af aan begint. Zelfs de planten staan en hangen er vol droefenis bij. Er is alles aan gedaan om je niet thuis te laten voelen. De wand is bedekt met ronde stukken glas afkomstig van de bodems van flessen; een enkel nietszeggend schilderij.

De bediening is onvriendelijk, en het personeel schreeuwt tot vervelens toe door het restaurant. Ongevraagd krijgen we meteen als we de laatste hap op hebben de rekening gepresenteerd. Klantvriendelijkheid is hier een vies woord. We geven geen fooi zodat alle plooien van de serveerster die ons had bediend precies in de verkeerde richting krom trekken. Ik ben niet meer verrast door deze bediening, maar echt wennen doe ik er ook niet aan. Wel is het makkelijker om te accepteren en erom te lachen. Het houdt je ook een spiegel voor, waarin je jezelf als door en door verwende westerling ziet. En waarom wij wel en zij niet? Er is geen antwoord op die vraag. Wij zaten comfortabel en oer-Hollands gezellig aan de ‘goede’ kant van de muur. Aan de andere kant bedenk ik dat allerlei typische Oost-Europa-ervaringen wel weer hun eigen charme hebben, en dat ze vaak tot verhalen hebben geleid die je nog eens op een feestje kunt vertellen. Nee, saai is Oost-Europa in ieder geval voor westerlingen zeker nooit geweest, integendeel.

Als we de volgende avond rond een uur of kwart over zeven ergens anders willen gaan eten, blijken alle gelegenheden die we willen proberen al gesloten ondanks het feit dat de meeste officieel tot half acht of acht uur open zouden moeten zijn. Maar goed, de dagen rond kerst en Nieuwjaar zijn geen normale dagen, en zo stipt en strikt als in Nederland zijn ze hier gelukkig nog niet.

Als we op 2 januari de trappen afdalen op weg naar de boemeltrein Ustka-Swupsk om van daaruit via Sopot en Gdansk terug naar Warschau te reizen, bekruipt me een klein gevoel van heimwee naar Ustka. Dit logenstraft voor mij meteen de bewering in de reisgids. Als ik het gevoel heb ergens een klein worteltje te hebben geschoten, dan is mijn verblijf aldaar meer dan de moeite waard geweest. Niet dat er in Ustka wereldwonderen te aanschouwen zijn. De vuurtoren van Ustka kan noch met de vuurtoren van Alexandrië, noch met de toren van Babel wedijveren. Maar wereldwonderen zijn zo voorspelbaar. Iedereen weet al hoe de piramides eruit zien. Maar hoe is het leven in Ustka? Hoe zien de mensen er uit, waar zoeken ze hun vermaak, hoe zien winkels en markten er uit, hoe is de sfeer? De ogen goed de kost geven om niet voorbij te gaan aan het alledaagse, dat is de kunst. Nee, de journaals zal Ustka niet snel halen. Toch is het een Poolse microkosmos. Ook vandaag geen nieuws uit Ustka.

Zwaveldamp en kasteelruïne

Kudowa Zdroj heette Bad Cudowa, Klodzko noemde men Glatz en Wroclaw stond als Breslau op de kaart. Wat nu Neder-Silezië heet, was toen Sudetenland. De Sudeten-Duitsers moesten na de oorlog vertrekken. Voormalig Duitse kuuroorden en kastelen doorstonden de tand des tijds en wachten nu op nieuwe bezoekers.

“Ik heb afschuwelijke pijnen, niet alleen tijdens het lopen maar ook bij het zitten. Als ik ’s morgens uit mijn bad klauter, dan heb ik heel wat werk met de twee stenen trapjes, kuchend en zwetend hijs ik mij aan de leuning omhoog, heb nauwelijks nog de kracht om het badlaken om me heen te slaan...Ik ben in acht dagen een oud man geworden.” Dat schrijft de Duits-Zwitserse schrijver Herman Hesse in de novelle Kurgast uit 1924. De helende werking van mineraalhoudend natuurlijk bronwater is al bekend sinds de Grieken, maar kennelijk kent het kuren ook zo haar schaduwzijden.

Water dat ruikt naar rotte eieren, roestwater, zout water, koolzuurhoudend water, radioactief water, water waarin conifeernaalden als theebladeren trekken, stoom, modder – het wordt allemaal wel gebruikt ter bestrijding van een of andere lichamelijke aandoening. Elke natuurlijke bron kent zijn specifieke chemische samenstelling, een vingerafdruk van de geologische geschiedenis van de streek.

In Neder-Silezië in Zuidwest-Polen liggen binnen tweehonderd kilometer tien kuuroorden. Het voormalig Duitse Bad Cudowa is nu het Poolse Kudowa Zdroj. Zdroj is ‘Bad’in het Duits. In de nabije omgevig vind je andere kuuroorden met namen als Duszniki Zdroj, Polanica Zdroj en Ladek Zdroj.

Rond 1900 bereikte de kuurculuur haar hoogtepunt. De gegoede burgerij probeerde er tot rust te komen. Kuren was in. Geest was mode. Het was de tijd van Freud. Bovenal moet het kuren de geest tot rust brengen in die tijd. In de loop van de 20e eeuw kwam de klad in de aloude kuurtraditie. Maar er is een kentering gaande, en dus worden de Neder-Silezische kuuroorden gemoderniseerd. Stoffige, donkere krochten, waarin je je al bij binnenkomst bedrukt en bedroefd voelt, veranderen in lichte, vrolijkere gangen. Gezelligheid rukt op. Alleen dan is er voor de Midden- en Oost-Europese kuuroorden hoop op klinkende euro’s. De moderne mens, gebukt onder permanente tijdsdruk, wordt hier voorbereid op een hernieuwde kennismaking met helend water waarin tijd voor even moet ophouden te bestaan.

Groepen Duitsers en Scandinaviërs landen al geregeld in Pools kuurwater. Nederlanders hebben geen kuurtraditie en zijn moeilijker warm te krijgen voor het bedwelmende baden. Calvinisten zijn gewend lichaam en geest te scheiden en dat is nou net tegen de essentie van het kuren. Ja, Hollandse reumapatiënten schijnen wel al te komen, hoor ik.
Ladek Zdroj is het oudste Poolse kuuroord. Ik krijg een handdoek, kan me omkleden in een moderne douchecabine en loop daarna naar het klassieke ronde bad. Klassieke muziek galmt rond. Ik stap het warme water in. Ik ruik de zwavel. Met een paar lange halen ben ik aan de andere kant. Dit is geen bad om te zwemmen, maar om te dobberen; je lichaam rustig op het water laten drijven, als een dode pier. Voor het kuren moet je rust in je kop hebben. Het ronde bad kent een paar nissen. Je kunt er zitten op een van de treden en je lichaam toevertrouwen aan de mineralen, aan het water. Rustig ademen, de geest bevriezen.

Het moet gezegd: na een half uur weken heb ik het gevoel dat het water me high heeft gemaakt. Alsof ik opeens individuele hersencellen voel. Maar enige tijd later slaat er ook vermoeidheid, slaperigheid toe. Is dit het verborgen wapen dat ook Hesse trof?

Na de onderdompeling in het zwavelhoudende water, rijden we naar een kasteelruïne. Nog enigszins loom stap ik met mijn reisgenoten het donkere kasteelcafé binnen. Als we een overheerlijk donker kasteelbiertje hebben weggeklokt in deze cafékrocht, lopen we een nauwe, steile trap op waarvan de treden lichtelijk zijn afgebrokkeld. Geelbruin gruis stuift naar beneden. Om ons heen krioelt een twintigtal honden, de ene helft wit, de andere helft zwart. Ze passeren ons links en rechts en door de benen, blaffend, maar meer op een speelse dan op een agressieve manier. Het kasteel is hun thuis, niet het onze. Boven aan de trap laat de kasteeleigenaar ons door een deur glippen, terwijl hij de honden naar beneden dirigeert.
Als de deur veilig achter ons dicht klapt en de honden de vreemde gasten nog luidkeels nablaffen, toont de eigenaar ons een schilderij: een huilende wolf (of is het een van zijn honden?) op de voorgrond en een door de volle maan oplichtend kasteel tegen de achtergrond. Dat oplichten ziet er echt zo uit, zegt hij. Intrigerende man, deze kasteelheer.

Palac Kamieniecki, zoals het kasteel in het Pools heet, ligt ten zuiden van Wroclaw, in Neder-Silezië. Voor de Tweede Wereldoorlog behoorde het tot Duits grondgebied, na die oorlog tot het Poolse. In het begin de jaren dertig van de 19e eeuw gaf prinses Marianne van Oranje, dochter van koning Willem I, opdracht tot de bouw ervan. Een kasteel met een Oranje randje dus. Marianne van Oranje was getrouwd met een van de zonen van de toenmalige Pruisische koning en woonde een groot deel van haar leven in Neder-Silezië. In 1872 was de bouw voltooid en prijkte een romantisch, neogotisch paleis op een heuvel nabij de plaats Kamieniec Zabkowicki. Van veraf zie je vier karakteristieke torens, elk een kleine vijftig meter hoog.

De eigenaar is een hoogleraar in de geschiedenis, die het kasteel vijftien jaar geleden, na een erfenis van enkele tientallen miljoenen Engelse ponden – zo gaan althans de dorpsgeruchten – kocht van de Poolse overheid. Hij vertelt dat de Duitsers het paleis tijdens de Tweede Wereldoorlog gebruikten, maar in ieder geval in tact lieten. De Russen, die er later introkken en het als kazerne gebruikten, brachten echter vele vernielingen aan. Toen de huidige eigenaar erin trok, trof hij nog één enkele oude fles wijn aan. Die hadden de Russen kennelijk niet weten te vinden. De wijnkelder was uiteraard volledig geplunderd.

Op de binnenplaats kijk ik om me heen. Gehavende wandschilderingen van riddergevechten en hoofse taferelen. De kleuren zijn wat vervaald. Op enkele plekken komen de rode bakstenen onder de schilderingen uit. Kapotte luiken liggen op de grond. In de hoek staat werkloos een stenen boog zonder onderstel. Aan de wand hangt een geïmproviseerde collectie van oude kasteelfoto’s.

Ik kijk door een stenen poort, met gerafelde randen. Een witte hond snuffelt wat tussen het steengruis. De zon slaat een doffe schaduw van zijn lichaam af. Driemaal zo groot plakt de schaduwvlek tegen de roodgrijze stenen vloer door de poort naar binnen, bijna tot waar ik sta. Achter de hond strekt een buitenplaats zich nog zo’n twintig meter uit, tot een onaangekondigde leegte zich naar de uitgestrekte paleistuinen en paleisvijver stort. Kleine plassen water reflecteren op de buitenplaats de bewolkte lucht en de namiddagse zonnestralen. In de verte: heuvels, bossen, wat huizen en een torentje.

De eigenaar is druk bezig om in een deel van het paleis hotelkamers te bouwen. Enkele zijn al voor publiek open, waaronder eentje hoog in een van de vier torens. De inrichting van de kamers is bewust ouderwets: oude houten meubels en bedden, bij elkaar gescharrelde, niet op elkaar afgestemde beddenspreien en gordijnen. De Nederlandse ambassadeur in Polen verbleef hier een nacht, zegt de hoogleraar. Vreemde man, met een strenge scherpe blik. Geen lachje kan eraf. Het is niet te hopen dat hij ’s nachts slaapwandelt terwijl je als nietsvermoedende gast naar je kamer zoekt.

Ik stel me een nachtelijke wandeling in het kasteel voor: knisperend gruis van de geschiedenis onder angstige voeten; het licht van de volle maan valt in een diep zwart gat rondom het kasteel; onophoudelijk geblaf (of is het gehuil) uit alle hoeken en gaten; een kafkaësk trappenlabyrint – ’s nachts lijkt alles verder en ingewikkelder; nachtelijk gefladder van onduidelijke herkomst; piepende deuren; opwaaiend gruis (de wind waait gek genoeg steeds waar jij loopt); stadse geluiden rijken niet tot hier – die bestaan niet meer; de simpelste geluiden beangstigen het meest. Ruïnes hebben de eenzaamheid als trouwe vriend. Wat bezielt een hoogleraar geschiedenis deze ruïne te kopen, het puin achtergelaten door het Rode Leger stukje bij beetje weg te poetsen en er met een twintigtal honden (of heeft hij ook een vrouw?) de rest van zijn leven te slijten?

Sterrenpannenkoek aan de Czarna Hancza

Voor vijf euro per kano per dag heeft Agnieszka kano’s gehuurd voor ons en een aantal andere vrienden. Haar broer brengt ons met de auto naar het Wigry Nationale Park. De kano’s liggen op een aanhangwagentje en bonken op de hobbelige zandwegen op en neer. Vanuit het nationale park gaan we terugpeddelen naar Fracki, woonplaats van Agnieszka’s ouders. Een paar uurtjes stroomafwaarts over de Czarna Hancza, het populairste kanowater van de streek.
Waterplanten woekeren op de Czarna Hancza-rivier: een soort reuzengras, taai en lang – een kluwen innig verstrengelde jungletouwen. Geregeld raakt onze kano erin verstrikt, als we weer eens te laat bijsturen en de bocht uit vliegen. Onze Poolse kennissen in de twee kano’s voor ons drijven elkaar het riet in. Met peddels scheppen ze water uit de rivier en mikken elkaar nat. Een watergevecht voor volwassenen.

Na een uurtje peddelen we langs een vrouw van een jaar of vijftig op een aanlegsteiger. Ze ligt op haar buik en heeft zich omringd met allerhande etenswaar: cake, appels, augurken. Als een marktkoopvrouw prijst ze haar spullen aan. We laveren onze kano naar de steiger en kopen augurken. De groene bommen zwemmen in een bedje: een afgesneden deel van een plastic fles, met water gevuld. Het is eind augustus, het hoogseizoen is voorbij en ze zal dus geduld moeten hebben voor zich een volgende klant aandient. Geregeld zien we sauna’s aan de waterkant. De saunatraditie is in dit gebied tijdens het laatste decennium weer in ere hersteld.

Bij de eerstvolgende open plek in het ons omringende bos meren we onze kano’s opnieuw aan. Hier is ruimte om een kampvuur te stoken. Onze kennissen halen hun voorraad worsten, brood en blikjes bier uit hun boten. Wij toveren onze zure, zwemmende augurken tevoorschijn. In het bos verzamelen we afgebroken, dode takken als brandhout. Enkele twijgen ontdoen we van hun laatste bladeren. Daarna steken de mannen het vuur aan, terwijl de vrouwen brood snijden. We brengen een vijftal kerfjes in de worst aan, voor we die aan een lange, stevige twijg rijgen. De reuzensjasliks prikken we in de vlammen en we draaien ze langzaam rond. Vet druipt naar beneden. Bier klokt door de kelen. Na twee uur peddelen smaken worst, brood, augurken en bier als een haute-cuisine-maaltijd.

Met volle magen duwen we de kano’s weer van de wal af, voor een volgend uur kanoën. Af en toe zien we langs de kant bordjes die eenvoudige overnachtingsplaatsen voor een prikje aanprijzen. Elke zloty extra is meegenomen in dit gebied ten noorden van Augustow, in het uiterste noordoosten van Polen, tegen Litouwen aan. De werkloosheid bedraagt hier veertig procent. Het toeristenseizoen beperkt zich eigenlijk alleen tot de maanden juni en juli. De Czarna Hancza en de ontelbare omliggende meren groeien dan vol kano’s.

Traditioneel leeft men hier ’s zomers van de opbrengst van tabaksplanten. Sinds het bedrijf dat de gedroogde tabaksplanten opkoopt in buitenlandse handen is overgegaan, gaat het echter steeds minder met de lokale tabaksboeren. De nieuwe eigenaar koopt steeds meer in andere landen. Dus trekken meer en meer mensen naar de steden. Milieubeschermers die zoveel mogelijk bos tot nationaal – en dus beschermd – park willen maken, ontnemen de bewoners nog meer middelen van bestaan: de houtkap, waar men hier ’s winters van leeft.

Maar economie is niet allesbepalend. Agnieszka, geboren en getogen in een dorpje aan de Czarna Hancza, werkt tegenwoordig in Warschau. Ze kan er meer dan tweemaal zoveel verdienen als hier. Verder bevalt het haar maar niets in Polens hoofdstad. Ze mist de stilte, het water en de ruimte. Elk weekend heeft Agnieszka er – boemelend in de trein – vijf uur reizen heen en vijf uur terug voor over om terug te keren naar haar geboortegrond. Het bliksembezoek is net genoeg om weer een week Warschau te overleven, zegt ze. Zo snel mogelijk wil ze definitief terugkeren naar de rivieren, de meren en de bossen. De geest moet waaien.

Net voor de duisternis invalt naderen we met onze kano’s Fracki, het gehucht waar we een week bivakkeren; de plaats ook waar Agnieszka vandaan komt. Een zwaan met in haar kielzog vier kleintjes komt eens poolshoogte nemen hoe wij onze kano’s de kant op duwen. Agnieszka’s broer komt de kano’s weer ophalen en nodigt ons meteen uit om diezelfde avond nog mee te gaan naar een barbecue.

Ik had er nooit bij stilgestaan tot ik hier in Noordoost-Polen naar de hemel kijk. Het is aan een van die talloze meren die deze dunbevolkte streek rijk is. Aan het water staat een houten saunahuisje. Daarnaast houden kennissen de barbecue. Vlees, brood, salade, bier, wijn en fris vechten om een plekje op tafel. Voor de tweede keer vandaag grote porties vlees en flinke teugen bier. Dichtbij het meer knettert een houtvuur. Af en toe katapulteren de vlammen gloeiend hete verkoolseltjes die van die bruin omrande gaatjes in je kleren branden. Rondom het vuur zitten twee vrouwen en een jongen op boomstronken. De vrouwen kletsen. De jongen gooit wat stokjes in het vuur en kijkt nieuwsgierig naar wat er gebeurt.

De hemel is onbewolkt, en dus is het al ijzig koud eind augustus. Het gitzwarte nachtelijke niets is bezaaid met ontelbare witte sterren; zo veel meer dan in het lichtvervuilde Nederland. (Vreemd woord: lichtvervuiling. Het gaat toch om duisternis die vervuild is dóór licht!)
Maar dan: een rilling, een siddering door het lichaam, een geestverruimende geluksopflikkering in het hoofd. Voor het eerst zien mijn ogen de doorzichtige witte sluier…de fragiele sjerp die we de Melkweg noemen, en waar de Aarde, de Zon en al haar planeten deel van uitmaken. De Melkweg is een soort pannenkoek, een spiraalvormige opeenhoping van 500.000 miljoen sterren met een dikke sterrenbult in het midden. Ons zonnestelsel ligt op tweederde afstand van de bult, in een spiraalarm. Angstaanjagende waarheden.
De sluier kromt zich in een grote boog boven ons hoofd en steekt duidelijk af tegen de oneindige duisternis. Hij is de zijkant van de sterrenpannenkoek waar we tegenaan kijken. In Nederland kun je hem helemaal nooit zien. Continu verlichte steden, dorpen, snelwegen, fabrieken en kassen produceren in ons land zoveel strooilicht dat we weliswaar comfortabel negentig jaar oud kunnen worden, maar uiteindelijk tot sterrenstof vergaan zonder ooit de Melkweg te hebben gezien. Onze gezellige peertjes, tl-buizen en halogeenlampen duwen het breekbare sterrenlicht bruut opzij.

Maar lang niet alleen Nederland heeft last van lichtvervuiling: 96% van de inwoners van de Europese Unie, 97% van de Amerikaanse bevolking en de helft van de wereldbevolking woont in gebieden waar het nooit meer echt donker wordt. Daar is de hemel altijd net zo licht alsof er minimaal een halve Maan is. Maar dan van kunstlicht.
Zo niet in het oosten van Polen.

Waarom is er nog niemand op het idee gekomen te adverteren met trekpleister Melkweg? De zonsverduistering van 1999 trok in Europa honderdduizenden kijkers die gewoonlijk zelden in hemelverschijnselen zijn geïnteresseerd. Elk jaar worden er reizen verkocht om een zonsverduistering ergens op de wereld te zien. Het moet kunnen: de Melkweg groot afgebeeld in een reisfolder. Kijken is gratis en je hebt niets meer nodig dan je blote ogen.

Het is goed toeven bij afwezigheid van lichtvervuiling. Kalmerend donker. (Je vraagt je af of planten en dieren niet de kolder krijgen van lichtvervuiling.) Op een deken naast de sauna en dichtbij het vuur liggen twee kinderen en een herdershond te slapen. Een van de kinderen ligt tegen de hond aan. Twee vrouwen trippelen in badpak uit het saunahuisje, waar ze zojuist uitgezweet zijn. Ze lopen rechtstreeks het water in – er klinkt een schel gegil – en ze laten hun nog stomende lichamen in het koude water plonzen. Na niet meer dan tien seconden druppelen ze er weer uit. Ze hollen terug naar de sauna om zich aan te kleden.
Geen flintertje straatlicht, geen schilfertje woonkamerlicht. Het is middernacht. Aan de overkant hoor ik twee doffe plonzen. Twee schimmige gedaanten nemen een nachtelijke duik. De Melkweg kijkt toe, werpt nog wat extra sterrenlicht op de schimmen en ziet dat het goed is.