Dit artikel is gepubliceerd in dagblad Trouw, 30 juni 2008
“De herinnering is als een hond die gaat liggen waar hij wil”, schrijft Cees Nooteboom in de roman Rituelen. Ons geheugen is onvoorspelbaar als de pest. Wil je op een naam komen, dan schiet hij je net niet te binnen. Wil je die vervelende ruzie voor eens en altijd vergeten, dan vergalt zij op de meest ongelegen ogenblikken je gedachten.
Welke herinneringen beklijven nu langste? In eerste instantie denken we dan aan emotionele gebeurtenissen. De eerste grote liefde, of de eerste grote reis, als het gaat om positieve emoties. Het overlijden van een dierbare, of een beroving, als het gaat om negatieve emoties. Emoties zijn de motoren van onze herinneringen. Bij een emotionele gebeurtenis vuren veel meer hersencellen dan gewoonlijk prikkels naar andere hersencellen. Daardoor nemen we op een intensere manier waar. Daarnaast worden emotionele gebeurtenissen ook beter opgeslagen in het lange-termijngeheugen.
Maar er blijkt nog een ander interessant effect op te treden, dat zich sterker manifesteert naarmate we ouder worden: een oververtegenwoordiging van herinneringen van tussen het twintigste tot vijfentwintigste levensjaar. Een tachtigjarige herinnert zich ineens weer gebeurtenissen van rond haar twintigste, terwijl ze niet eens wist dat die nog in haar geheugen zaten. Psychologen noemen dit het reminiscentie-effect. Psycholoog Douwe Draaisma besteedt er in zijn boek De heimweefabriek ruim aandacht aan. Hij beschrijft onder andere een Deens experiment uit 2003 waarin tachtig- en honderdjarigen ondervraagd werden over hun herinneringen. De onderzoekers wilden weten van welke periode in hun leven deze ouderen zich het meeste herinnerden.
Bij zowel de tachtig- als de honderdjarigen neemt het aantal herinneringen eerst sterk toe van ruwweg het vijfde tot het vijfentwintigste levensjaar. Van het vijfentwintigste tot het vijfendertigste levensjaar neemt het aantal herinneringen sterk af. Daarna blijft het aantal herinneringen vrij constant bij toenemende leeftijd, om pas weer toe te nemen wanneer relatief recente herinneringen – van de laatste tien tot vijftien jaar – dominant gaan worden.
Deze verrassende resultaten laten zien dat de herinneringen die op hoge leeftijd opduiken eerder bepaald worden door het reminiscentie-effect dan door de emotionele lading van de gebeurtenis. Emotionele gebeurtenissen zijn niet aan leeftijd gebonden, dus waarom zouden de herinneringen tussen ons twintigste en vijfentwintigste vaker opduiken dan herinneringen van een latere leeftijd? In het Deense experiment vertelde geen enkele honderdjarige over de Duitse bezetting tijdens de Tweede Wereldoorlog – toen ze zelf al rond de veertig waren – maar deed de helft van de tachtigjarigen – die toen rond de twintig waren – dat wel.
Consensus over een wetenschappelijke verklaring van het reminiscentie-effect is er nog niet. Is het een natuurlijke eigenschap van onze hersenen dat ze herinneringen het beste opslaan rond het twintigste? Of ligt het aan het feit dat we rond ons twintigste zoveel eerste en beslissende ervaringen meemaken: onze eerste liefde beleven; het meest indrukwekkende boek lezen, of de meest indrukwekkende muziek horen? In ieder geval gaan eerste ervaringen gepaard met meer emoties dan gewoonlijk, en daarom worden ze beter opgeslagen in het geheugen.
SCIENCE JOURNALIST - WRITER - SPEAKER @ ClearScience42 ***** Specialized in artificial intelligence, robots, the brain and Alan Turing***Gespecialiseerd in kunstmatige intelligentie, robots, het brein en Alan Turing.
Showing posts with label Trouw. Show all posts
Showing posts with label Trouw. Show all posts
Monday, June 30, 2008
Monday, June 23, 2008
Hoe leeg is het vacuüm?
Dit artikel is gepubliceerd in dagblad Trouw, 23 juni 2008
Simpel gezegd is het vacuüm pure ruimte, zonder een flintertje materie. Door de geschiedenis heen heeft de ultieme leegheid van het vacuüm sterk tot de verbeelding gesproken. Volgens de Griekse filosoof Aristoteles kon het niet bestaan. Het vacuüm was equivalent aan het niets. En hoe kan niets nu toch iets zijn? Aristoteles beweerde dat de natuur een afkeer heeft van het vacuüm – een horror vacui. Dreigde er toch ergens een vacuüm te ontstaan, dan zou de natuur de leegte meteen opvullen.
Later mengden zelfs theologen zich in de discussie – enerzijds ingegeven door de existentiële angst voor het niets en anderzijds door het argument dat een almachtige god toch ook een vacuüm moet kunnen maken. Aristoteles’ theorie was bijna tweeduizend jaar dominant. Maar zoals het hoort bij natuurwetenschappelijke vraagstukken, is het laatste woord aan het experiment.
In 1643 nam Evangelista Torricelli, een leerling van Galileo Galilei, een lange buis en vulde hem met kwik. Hij keerde de buis om in een bakje met kwik. De kwikkolom in de buis zakte tot de druk van de kolom in evenwicht was met de luchtdruk van de omgeving op het kwik. De kolomlengte kwam op zeeniveau altijd uit op 76 centimeter. In het algemeen bleek de kolomlengte een maat voor de luchtdruk. Omdat de buis eerst volledig was gevuld en er na omkering ruimte boven de kwikkolom was ontstaan, moest deze ruimte wel vacuüm zijn, redeneerde Torricelli correct. Toch is de ruimte boven de kwikkolom niet perfect vacuüm. Af en toe ontsnappen kwikmoleculen uit het oppervlak naar de ruimte erboven.
Een spectaculairdere demonstratie van het bestaan van het vacuüm was het experiment van Otto von Guericke in 1657. Hij plaatste twee halve bronzen bollen tegen elkaar en zoog de inhoud zo leeg mogelijk. Twee teams van acht paarden konden de twee helften niet van elkaar trekken. Niet alleen bestond het vacuüm, het bleek nog krachtig ook.
Tijdens latere experimenten bleek geluid zich niet te kunnen voortplanten in het vacuüm, maar licht en andere soorten straling wel. In de twintigste eeuw werd het vacuüm technologisch benut bij de productie van bijvoorbeeld lampen en televisiebuizen. Mensgemaakte vacua zijn behoorlijk leeg, maar niet perfect leeg. Het heelal kan het beter. Niets is leger dan de ruimte tussen sterrenstelsels in: duizenden malen leger dan het beste vacuüm dat op aarde is gemaakt. Toch schiet zelfs hier af en toe nog een materiedeeltje voorbij.
Terwijl het vacuümraadsel opgelost leek, had de twintigste eeuwse natuurkunde nog een surprise in petto. Volgens de kwantummechanica, de natuurkunde van de allerkleinste fenomenen, kan het vacuüm nooit helemaal leeg zijn. Spontaan blijken deeltjes uit het niets te kunnen ontstaan, die elkaar een ultrakorte tijd later weer vernietigen. Totaal tegenintuïtief, maar toch experimenteel aangetoond. Volgens de recentste kosmologische inzichten heeft de lege heelalruimte daarom ook een vacuümenergie. Puur het gevolg van spontaan verschijnende en verdwijnende virtuele deeltjes. Echt leeg is het vacuüm dus niet, tenminste voor wie met kwantumogen kijkt.
Simpel gezegd is het vacuüm pure ruimte, zonder een flintertje materie. Door de geschiedenis heen heeft de ultieme leegheid van het vacuüm sterk tot de verbeelding gesproken. Volgens de Griekse filosoof Aristoteles kon het niet bestaan. Het vacuüm was equivalent aan het niets. En hoe kan niets nu toch iets zijn? Aristoteles beweerde dat de natuur een afkeer heeft van het vacuüm – een horror vacui. Dreigde er toch ergens een vacuüm te ontstaan, dan zou de natuur de leegte meteen opvullen.
Later mengden zelfs theologen zich in de discussie – enerzijds ingegeven door de existentiële angst voor het niets en anderzijds door het argument dat een almachtige god toch ook een vacuüm moet kunnen maken. Aristoteles’ theorie was bijna tweeduizend jaar dominant. Maar zoals het hoort bij natuurwetenschappelijke vraagstukken, is het laatste woord aan het experiment.
In 1643 nam Evangelista Torricelli, een leerling van Galileo Galilei, een lange buis en vulde hem met kwik. Hij keerde de buis om in een bakje met kwik. De kwikkolom in de buis zakte tot de druk van de kolom in evenwicht was met de luchtdruk van de omgeving op het kwik. De kolomlengte kwam op zeeniveau altijd uit op 76 centimeter. In het algemeen bleek de kolomlengte een maat voor de luchtdruk. Omdat de buis eerst volledig was gevuld en er na omkering ruimte boven de kwikkolom was ontstaan, moest deze ruimte wel vacuüm zijn, redeneerde Torricelli correct. Toch is de ruimte boven de kwikkolom niet perfect vacuüm. Af en toe ontsnappen kwikmoleculen uit het oppervlak naar de ruimte erboven.
Een spectaculairdere demonstratie van het bestaan van het vacuüm was het experiment van Otto von Guericke in 1657. Hij plaatste twee halve bronzen bollen tegen elkaar en zoog de inhoud zo leeg mogelijk. Twee teams van acht paarden konden de twee helften niet van elkaar trekken. Niet alleen bestond het vacuüm, het bleek nog krachtig ook.
Tijdens latere experimenten bleek geluid zich niet te kunnen voortplanten in het vacuüm, maar licht en andere soorten straling wel. In de twintigste eeuw werd het vacuüm technologisch benut bij de productie van bijvoorbeeld lampen en televisiebuizen. Mensgemaakte vacua zijn behoorlijk leeg, maar niet perfect leeg. Het heelal kan het beter. Niets is leger dan de ruimte tussen sterrenstelsels in: duizenden malen leger dan het beste vacuüm dat op aarde is gemaakt. Toch schiet zelfs hier af en toe nog een materiedeeltje voorbij.
Terwijl het vacuümraadsel opgelost leek, had de twintigste eeuwse natuurkunde nog een surprise in petto. Volgens de kwantummechanica, de natuurkunde van de allerkleinste fenomenen, kan het vacuüm nooit helemaal leeg zijn. Spontaan blijken deeltjes uit het niets te kunnen ontstaan, die elkaar een ultrakorte tijd later weer vernietigen. Totaal tegenintuïtief, maar toch experimenteel aangetoond. Volgens de recentste kosmologische inzichten heeft de lege heelalruimte daarom ook een vacuümenergie. Puur het gevolg van spontaan verschijnende en verdwijnende virtuele deeltjes. Echt leeg is het vacuüm dus niet, tenminste voor wie met kwantumogen kijkt.
Labels:
Natuurkunde,
Trouw
Monday, June 16, 2008
Waarom lijken hoge tonen vrolijk en lage tonen somber?
Dit artikel is gepubliceerd in dagblad Trouw, 16 juni 2008
“De ervaring dat we hoge tonen vrolijk vinden en lage tonen somber, is vooral cultureel bepaald”, zegt Henkjan Honing, universitair hoofddocent muziekcognitie aan de Universiteit van Amsterdam. “Zo associëren de Westerse en de Japanse cultuur een mineurtoonladder met een droevig gevoel, maar in de Javaanse cultuur wordt een mineurtoonladder niet als droevig ervaren.”
Ook is het typisch westers, zegt Honing, om over tonen te spreken met de metaforen ‘hoog’ en ‘laag’: “In andere culturen wordt bijvoorbeeld gesproken over kleine en grote geluiden in plaats van over hoog en laag. Een klein instrument brengt kleine geluiden voort en een groot instrument grote geluiden, zeggen ze dan. En kleine mensen – baby’s – hebben hoge stemmetjes, terwijl grote mensen – oude mannen – lage stemmen hebben.”
Sommige Afrikaanse culturen duiden de grootste toets van een xylofoon aan als ‘grootmoeder’, de iets kleinere met ‘moeder’ en verderop in de rij komen de ‘echtgenoot’ en de ‘kinderen’. Honing: “Dat geeft aan dat ze een andere betekenis toekennen aan wat wij hoge en lage tonen noemen. Als ze de grootste toets ‘grootmoeder’ noemen, dan kun je niet zeggen dat ze de bijbehorende toon met iets droevigs associëren.”
Veel interculturele studies laten verder zien dat de luisterervaring cultureel is bepaald. Als je een westerse luisteraar naar een opeenvolging van Indiase akkoorden laat luisteren, en je vraagt hem dat stukje aan te vullen met de volgende toon die hij verwacht, dan doet hij dat met zijn eigen, westerse verwachting. Die is anders dan de Indiase verwachting. Als dezelfde luisteraar vaak naar Indiase muziek zou gaan luisteren, dan verschuift zijn verwachting van wat de volgende toon kan zijn naar die van de Indiase luisteraar. Er zit dus duidelijk een leereffect in.
“De Canadese onderzoeker David Huron heeft onderzoek gedaan naar welke geluiden we als ‘cute’ – zeg maar lief en snoezig – ervaren”, vertelt Honing. “Volgens hem zijn dat geluiden die je produceert met een reservoir dat een inhoud heeft van ongeveer twintig milliliter. Zo’n reservoir produceert frequenties, en heeft een resonantiekarakteristiek, die we als ‘cute’ ervaren. Het geluid dat je daarmee maakt, herinnert ons aan dat van kinderen, omdat het strottenhoofd van kinderen eenzelfde frequentie- en resonantiekarakteristiek heeft. En kinderen vinden we nu eenmaal ‘cute’, waarschijnlijk om evolutionaire redenen. Dat gevoel vergroot ons zorggedrag.”
Toch mogen we ook deze bevinding niet doortrekken naar de conclusie dat we hoge tonen automatisch als vrolijk ervaren en lage tonen automatisch als droevig. Honing: “We hebben geen aanwijzingen dat onze hersenen automatisch een droevige emotie koppelen aan de waarneming van een lage toon. Toch is muziek een van de sterkste emotie-opwekkers die we kennen, en daarom een onderwerp van veel neurocognitief onderzoek. Recente resultaten suggereren een intieme relatie van muziek met al onze cognitieve en fysiologische functies. Het is alleen niet zo eenvoudig als de vraag suggereert.”
“De ervaring dat we hoge tonen vrolijk vinden en lage tonen somber, is vooral cultureel bepaald”, zegt Henkjan Honing, universitair hoofddocent muziekcognitie aan de Universiteit van Amsterdam. “Zo associëren de Westerse en de Japanse cultuur een mineurtoonladder met een droevig gevoel, maar in de Javaanse cultuur wordt een mineurtoonladder niet als droevig ervaren.”
Ook is het typisch westers, zegt Honing, om over tonen te spreken met de metaforen ‘hoog’ en ‘laag’: “In andere culturen wordt bijvoorbeeld gesproken over kleine en grote geluiden in plaats van over hoog en laag. Een klein instrument brengt kleine geluiden voort en een groot instrument grote geluiden, zeggen ze dan. En kleine mensen – baby’s – hebben hoge stemmetjes, terwijl grote mensen – oude mannen – lage stemmen hebben.”
Sommige Afrikaanse culturen duiden de grootste toets van een xylofoon aan als ‘grootmoeder’, de iets kleinere met ‘moeder’ en verderop in de rij komen de ‘echtgenoot’ en de ‘kinderen’. Honing: “Dat geeft aan dat ze een andere betekenis toekennen aan wat wij hoge en lage tonen noemen. Als ze de grootste toets ‘grootmoeder’ noemen, dan kun je niet zeggen dat ze de bijbehorende toon met iets droevigs associëren.”
Veel interculturele studies laten verder zien dat de luisterervaring cultureel is bepaald. Als je een westerse luisteraar naar een opeenvolging van Indiase akkoorden laat luisteren, en je vraagt hem dat stukje aan te vullen met de volgende toon die hij verwacht, dan doet hij dat met zijn eigen, westerse verwachting. Die is anders dan de Indiase verwachting. Als dezelfde luisteraar vaak naar Indiase muziek zou gaan luisteren, dan verschuift zijn verwachting van wat de volgende toon kan zijn naar die van de Indiase luisteraar. Er zit dus duidelijk een leereffect in.
“De Canadese onderzoeker David Huron heeft onderzoek gedaan naar welke geluiden we als ‘cute’ – zeg maar lief en snoezig – ervaren”, vertelt Honing. “Volgens hem zijn dat geluiden die je produceert met een reservoir dat een inhoud heeft van ongeveer twintig milliliter. Zo’n reservoir produceert frequenties, en heeft een resonantiekarakteristiek, die we als ‘cute’ ervaren. Het geluid dat je daarmee maakt, herinnert ons aan dat van kinderen, omdat het strottenhoofd van kinderen eenzelfde frequentie- en resonantiekarakteristiek heeft. En kinderen vinden we nu eenmaal ‘cute’, waarschijnlijk om evolutionaire redenen. Dat gevoel vergroot ons zorggedrag.”
Toch mogen we ook deze bevinding niet doortrekken naar de conclusie dat we hoge tonen automatisch als vrolijk ervaren en lage tonen automatisch als droevig. Honing: “We hebben geen aanwijzingen dat onze hersenen automatisch een droevige emotie koppelen aan de waarneming van een lage toon. Toch is muziek een van de sterkste emotie-opwekkers die we kennen, en daarom een onderwerp van veel neurocognitief onderzoek. Recente resultaten suggereren een intieme relatie van muziek met al onze cognitieve en fysiologische functies. Het is alleen niet zo eenvoudig als de vraag suggereert.”
Labels:
Psychologie,
Trouw
Monday, June 9, 2008
Wat maakt het uit dat talen uitsterven?
Dit artikel is gepubliceerd in dagblad Trouw, 9 juni 2008
Wereldwijd worden ongeveer zesduizend talen gesproken. Vijfduizend hiervan kennen minder dan duizend sprekers en van sommige talen zijn nog maar enkele sprekers over. Over een eeuw zal waarschijnlijk minstens de helft van de huidige zesduizend talen verdwenen zijn.
Dat een taal dreigt uit te sterven, maakt in de allereerste plaats natuurlijk uit voor het volk dat die taal spreekt, zegt taalonderzoeker Cecilia Odé van de Universiteit van Amsterdam. “Mensen hebben behoefte aan een eigen identiteit. Taal verbindt een volk en onderscheidt het van andere volkeren. Het behoud van de taal hangt sterk samen met het behoud van de cultuur en met een gevoel van zelfrespect. Bovendien kun je lang niet alles vertalen. Het Nederlandse ‘gezelligheid’ is ook onvertaalbaar.”
Een veel voorkomende oorzaak van het uitsterven van een taal is dat sprekers worden gedwongen over te stappen op de taal van de overheersende omgeving. Naar verluidt gaat de Canadese premier Harper op 11 juni zelfs voor het eerst excuses aanbieden voor de anderhalve eeuw waarin de taal en cultuur van de indianen in Canada werden onderdrukt.
Daarnaast is het voor de wetenschap tamelijk dramatisch dat talen verdwijnen, omdat maar een kwart tot een derde van alle talen is beschreven, aldus Odé. Nog steeds worden er talen ontdekt met onbekende verschijnselen. En omdat de meeste bedreigde talen geen schrift kennen, is het voorgoed afgelopen wanneer de laatste spreker is gestorven.
Toendra Joegakir rendier herders, Foto: Cecilia Odé
Odé onderzoekt enkele van die bedreigde talen, onder andere het Toendra Joekagir in Noordoost-Siberië, dat nog maar enige tientallen sprekers kent. Deze bedreigde taal kent een vorm van verhalen vertellen waarbij spreken geleidelijk overgaat in zingen. Daarbij worden klanknabootsingen uit de natuur gebruikt, bijvoorbeeld geluiden van rendieren.
Toch is het onvermijdelijk dat talen uitsterven, zegt Odé. Niet elke taal moet kost wat kost behouden worden. Hoewel er onherroepelijk iets verloren gaat, wil ze mensen niet opzadelen met nog een doemverhaal. “In plaats van het uitsterven van talen te zien als het zoveelste wereldprobleem, vind ik het belangrijker dat mensen zien hoeveel plezier je kunt beleven aan de rijkheid van een taal. Dat tonen we ook op onze website, speciaal voor de vwo-bovenbouw: http://www.bedreigdetalen.nl/. Er kunnen trouwens ook weer nieuwe talen ontstaan. Dat zie je in Nederland met een straattaal die een mengelmoes is van Turks, Marokkaans en Surinaams.”
De taal opent de deur naar een cultuur, en weerspiegelt de manier waarop een volk tegen de wereld aankijkt. Sommige talen kennen een uitgebreid arsenaal aan begroetingen. De Papoeataal Mpur niet. Daarin kun je met de deur in huis vallen als je mensen ontmoet; of zwijgend vertrekken. In het Toendra Joekagir word je als gast juist met speciale zang ontvangen.
Wat het uitsterven van talen dus ook uitmaakt, is een verlies aan diversiteit. Odé: “Stel je voor dat de enige bloem in de wereld een anjer zou zijn, de enige vogel een merel, de enige taal het Engels, en dat we alleen maar macaroni met gehakt zouden eten. Niemand wil dat. Mensen willen diversiteit.”
Wereldwijd worden ongeveer zesduizend talen gesproken. Vijfduizend hiervan kennen minder dan duizend sprekers en van sommige talen zijn nog maar enkele sprekers over. Over een eeuw zal waarschijnlijk minstens de helft van de huidige zesduizend talen verdwenen zijn.
Dat een taal dreigt uit te sterven, maakt in de allereerste plaats natuurlijk uit voor het volk dat die taal spreekt, zegt taalonderzoeker Cecilia Odé van de Universiteit van Amsterdam. “Mensen hebben behoefte aan een eigen identiteit. Taal verbindt een volk en onderscheidt het van andere volkeren. Het behoud van de taal hangt sterk samen met het behoud van de cultuur en met een gevoel van zelfrespect. Bovendien kun je lang niet alles vertalen. Het Nederlandse ‘gezelligheid’ is ook onvertaalbaar.”
Een veel voorkomende oorzaak van het uitsterven van een taal is dat sprekers worden gedwongen over te stappen op de taal van de overheersende omgeving. Naar verluidt gaat de Canadese premier Harper op 11 juni zelfs voor het eerst excuses aanbieden voor de anderhalve eeuw waarin de taal en cultuur van de indianen in Canada werden onderdrukt.
Daarnaast is het voor de wetenschap tamelijk dramatisch dat talen verdwijnen, omdat maar een kwart tot een derde van alle talen is beschreven, aldus Odé. Nog steeds worden er talen ontdekt met onbekende verschijnselen. En omdat de meeste bedreigde talen geen schrift kennen, is het voorgoed afgelopen wanneer de laatste spreker is gestorven.
Toendra Joegakir rendier herders, Foto: Cecilia Odé
Odé onderzoekt enkele van die bedreigde talen, onder andere het Toendra Joekagir in Noordoost-Siberië, dat nog maar enige tientallen sprekers kent. Deze bedreigde taal kent een vorm van verhalen vertellen waarbij spreken geleidelijk overgaat in zingen. Daarbij worden klanknabootsingen uit de natuur gebruikt, bijvoorbeeld geluiden van rendieren.
Toch is het onvermijdelijk dat talen uitsterven, zegt Odé. Niet elke taal moet kost wat kost behouden worden. Hoewel er onherroepelijk iets verloren gaat, wil ze mensen niet opzadelen met nog een doemverhaal. “In plaats van het uitsterven van talen te zien als het zoveelste wereldprobleem, vind ik het belangrijker dat mensen zien hoeveel plezier je kunt beleven aan de rijkheid van een taal. Dat tonen we ook op onze website, speciaal voor de vwo-bovenbouw: http://www.bedreigdetalen.nl/. Er kunnen trouwens ook weer nieuwe talen ontstaan. Dat zie je in Nederland met een straattaal die een mengelmoes is van Turks, Marokkaans en Surinaams.”
De taal opent de deur naar een cultuur, en weerspiegelt de manier waarop een volk tegen de wereld aankijkt. Sommige talen kennen een uitgebreid arsenaal aan begroetingen. De Papoeataal Mpur niet. Daarin kun je met de deur in huis vallen als je mensen ontmoet; of zwijgend vertrekken. In het Toendra Joekagir word je als gast juist met speciale zang ontvangen.
Wat het uitsterven van talen dus ook uitmaakt, is een verlies aan diversiteit. Odé: “Stel je voor dat de enige bloem in de wereld een anjer zou zijn, de enige vogel een merel, de enige taal het Engels, en dat we alleen maar macaroni met gehakt zouden eten. Niemand wil dat. Mensen willen diversiteit.”
Labels:
Trouw
Monday, June 2, 2008
Waarom is het ’s nachts donker terwijl er zoveel sterren aan de hemel staan?
Dit artikel is gepubliceerd in dagblad Trouw, 2 juni 2008
Een sterrenstelsel zoals onze Melkweg bevat ruwweg honderdvijftig miljard sterren. Het zichtbare heelal bevat maar liefst een paar honderd miljard van dit soort sterrenstelsels. Tel alle sterren bij elkaar op en je komt op het duizelingwekkende aantal van een cijfer gevolgd door 22 nullen.
Zoveel sterren, zoveel bronnen van licht. En dan toch donkere nachten?
Dat komt voornamelijk door de combinatie van drie eigenschappen van sterren en van het heelal, legt sterrenkundige professor Vincent Icke uit. “Allereerst zijn sterren heel klein vergeleken met hun onderlinge afstand. Dat betekent dat je heel erg ver kunt kijken. Als je een boom even als een metafoor voor een ster neemt, dan kun je zeggen dat je in het kosmische bos door de bomen juist wel het bos kunt zien, omdat de boomstammen zo extreem dun zijn vergeleken met de afstand tussen de bomen.”
Zelfs als je alle sterren in het zichtbare heelal neemt, heb je er dus bij lange na nog niet genoeg om de hele hemel met sterrenschijfjes te bedekken. Toch is dit argument alleen nog niet voldoende om donkere nachten te verklaren. Weliswaar kun je zeer ver kijken door het kosmische bos, maar stel dat het bos oneindig groot zou zijn, dan komt er ooit een moment dat je wel degelijk door de bomen het bos niet meer ziet. Dat je de hele hemel wel kunt bedekken met sterrenschijfjes. Weg donkere nachten.
Een tweede argument is daarom nodig: hoe verder je de ruimte in kijkt, hoe verder je ook in de tijd terugkijkt, en er was ooit een tijd dat er nog geen sterren bestonden. Het heelal is 13,7 miljard jaar oud en sterrenkundigen denken dat de eerste sterren zo’n 13,3 miljard jaar geleden ontstonden, vierhonderd miljoen jaar na de oerknal.
Icke trekt zijn metafoor van de bomen en het bos door: “Bij het steeds dieper het heelal in kijken, houdt het sterrenbos zelf al op lang voordat je door de bomen het bos niet meer zou kunnen zien. Het is alsof voorbij die 13,3 miljard jaar het land nog wel doorgaat, maar er geen bomen meer staan. In de kiem zitten ze wel al in de grond, maar ze moeten nog groeien.”
Maar stel nu dat er temidden van al die sterren aan de hemel gigastralers zijn die miljarden malen zo intens zijn als onze zon? Dan zouden deze gigastralers voor ons net zo helder zijn als onze zon, ook al staan ze miljoenen malen verder weg. Dan zou de nacht best licht kunnen zijn.
“Het fascinerende is,” zegt Icke, “dat omdat het ’s nachts donker is, je in één oogopslag weet dat er een bovengrens moet zijn aan de helderheid van een ster. Dat is het derde argument. Je kunt berekenen dat een ster niet meer licht kan uitstralen dan ongeveer een miljoen maal de lichtkracht van de zon. Anders spat hij uit elkaar. Neem nu alle drie de argumenten samen, en je hebt een verklaring voor onze donkere nachten.”
Een sterrenstelsel zoals onze Melkweg bevat ruwweg honderdvijftig miljard sterren. Het zichtbare heelal bevat maar liefst een paar honderd miljard van dit soort sterrenstelsels. Tel alle sterren bij elkaar op en je komt op het duizelingwekkende aantal van een cijfer gevolgd door 22 nullen.
Zoveel sterren, zoveel bronnen van licht. En dan toch donkere nachten?
Dat komt voornamelijk door de combinatie van drie eigenschappen van sterren en van het heelal, legt sterrenkundige professor Vincent Icke uit. “Allereerst zijn sterren heel klein vergeleken met hun onderlinge afstand. Dat betekent dat je heel erg ver kunt kijken. Als je een boom even als een metafoor voor een ster neemt, dan kun je zeggen dat je in het kosmische bos door de bomen juist wel het bos kunt zien, omdat de boomstammen zo extreem dun zijn vergeleken met de afstand tussen de bomen.”
Zelfs als je alle sterren in het zichtbare heelal neemt, heb je er dus bij lange na nog niet genoeg om de hele hemel met sterrenschijfjes te bedekken. Toch is dit argument alleen nog niet voldoende om donkere nachten te verklaren. Weliswaar kun je zeer ver kijken door het kosmische bos, maar stel dat het bos oneindig groot zou zijn, dan komt er ooit een moment dat je wel degelijk door de bomen het bos niet meer ziet. Dat je de hele hemel wel kunt bedekken met sterrenschijfjes. Weg donkere nachten.
Een tweede argument is daarom nodig: hoe verder je de ruimte in kijkt, hoe verder je ook in de tijd terugkijkt, en er was ooit een tijd dat er nog geen sterren bestonden. Het heelal is 13,7 miljard jaar oud en sterrenkundigen denken dat de eerste sterren zo’n 13,3 miljard jaar geleden ontstonden, vierhonderd miljoen jaar na de oerknal.
Icke trekt zijn metafoor van de bomen en het bos door: “Bij het steeds dieper het heelal in kijken, houdt het sterrenbos zelf al op lang voordat je door de bomen het bos niet meer zou kunnen zien. Het is alsof voorbij die 13,3 miljard jaar het land nog wel doorgaat, maar er geen bomen meer staan. In de kiem zitten ze wel al in de grond, maar ze moeten nog groeien.”
Maar stel nu dat er temidden van al die sterren aan de hemel gigastralers zijn die miljarden malen zo intens zijn als onze zon? Dan zouden deze gigastralers voor ons net zo helder zijn als onze zon, ook al staan ze miljoenen malen verder weg. Dan zou de nacht best licht kunnen zijn.
“Het fascinerende is,” zegt Icke, “dat omdat het ’s nachts donker is, je in één oogopslag weet dat er een bovengrens moet zijn aan de helderheid van een ster. Dat is het derde argument. Je kunt berekenen dat een ster niet meer licht kan uitstralen dan ongeveer een miljoen maal de lichtkracht van de zon. Anders spat hij uit elkaar. Neem nu alle drie de argumenten samen, en je hebt een verklaring voor onze donkere nachten.”
Labels:
Sterrenkunde,
Trouw
Tuesday, May 27, 2008
Bestaan lentekriebels?
Dit artikel is gepubliceerd in dagblad Trouw, 26 mei 2008
Wat de eerste lentezon niet allemaal kan teweegbrengen: kriebels in je buik, rusteloosheid, vrolijkheid, romantische gevoelens, lustgevoelens…nou ja, vooral een algehele energiestoot. En natuurlijk rokjesdag, bloesjesdag, bermudadag, of hoe de dag waarop de eerste naakte lichaamsdelen op straat zich aan de lentezon blootstellen, ook bestempeld wordt.
Wat is het toch dat de lente met ons lichaam doet?
Engelsen en Amerikanen spreken trouwens over ‘spring fever’ – lentekoorts – wat nog veel heftiger klinkt dan de het bescheiden ‘lentekriebels’. “Koorts is een woord dat in dit verband wel erg ver gaat”, zegt hoogleraar psychofysiologie Gerard Kerkhof van de Universiteit van Amsterdam, gespecialiseerd in het menselijke bioritme. “Echte harde gegevens over lentekriebels ken ik niet, en zijn volgens mij ook moeilijk te verkrijgen”, zegt hij. “Maar een voor de hand liggende verklaring ligt in de rol die licht speelt in het menselijk functioneren. Daar hebben we wel veel wetenschappelijke gegevens van.”
Licht heeft twee belangrijke effecten, legt Kerkhof uit. “Allereerst heeft het een rechtstreeks effect op onze stemming. Veel onderzoek – wereldwijd – laat zien dat onze stemming seizoensschommelingen vertoont. In de winter een dal; in de zomer een piek. In Nederland is de lichtintensiteit ’s winters maar eentiende van die in de zomer. En de lengte van de periode waarin het licht is, is ’s winters maar de helft van ’s zomers. Er is een subgroep die echt last heeft van winterdepressie. Maar ook gezonde mensen vertonen seizoensschommelingen in hun stemming.”
Naast het directe effect van licht op onze stemming, heeft licht nog een tweede belangrijke effect. Kerkhof: “De afwisseling tussen licht en donker zet onze ingebouwde biologische klok gelijk met de omgeving. Deze klok volgt niet exact de periode van een etmaal, maar zijn periode is iets langer. Om toch in de pas te lopen met de omgeving, zet de licht-donker-overgang de biologische klok gelijk. Pas in de afgelopen jaren hebben wetenschappers gevonden dat het netvlies speciale cellen heeft die alleen reageren op trage veranderingen in de lichtcondities. Deze cellen geven een signaal door aan de biologische klok.”
De herfst en de lente zijn in dit verhaal de overgangsseizoenen. In de lente klimt onze stemming dus uit het winterdal, langzaam naar de zomerpiek. Wanneer in de lente de dagen langer beginnen te worden en de lichtintensiteit toeneemt, worden we grosso modo alerter en beter gemutst. Onderzoek onder vijfhonderd Amerikanen en Canadezen liet zien dat hoe langer mensen op een zonnige lentedag buiten zijn, hoe beter hun stemming. De optimale temperatuur schijnt 22 graden Celsius te zijn – kamertemperatuur zeg maar. Op warme zomerdagen, wanneer het kwik tot boven kamertemperatuur stijgt, neemt de stemming juist weer wat af.
Lentekriebels kenmerken zich door een combinatie van snelle, onvoorspelbare schommelingen in onze stemming, en een gevoel van een energiestoot. En waarschijnlijk juist omdat het contrast met het wat bedrukte wintergevoel zo groot is, vallen die eerste lentekriebels ons zo op.
Wat de eerste lentezon niet allemaal kan teweegbrengen: kriebels in je buik, rusteloosheid, vrolijkheid, romantische gevoelens, lustgevoelens…nou ja, vooral een algehele energiestoot. En natuurlijk rokjesdag, bloesjesdag, bermudadag, of hoe de dag waarop de eerste naakte lichaamsdelen op straat zich aan de lentezon blootstellen, ook bestempeld wordt.
Wat is het toch dat de lente met ons lichaam doet?
Engelsen en Amerikanen spreken trouwens over ‘spring fever’ – lentekoorts – wat nog veel heftiger klinkt dan de het bescheiden ‘lentekriebels’. “Koorts is een woord dat in dit verband wel erg ver gaat”, zegt hoogleraar psychofysiologie Gerard Kerkhof van de Universiteit van Amsterdam, gespecialiseerd in het menselijke bioritme. “Echte harde gegevens over lentekriebels ken ik niet, en zijn volgens mij ook moeilijk te verkrijgen”, zegt hij. “Maar een voor de hand liggende verklaring ligt in de rol die licht speelt in het menselijk functioneren. Daar hebben we wel veel wetenschappelijke gegevens van.”
Licht heeft twee belangrijke effecten, legt Kerkhof uit. “Allereerst heeft het een rechtstreeks effect op onze stemming. Veel onderzoek – wereldwijd – laat zien dat onze stemming seizoensschommelingen vertoont. In de winter een dal; in de zomer een piek. In Nederland is de lichtintensiteit ’s winters maar eentiende van die in de zomer. En de lengte van de periode waarin het licht is, is ’s winters maar de helft van ’s zomers. Er is een subgroep die echt last heeft van winterdepressie. Maar ook gezonde mensen vertonen seizoensschommelingen in hun stemming.”
Naast het directe effect van licht op onze stemming, heeft licht nog een tweede belangrijke effect. Kerkhof: “De afwisseling tussen licht en donker zet onze ingebouwde biologische klok gelijk met de omgeving. Deze klok volgt niet exact de periode van een etmaal, maar zijn periode is iets langer. Om toch in de pas te lopen met de omgeving, zet de licht-donker-overgang de biologische klok gelijk. Pas in de afgelopen jaren hebben wetenschappers gevonden dat het netvlies speciale cellen heeft die alleen reageren op trage veranderingen in de lichtcondities. Deze cellen geven een signaal door aan de biologische klok.”
De herfst en de lente zijn in dit verhaal de overgangsseizoenen. In de lente klimt onze stemming dus uit het winterdal, langzaam naar de zomerpiek. Wanneer in de lente de dagen langer beginnen te worden en de lichtintensiteit toeneemt, worden we grosso modo alerter en beter gemutst. Onderzoek onder vijfhonderd Amerikanen en Canadezen liet zien dat hoe langer mensen op een zonnige lentedag buiten zijn, hoe beter hun stemming. De optimale temperatuur schijnt 22 graden Celsius te zijn – kamertemperatuur zeg maar. Op warme zomerdagen, wanneer het kwik tot boven kamertemperatuur stijgt, neemt de stemming juist weer wat af.
Lentekriebels kenmerken zich door een combinatie van snelle, onvoorspelbare schommelingen in onze stemming, en een gevoel van een energiestoot. En waarschijnlijk juist omdat het contrast met het wat bedrukte wintergevoel zo groot is, vallen die eerste lentekriebels ons zo op.
Labels:
Psychologie,
Trouw
Kun je leven met één hersenhelft?
Dit artikel is gepubliceerd in dagblad Trouw, 19 mei 2008
In het boek Half a brain is enough beschrijft de arts Antonio Battro het geval van het jongetje Nico. Nico had heftige epileptische aanvallen in de rechter hersenhelft. Zo heftig, dat er voor zijn overleving niets anders op zat dan een ingrijpende hersenoperatie. Anders zou ook de rest van zijn hersenen beschadigd raken.
Nico was bij de operatie drie jaar en zeven maanden oud. Eerst werd zijn volledige slaapkwab weggehaald. Wat er van zijn rechterhersenhelft nog overbleef, werd losgesneden van de linker hersenhelft en van de hersenstam. Dit deel werd niet verwijderd, maar functioneerde niet meer. Als volwassene zal hij het moeten doen met de helft van de normale 1400 gram hersenen.
Na de operatie kon Nico in eerste instantie niet lopen. Maar vijf jaar later rent en speelt hij vrij normaal, alleen een beetje trekkebenend. Wel beweegt zijn linkerarm moeilijk, en ziet hij niks in de linkerhelft van zijn gezichtsveld. Met die relatief kleine handicaps kan hij echter goed omgaan. Maar dan het opmerkelijke. Nico’s cognitieve, sociale en emotionele vermogens verschillen niet wezenlijk van die van zijn leeftijdgenoten. Zijn talige vermogens – typisch een vermogen van de linker hersenhelft – liggen zelfs ruim boven het gemiddelde.
De crux zit in het aanpassingsvermogen van Nico’s overgebleven hersenhelft. Hoe dat precies werkt, is nog onbekend. Specifieke training is wel essentieel. Vermogens die typisch worden geassocieerd met de weggehaalde rechter hersenhelft – onder andere wiskunde, beeldende kunst, muziek – zijn overgenomen door de overgebleven linker hersenhelft. En hoewel Nico voor die vaardigheden geen speciale aanleg heeft, is hij er ook niet slechter in dan de gemiddelde leeftijdgenoot. Nico had het geluk dat hij op zo’n jonge leeftijd werd geopereerd. Dat beperkte zijn functieverlies nog enigszins.
Wereldwijd zijn er ongeveer honderd patiënten waarbij vanwege heftige epilepsie een hersenhelft wordt verwijderd. Ook de Duitser Philipp Dörr leed zo zwaar aan epilepsie dat artsen geen andere oplossing zagen dan het verwijderen van de rechterhelft van zijn grote hersenen. Dörr was bij de operatie al elf jaar. Net na de operatie waren alle functies die vroeger door de rechter hersenhelft werden gedaan verdwenen. Drie jaar revalideerde Dörr na de operatie in het ziekenhuis, een veel langere revalidatieperiode dan bij Nico. Maar ook bij de Duitser bleek de flexibiliteit van het brein verrassend groot.
Hoewel Dörr veel herinneringen mist uit de jaren vóór de operatie, bleken zijn intellectuele vaardigheden nauwelijks onder de verwijdering van de rechter hersenhelft te hebben geleden. Zijn IQ is normaal. Praten en schrijven kan hij nog steeds. Hij schaakt en leest romans. Alleen als zijn brein veel taken tegelijk moet verwerken, heeft hij daar duidelijk moeite mee.
Ja, je kunt dus leven met één hersenhelft. Wat trouwens niet betekent dat er geen functies verloren gaan, of dat we, zoals een hardnekkige mythe beweert maar tien procent (of zelfs maar de helft) van onze hersenen zouden gebruiken. Het betekent wel dat de flexibiliteit van onze hersenen groter is dan we lang hebben gedacht.
In het boek Half a brain is enough beschrijft de arts Antonio Battro het geval van het jongetje Nico. Nico had heftige epileptische aanvallen in de rechter hersenhelft. Zo heftig, dat er voor zijn overleving niets anders op zat dan een ingrijpende hersenoperatie. Anders zou ook de rest van zijn hersenen beschadigd raken.
Nico was bij de operatie drie jaar en zeven maanden oud. Eerst werd zijn volledige slaapkwab weggehaald. Wat er van zijn rechterhersenhelft nog overbleef, werd losgesneden van de linker hersenhelft en van de hersenstam. Dit deel werd niet verwijderd, maar functioneerde niet meer. Als volwassene zal hij het moeten doen met de helft van de normale 1400 gram hersenen.
Na de operatie kon Nico in eerste instantie niet lopen. Maar vijf jaar later rent en speelt hij vrij normaal, alleen een beetje trekkebenend. Wel beweegt zijn linkerarm moeilijk, en ziet hij niks in de linkerhelft van zijn gezichtsveld. Met die relatief kleine handicaps kan hij echter goed omgaan. Maar dan het opmerkelijke. Nico’s cognitieve, sociale en emotionele vermogens verschillen niet wezenlijk van die van zijn leeftijdgenoten. Zijn talige vermogens – typisch een vermogen van de linker hersenhelft – liggen zelfs ruim boven het gemiddelde.
De crux zit in het aanpassingsvermogen van Nico’s overgebleven hersenhelft. Hoe dat precies werkt, is nog onbekend. Specifieke training is wel essentieel. Vermogens die typisch worden geassocieerd met de weggehaalde rechter hersenhelft – onder andere wiskunde, beeldende kunst, muziek – zijn overgenomen door de overgebleven linker hersenhelft. En hoewel Nico voor die vaardigheden geen speciale aanleg heeft, is hij er ook niet slechter in dan de gemiddelde leeftijdgenoot. Nico had het geluk dat hij op zo’n jonge leeftijd werd geopereerd. Dat beperkte zijn functieverlies nog enigszins.
Wereldwijd zijn er ongeveer honderd patiënten waarbij vanwege heftige epilepsie een hersenhelft wordt verwijderd. Ook de Duitser Philipp Dörr leed zo zwaar aan epilepsie dat artsen geen andere oplossing zagen dan het verwijderen van de rechterhelft van zijn grote hersenen. Dörr was bij de operatie al elf jaar. Net na de operatie waren alle functies die vroeger door de rechter hersenhelft werden gedaan verdwenen. Drie jaar revalideerde Dörr na de operatie in het ziekenhuis, een veel langere revalidatieperiode dan bij Nico. Maar ook bij de Duitser bleek de flexibiliteit van het brein verrassend groot.
Hoewel Dörr veel herinneringen mist uit de jaren vóór de operatie, bleken zijn intellectuele vaardigheden nauwelijks onder de verwijdering van de rechter hersenhelft te hebben geleden. Zijn IQ is normaal. Praten en schrijven kan hij nog steeds. Hij schaakt en leest romans. Alleen als zijn brein veel taken tegelijk moet verwerken, heeft hij daar duidelijk moeite mee.
Ja, je kunt dus leven met één hersenhelft. Wat trouwens niet betekent dat er geen functies verloren gaan, of dat we, zoals een hardnekkige mythe beweert maar tien procent (of zelfs maar de helft) van onze hersenen zouden gebruiken. Het betekent wel dat de flexibiliteit van onze hersenen groter is dan we lang hebben gedacht.
Labels:
Hersenonderzoek,
Trouw
Sunday, May 11, 2008
Wat is stof en waar komt het vandaan?
Dit artikel is gepubliceerd in Trouw, 5 mei 2008
Net van vakantie terug; niet in je huis geweest; je spullen niet gebruikt; en toch ligt overal stof. Op de tuinstoelen buiten, op de tafels binnen, in de gordijnen, ja het stof plakt zelfs tegen het plafond. Als de zon een streep licht trekt door de kamer, dansen de stofdeeltjes in het spotlight. Trek een trui uit en je lanceert talrijke huidschilfers en minuscule stukjes textiel de woning in.
Stof is niets anders dan kleine flintertjes uit elkaar gevallen materie, en dat kan echt alles zijn. Overal ontstaat stof: op de aarde en in de ruimte, in je kamer en van je lichaam, van je kleren en van je boeken, bij het koken, het klussen en tuinieren. Maar we spreken pas van stof als de deeltjes kleiner zijn dan 0,06 millimeter – een kwestie van definitie. Minder dan eentiende van een menselijke haar.
Al het stof, dat door het kleinste zuchtje wind wordt opgetild, moet ook weer ergens neerkomen. En zo verrijkt neerdwarrelend stof de bodem, voedt het kleine levensvormen zowel op land als in zee, maar kan het ook ziek maken, bijvoorbeeld als het in te grote hoeveelheden in onze longen terechtkomt.
Buitenstof bevat in Nederland voor een groot deel zeezout. Druppels slaan af van de golven, en zo komen zoutkristallen in de lucht. Wereldwijd verdwijnt er zo’n half miljard ton zeezout per jaar de lucht in. Verder bestaat buitenstof uit kleine zanddeeltjes, roet van het verkeer, en materieschilfertjes zoals stuifmeel, sporen en schimmels. Maar ook woestijnstof, waarvan jaarlijks zo’n een tot drie miljard ton de lucht in wordt geslingerd. De Sahara is een gigantische stofbron, verantwoordelijk voor zo’n zeshonderd miljoen ton per jaar, waarvan Nederland af en toe mag meegenieten. Het meest exotische buitenstof is het ruimtestof. Statistisch gezien daalt er één ruimtestofdeeltje per dag op uw auto neer. Afkomstig van asteroïden of kometen.
Binnenstof heeft haar eigen karakteristieke componenten, huidschilfers bijvoorbeeld. Lichaamscellen vernieuwen zich voortdurend, waardoor een volwassene dagelijks zo’n vijftig miljoen huidschilfers verliest. Vooral onder het bed liggen massa’s restjes mens, meestal rijkelijk aangevuld met huisstofmijten die smullen van al die schilfers. Huisstof bevat eigenlijk een beetje van alles: flintertjes plant, dier, mens, gesteente en chemie.
Koken is een van de verrassendste en rijkste bronnen van stof binnenshuis. Het bakken en braden van vlees en vis, het gaar koken van aardappelen, rijst, pasta en groenten produceert vele minuscule deeltjes, een paar duizendste van een haargrootte dik. Ze verspreiden zich door het huis, klitten soms aan elkaar en worden zo groter. Op het moment dat het eten gereed is, zweven er zo’n twintig maal meer stofdeeltjes door de keuken dan normaal. En die plakken gewillig aan fornuis, keukentegels en plafond.
Elke plek op aarde en elke woning vult zich met zijn eigen karakteristieke stof, afhankelijk van geologie, bebouwing, inrichting, gebruik van de woning enzovoort. En zo kun je in één rake huisveeg flintertjes kamelenhaar, insectenvleugel, mensenhuid, zeezout en komeet in je stofdoek verzamelen.
Net van vakantie terug; niet in je huis geweest; je spullen niet gebruikt; en toch ligt overal stof. Op de tuinstoelen buiten, op de tafels binnen, in de gordijnen, ja het stof plakt zelfs tegen het plafond. Als de zon een streep licht trekt door de kamer, dansen de stofdeeltjes in het spotlight. Trek een trui uit en je lanceert talrijke huidschilfers en minuscule stukjes textiel de woning in.
Stof is niets anders dan kleine flintertjes uit elkaar gevallen materie, en dat kan echt alles zijn. Overal ontstaat stof: op de aarde en in de ruimte, in je kamer en van je lichaam, van je kleren en van je boeken, bij het koken, het klussen en tuinieren. Maar we spreken pas van stof als de deeltjes kleiner zijn dan 0,06 millimeter – een kwestie van definitie. Minder dan eentiende van een menselijke haar.
Al het stof, dat door het kleinste zuchtje wind wordt opgetild, moet ook weer ergens neerkomen. En zo verrijkt neerdwarrelend stof de bodem, voedt het kleine levensvormen zowel op land als in zee, maar kan het ook ziek maken, bijvoorbeeld als het in te grote hoeveelheden in onze longen terechtkomt.
Buitenstof bevat in Nederland voor een groot deel zeezout. Druppels slaan af van de golven, en zo komen zoutkristallen in de lucht. Wereldwijd verdwijnt er zo’n half miljard ton zeezout per jaar de lucht in. Verder bestaat buitenstof uit kleine zanddeeltjes, roet van het verkeer, en materieschilfertjes zoals stuifmeel, sporen en schimmels. Maar ook woestijnstof, waarvan jaarlijks zo’n een tot drie miljard ton de lucht in wordt geslingerd. De Sahara is een gigantische stofbron, verantwoordelijk voor zo’n zeshonderd miljoen ton per jaar, waarvan Nederland af en toe mag meegenieten. Het meest exotische buitenstof is het ruimtestof. Statistisch gezien daalt er één ruimtestofdeeltje per dag op uw auto neer. Afkomstig van asteroïden of kometen.
Binnenstof heeft haar eigen karakteristieke componenten, huidschilfers bijvoorbeeld. Lichaamscellen vernieuwen zich voortdurend, waardoor een volwassene dagelijks zo’n vijftig miljoen huidschilfers verliest. Vooral onder het bed liggen massa’s restjes mens, meestal rijkelijk aangevuld met huisstofmijten die smullen van al die schilfers. Huisstof bevat eigenlijk een beetje van alles: flintertjes plant, dier, mens, gesteente en chemie.
Koken is een van de verrassendste en rijkste bronnen van stof binnenshuis. Het bakken en braden van vlees en vis, het gaar koken van aardappelen, rijst, pasta en groenten produceert vele minuscule deeltjes, een paar duizendste van een haargrootte dik. Ze verspreiden zich door het huis, klitten soms aan elkaar en worden zo groter. Op het moment dat het eten gereed is, zweven er zo’n twintig maal meer stofdeeltjes door de keuken dan normaal. En die plakken gewillig aan fornuis, keukentegels en plafond.
Elke plek op aarde en elke woning vult zich met zijn eigen karakteristieke stof, afhankelijk van geologie, bebouwing, inrichting, gebruik van de woning enzovoort. En zo kun je in één rake huisveeg flintertjes kamelenhaar, insectenvleugel, mensenhuid, zeezout en komeet in je stofdoek verzamelen.
Labels:
Trouw
Waarom hebben we vaak een slecht beeld van wat ons in de toekomst gelukkig maakt?
Dit artikel is gepubliceerd in Trouw, 28 april 2008
Je geeft je carrière op omdat je denkt dat je eeuwig gelukkig zult zijn met de zorg voor je kinderen. Een paar jaar later snak je weer naar een leuke baan. Je praat honderduit met je nieuwe geliefde en weet zeker dat je elkaar eeuwig verbaal blijft verrassen. Jaren later zit je zwijgend samen aan tafel. We hebben vaak een slecht beeld van wat ons in de toekomst gelukkig maakt. Harvard-hoogleraar psychologie Daniel Gilbert verklaart in zijn boek Stumbling on happiness hoe dat komt.
Het eerste manco is dat we bij het verbeelden van onze toekomst zaken erbij verzinnen en weglaten. Ons brein doet dat zo snel, dat we ons nauwelijks meer kritische vragen stellen over wat we ons verbeelden. Stel je bijvoorbeeld een bord spaghetti voor…De kans is groot dat je brein je niet een simpel bord met droge pasta voorschotelt, maar eentje met een bepaalde saus, geserveerd aan een bepaalde tafel en in een bepaald gezelschap. Dat invullen ging vanzelf. Vraag mensen hoe ze zich zullen voelen een paar jaar na het overlijden van hun kind en vrijwel iedereen komt met ellendige verhalen. Maar niemand noemt de leuke dingen van het leven, die ook gewoon doorgaan. Dat weglaten gaat vanzelf, en heeft vaak grotere gevolgen dan het erbij verzinnen.
Een tweede valkuil is dat we het heden klakkeloos projecteren op de toekomst. Het is vrijwel onmogelijk te negeren wat we op dit moment voelen. Je komt op vakantie in een exotisch land mensen tegen waarmee het goed klikt. Je weet zeker dat jullie altijd contact zullen houden. Maar als je thuiskomt, kom je er achter dat de vrienden die je al had, eigenlijk veel leuker zijn, en in een mum van tijd is het contact met je vakantievrienden verwaterd.
Ten slotte heeft ons brein grote moeite om zich voor te stellen hoe we ons in die onbekende toekomst zullen voelen en welke vergelijkingen we dan zullen maken. Gevolg: de goede dingen blijken tegen die tijd meestal minder goed dan we ons voorstelden, maar de slechte dingen ook minder slecht. Je nu voorstellen dat je over een maand wordt ontslagen, doet vooral pijn, maar als het echt gebeurt, spiegel je jezelf voor dat die oude baan ook eigenlijk niet was wat je echt wilde, en dat je volop kansen ziet om nu wél je hart te volgen.
Ongeveer twee uur per dag malen onze hersenen over de toekomst. Daarbij stapelen we fout op fout. Is daar niets tegen te doen? Jawel, toont Gilbert aan. Kijk hoe anderen zich voelen, die nu in de situatie zijn die jij je probeert voor te stellen. Dat is een goede voorspeller van je eigen toekomstige zieleroerselen. Helaas, zo voegt hij toe, doen de meeste mensen dat niet, omdat ze denken dat ze zo anders dan anderen zijn. Dat is minder het geval dan we willen geloven. Vandaar dat we zo vaak struikelen over wat ons over een paar jaar gelukkig maakt.
Je geeft je carrière op omdat je denkt dat je eeuwig gelukkig zult zijn met de zorg voor je kinderen. Een paar jaar later snak je weer naar een leuke baan. Je praat honderduit met je nieuwe geliefde en weet zeker dat je elkaar eeuwig verbaal blijft verrassen. Jaren later zit je zwijgend samen aan tafel. We hebben vaak een slecht beeld van wat ons in de toekomst gelukkig maakt. Harvard-hoogleraar psychologie Daniel Gilbert verklaart in zijn boek Stumbling on happiness hoe dat komt.
Het eerste manco is dat we bij het verbeelden van onze toekomst zaken erbij verzinnen en weglaten. Ons brein doet dat zo snel, dat we ons nauwelijks meer kritische vragen stellen over wat we ons verbeelden. Stel je bijvoorbeeld een bord spaghetti voor…De kans is groot dat je brein je niet een simpel bord met droge pasta voorschotelt, maar eentje met een bepaalde saus, geserveerd aan een bepaalde tafel en in een bepaald gezelschap. Dat invullen ging vanzelf. Vraag mensen hoe ze zich zullen voelen een paar jaar na het overlijden van hun kind en vrijwel iedereen komt met ellendige verhalen. Maar niemand noemt de leuke dingen van het leven, die ook gewoon doorgaan. Dat weglaten gaat vanzelf, en heeft vaak grotere gevolgen dan het erbij verzinnen.
Een tweede valkuil is dat we het heden klakkeloos projecteren op de toekomst. Het is vrijwel onmogelijk te negeren wat we op dit moment voelen. Je komt op vakantie in een exotisch land mensen tegen waarmee het goed klikt. Je weet zeker dat jullie altijd contact zullen houden. Maar als je thuiskomt, kom je er achter dat de vrienden die je al had, eigenlijk veel leuker zijn, en in een mum van tijd is het contact met je vakantievrienden verwaterd.
Ten slotte heeft ons brein grote moeite om zich voor te stellen hoe we ons in die onbekende toekomst zullen voelen en welke vergelijkingen we dan zullen maken. Gevolg: de goede dingen blijken tegen die tijd meestal minder goed dan we ons voorstelden, maar de slechte dingen ook minder slecht. Je nu voorstellen dat je over een maand wordt ontslagen, doet vooral pijn, maar als het echt gebeurt, spiegel je jezelf voor dat die oude baan ook eigenlijk niet was wat je echt wilde, en dat je volop kansen ziet om nu wél je hart te volgen.
Ongeveer twee uur per dag malen onze hersenen over de toekomst. Daarbij stapelen we fout op fout. Is daar niets tegen te doen? Jawel, toont Gilbert aan. Kijk hoe anderen zich voelen, die nu in de situatie zijn die jij je probeert voor te stellen. Dat is een goede voorspeller van je eigen toekomstige zieleroerselen. Helaas, zo voegt hij toe, doen de meeste mensen dat niet, omdat ze denken dat ze zo anders dan anderen zijn. Dat is minder het geval dan we willen geloven. Vandaar dat we zo vaak struikelen over wat ons over een paar jaar gelukkig maakt.
Labels:
Psychologie,
Trouw
Monday, April 21, 2008
Wat gebeurt er wanneer de noordpool smelt?
Dit artikel is gepubliceerd in Trouw, 21 april 2008
In de afgelopen miljoen jaar is er geen zomer geweest waarin de noordpool ijsvrij was. Maar als de modelberekeningen kloppen, en de opwarming van de aarde zou doorzetten, kan dat binnen een paar decennia wel gebeuren. De afgelopen drie decennia is het oppervlak van het noordpoolijs structureel geslonken. Ook wordt het ijs dunner. Waar twintig jaar geleden het poolijs voor zestig procent uit ijs ouder dan twee jaar bestond (dik ijs), is dat nu nog maar dertig procent. De aanwijzingen uit klimaatmodellen zijn stevig dat het broeikaseffect er debet aan is. Maakt het wat uit dat de noordpool smelt?
Wat er niet gebeurt door een smeltende noordpool, is een zeespiegelstijging. Het noordpoolijs drijft al op zee, en net zoals een smeltend ijsblokje in een glas water het waterniveau niet laat stijgen, doet een smeltende noordpool dat niet met de zee. Maar er gebeuren wel andere dingen.
Een kleiner zeeijsoppervlak kaatst minder zonlicht terug. Het ontstane open water absorbeert veel meer dan het terugkaatst. Daardoor wordt de Arctische Oceaan warmer, waardoor het ijs nog sneller afsmelt. Verder kan de globale stroming in de Atlantische Oceaan veranderen. Een van de drijvende factoren van deze oceaancirculatie, waarvan ook de Warme Golfstroom deel uitmaakt, is de vorming van koud, zout en daardoor zwaar water in de Groenland Zee. Als het zeewater hier opwarmt, kan de oceaancirculatie afzwakken met gevolgen voor weer en klimaat. Smeltend zeeijs zal ook het ecologische systeem op de proef stellen. Algen, vissen, vogels, zeehonden, ijsberen en walvissen zijn allemaal afhankelijk van het gedrag van het zeeijs. Door de opeenvolging van ijstijden en warmere interglacialen, is het arctische ecosysteem jong en kwetsbaar.
Dan zijn er nog de oorspronkelijke bewoners van de poolstreek, de ongeveer 650.000 Inuit (of eskimo’s). Hun toch al verschraalde traditionele leefwijze zal verder worden bedreigd. Zij vertellen tegenwoordig verhalen van jagers die door het ijs zijn gezakt, omdat het dunner en minder voorspelbaar is geworden. En verhalen over dieren die in de afgelopen jaren zijn opgedoken, maar waar hun taal niet eens woorden voor heeft, omdat de beesten in warmere, zuidelijkere streken leefden. Zelfs hun voor-voor-voorouders hebben ze nooit gezien en dus ook nooit benoemd.
Wie wil, kan ook positieve gevolgen van een smeltende noordpool zien, althans op het eerste gezicht. Als het ijs zich terugtrekt, kunnen schepen een deel van het jaar van Europa via de Noord-Canadese wateren en de Bering Straat een korte route naar Azië varen (de eeuwenlang gezochte Noordwest Passage), of van Europa langs Siberië door dezelfde Beringstraat naar Azië (de Noordzeeroute). Ook olie- en gasbedrijven zien al gouden bergen. Naar schatting herbergt de noordpoolzeebodem een kwart van de onontgonnen olie- en gasreserves op aarde.
De poolreserves aan fossiele brandstoffen hebben het arctische gebied ineens van geopolitiek belang gemaakt. Canada, Rusland, de VS, Denemarken en Noorwegen claimen allemaal delen van de zeebodem onder de noordpool. Symbolisch plantte Rusland vorig jaar een vlag op de bodem van de Arctische Oceaan. Het begin van een slag om de noordpoolzeebodem?
In de afgelopen miljoen jaar is er geen zomer geweest waarin de noordpool ijsvrij was. Maar als de modelberekeningen kloppen, en de opwarming van de aarde zou doorzetten, kan dat binnen een paar decennia wel gebeuren. De afgelopen drie decennia is het oppervlak van het noordpoolijs structureel geslonken. Ook wordt het ijs dunner. Waar twintig jaar geleden het poolijs voor zestig procent uit ijs ouder dan twee jaar bestond (dik ijs), is dat nu nog maar dertig procent. De aanwijzingen uit klimaatmodellen zijn stevig dat het broeikaseffect er debet aan is. Maakt het wat uit dat de noordpool smelt?
Wat er niet gebeurt door een smeltende noordpool, is een zeespiegelstijging. Het noordpoolijs drijft al op zee, en net zoals een smeltend ijsblokje in een glas water het waterniveau niet laat stijgen, doet een smeltende noordpool dat niet met de zee. Maar er gebeuren wel andere dingen.
Een kleiner zeeijsoppervlak kaatst minder zonlicht terug. Het ontstane open water absorbeert veel meer dan het terugkaatst. Daardoor wordt de Arctische Oceaan warmer, waardoor het ijs nog sneller afsmelt. Verder kan de globale stroming in de Atlantische Oceaan veranderen. Een van de drijvende factoren van deze oceaancirculatie, waarvan ook de Warme Golfstroom deel uitmaakt, is de vorming van koud, zout en daardoor zwaar water in de Groenland Zee. Als het zeewater hier opwarmt, kan de oceaancirculatie afzwakken met gevolgen voor weer en klimaat. Smeltend zeeijs zal ook het ecologische systeem op de proef stellen. Algen, vissen, vogels, zeehonden, ijsberen en walvissen zijn allemaal afhankelijk van het gedrag van het zeeijs. Door de opeenvolging van ijstijden en warmere interglacialen, is het arctische ecosysteem jong en kwetsbaar.
Dan zijn er nog de oorspronkelijke bewoners van de poolstreek, de ongeveer 650.000 Inuit (of eskimo’s). Hun toch al verschraalde traditionele leefwijze zal verder worden bedreigd. Zij vertellen tegenwoordig verhalen van jagers die door het ijs zijn gezakt, omdat het dunner en minder voorspelbaar is geworden. En verhalen over dieren die in de afgelopen jaren zijn opgedoken, maar waar hun taal niet eens woorden voor heeft, omdat de beesten in warmere, zuidelijkere streken leefden. Zelfs hun voor-voor-voorouders hebben ze nooit gezien en dus ook nooit benoemd.
Wie wil, kan ook positieve gevolgen van een smeltende noordpool zien, althans op het eerste gezicht. Als het ijs zich terugtrekt, kunnen schepen een deel van het jaar van Europa via de Noord-Canadese wateren en de Bering Straat een korte route naar Azië varen (de eeuwenlang gezochte Noordwest Passage), of van Europa langs Siberië door dezelfde Beringstraat naar Azië (de Noordzeeroute). Ook olie- en gasbedrijven zien al gouden bergen. Naar schatting herbergt de noordpoolzeebodem een kwart van de onontgonnen olie- en gasreserves op aarde.
De poolreserves aan fossiele brandstoffen hebben het arctische gebied ineens van geopolitiek belang gemaakt. Canada, Rusland, de VS, Denemarken en Noorwegen claimen allemaal delen van de zeebodem onder de noordpool. Symbolisch plantte Rusland vorig jaar een vlag op de bodem van de Arctische Oceaan. Het begin van een slag om de noordpoolzeebodem?
Monday, April 14, 2008
Hoe vindt Google wat jij zoekt?
Dit artikel is gepubliceerd in Trouw, 14 april 2008
Dagelijks beantwoordt Google honderden miljoenen zoekopdrachten. In een oogwenk verschijnt een lange lijst van resultaten op je scherm. Hoe dat kan? In essentie door de brute kracht van heel veel computers, en een rekenformule die op een slimme manier ‘gokt’ welke antwoorden je zoekt.
Google – afgeleid van het woord ‘googol’: een 1 met honderd nullen – beschikt over een gigantisch gegevensbestand met kopieën van webpagina’s. Speciale software zoekt geregeld naar zo veel mogelijk bestaande websites. De zoekmachine slaat vervolgens kopieën van de gevonden pagina’s op, verspreid over honderdduizenden computers (het precieze aantal is geheim). Die kopieën vormen de database waarin de zoekmachine speurt. Zelfs Google ziet maar een deel van alle webpagina’s. Precieze cijfers daarover zijn niet bekend, maar sommige experts denken dat dat maar één procent is. Naar schatting bestaat Googles database nu uit tientallen miljarden webpagina’s, en dat aantal groeit voortdurend.
De crux van een goede zoekmachine zit in een slimme zoekstrategie, gebaseerd op drie principes. Allereerst telt mee hoe vaak een zoekwoord op een bepaalde pagina voorkomt. Dit deden alle zoekmachines vóór de introductie van Google ook al. Google was in 1998 echter de eerste die liet meewegen hoe vaak er naar de betreffende pagina wordt verwezen vanaf andere pagina’s. Hoe meer andere webpagina’s naar een site verwijzen, hoe belangrijker deze waarschijnlijk is. Dat bleek een gouden zet, die Google op grote voorsprong zette. Met de oude zoekstrategie, die alleen het aantal gezochte woorden per pagina telde, zou het kunnen zijn dat je, als je ‘Shell’ intikt in de zoekmachine om de thuispagina te vinden, terechtkomt op de site van Greenpeace, omdat deze bijvoorbeeld vele malen de naam van het bedrijf noemt in kritische beschouwingen. Door nu ook mee te wegen hoe vaak er naar een pagina wordt verwezen, is de kans veel groter dat je meteen terechtkomt bij de thuispagina van het bedrijf. Het derde principe is dat pagina’s die langer bestaan ook een hogere waardering krijgen.
Het Google-zoekalgoritme kent een waardering toe aan elke vondst, en rangschikt ze naar belangrijkheid. De details van de toverformule zijn geheim. Anders kun je al te gemakkelijk je eigen site in de resultatenlijst kunstmatig naar boven stuwen. Immers: ‘ik sta op Google, dus ik besta’.
De volgende generatie zoekmachines zal steeds slimmere antwoorden geven, door steeds meer inzicht te krijgen in welke informatie je precies verwacht wanneer je een zoekterm intikt, en wat je vervolgens met die informatie doet. Stel dat je ‘Bob Dylan’ intikt, dan krijg je behalve informatie over de popster, ook meteen een lijst met songteksten, cd’s, video’s en i-tunes voorgeschoteld. En niet te vergeten: ook links naar waar je wat kunt kopen; advertenties die Google’s kas spekken. Want dat is wat Google tegenwoordig toch ook is: big business. Begin 2008 was de beurswaarde van Google Inc. tweehonderd miljard dollar. Al onze gratis zoekopdrachten vertellen iets over wie we zijn en wat we willen, en dat is kennelijk een gods-, nee, googlevermogen waard.
Dagelijks beantwoordt Google honderden miljoenen zoekopdrachten. In een oogwenk verschijnt een lange lijst van resultaten op je scherm. Hoe dat kan? In essentie door de brute kracht van heel veel computers, en een rekenformule die op een slimme manier ‘gokt’ welke antwoorden je zoekt.
Google – afgeleid van het woord ‘googol’: een 1 met honderd nullen – beschikt over een gigantisch gegevensbestand met kopieën van webpagina’s. Speciale software zoekt geregeld naar zo veel mogelijk bestaande websites. De zoekmachine slaat vervolgens kopieën van de gevonden pagina’s op, verspreid over honderdduizenden computers (het precieze aantal is geheim). Die kopieën vormen de database waarin de zoekmachine speurt. Zelfs Google ziet maar een deel van alle webpagina’s. Precieze cijfers daarover zijn niet bekend, maar sommige experts denken dat dat maar één procent is. Naar schatting bestaat Googles database nu uit tientallen miljarden webpagina’s, en dat aantal groeit voortdurend.
De crux van een goede zoekmachine zit in een slimme zoekstrategie, gebaseerd op drie principes. Allereerst telt mee hoe vaak een zoekwoord op een bepaalde pagina voorkomt. Dit deden alle zoekmachines vóór de introductie van Google ook al. Google was in 1998 echter de eerste die liet meewegen hoe vaak er naar de betreffende pagina wordt verwezen vanaf andere pagina’s. Hoe meer andere webpagina’s naar een site verwijzen, hoe belangrijker deze waarschijnlijk is. Dat bleek een gouden zet, die Google op grote voorsprong zette. Met de oude zoekstrategie, die alleen het aantal gezochte woorden per pagina telde, zou het kunnen zijn dat je, als je ‘Shell’ intikt in de zoekmachine om de thuispagina te vinden, terechtkomt op de site van Greenpeace, omdat deze bijvoorbeeld vele malen de naam van het bedrijf noemt in kritische beschouwingen. Door nu ook mee te wegen hoe vaak er naar een pagina wordt verwezen, is de kans veel groter dat je meteen terechtkomt bij de thuispagina van het bedrijf. Het derde principe is dat pagina’s die langer bestaan ook een hogere waardering krijgen.
Het Google-zoekalgoritme kent een waardering toe aan elke vondst, en rangschikt ze naar belangrijkheid. De details van de toverformule zijn geheim. Anders kun je al te gemakkelijk je eigen site in de resultatenlijst kunstmatig naar boven stuwen. Immers: ‘ik sta op Google, dus ik besta’.
De volgende generatie zoekmachines zal steeds slimmere antwoorden geven, door steeds meer inzicht te krijgen in welke informatie je precies verwacht wanneer je een zoekterm intikt, en wat je vervolgens met die informatie doet. Stel dat je ‘Bob Dylan’ intikt, dan krijg je behalve informatie over de popster, ook meteen een lijst met songteksten, cd’s, video’s en i-tunes voorgeschoteld. En niet te vergeten: ook links naar waar je wat kunt kopen; advertenties die Google’s kas spekken. Want dat is wat Google tegenwoordig toch ook is: big business. Begin 2008 was de beurswaarde van Google Inc. tweehonderd miljard dollar. Al onze gratis zoekopdrachten vertellen iets over wie we zijn en wat we willen, en dat is kennelijk een gods-, nee, googlevermogen waard.
Labels:
Informatica,
Trouw
Monday, April 7, 2008
Hoe kun je het beste kiezen uit een overvloed aan keuzes?
Dit artikel is gepubliceerd in Trouw, 7 april 2008
We hebben liever enige keuze dan geen keuze. Logisch.
Hoe meer keuze, hoe beter? Die vlieger gaat niet op. Laat mensen kiezen uit dertig soorten ijs, en driekwart gaat voor chocolade of vanille. Dan hoef je lekker niet na te denken hoe een stracciatella-ijsje ook alweer smaakt.
Laat supermarktklanten gratis proeven van zes soorten jam en geef ze vervolgens korting als ze er een potje van kopen. Dertig procent koopt een potje. Maar herhaal het experiment met 24 soorten jam, en nu hapt maar drie procent met de portemonnee toe. Viermaal zo veel keuze, maar tienmaal zo weinig aanschaf! Besluiteloosheid door een overvloed aan keuzes. Slechts achttien procent van de Nederlanders koos binnen een jaar na de invoering van het nieuwe zorgstelsel voor een andere verzekeraar. Meer dan de helft had geen zin zich te verdiepen in de kleine lettertjes over plaswekkers, psoriasisbehandelingen en prothesen.
De Amerikaanse psycholoog Barry Schwartz onderzoekt de gevoelens van kiezende consumenten. Zoals verwacht, neemt je goede gevoel in eerste instantie toe met het aantal keuzes. Je kunt het product immers beter op je behoeften afstemmen. Hiep hoi. Maar al snel begint de extra blijdschap af te nemen met elke extra keuze, todat verzadiging toeslaat. Bij het vijftiende potje jam weet je nauwelijks meer wat je moet vergelijken en raak je zelfs in verwarring over waar je nu eigenlijk zin in hebt.
Tegelijkertijd, zo blijkt uit Schwartz’ experimenten, nemen de negatieve gevoelens op een gegeven moment sterker toe met het aantal keuzes dan de positieve gevoelens. Het kost steeds meer tijd en moeite al die opties te vergelijken. Omdat je zoveel investeert in je keuze, ga je er ook veel van verwachten. Meestal te veel. Verder wordt de kans groter dat een andere keuze achteraf net iets beter blijkt en dat je spijt krijgt van je eigen keuze. Wat we verliezen of missen doet namelijk meer pijn dan wat we winnen goedmaakt. Het nettoresultaat is dat keuzevrijheid ons alleen gelukkiger maakt tot een optimaal aantal keuzes. Voorbij dit optimum word je juist ongelukkiger van meer opties.
Schwartz formuleerde vier vuistregels hoe we het beste kunnen kiezen. Kies allereerst wanneer je gaat kiezen. Als de beslissing niet zo belangrijk is, beperk dan je opties. Bijvoorbeeld niet meer dan twee winkels bezoeken, als je een alledaagse trui wilt kopen. Ten tweede: Maak je geen zorgen over wat je mist. Dat vergt zelfcontrole, want vaak ben je daar wel toe geneigd. Richt je juist op de positieve eigenschappen van de keuze die je wel hebt gemaakt. Ten derde – een cliché, maar daarom niet minder waar – verwacht niet te veel, dan raak je ook niet snel teleurgesteld.
Maar de belangrijkste vuistregel: Accepteer ‘goed genoeg’. Ga voor een keuze die aan je belangrijkste vereisten voldoet, in plaats van altijd de beste keuze te zoeken. Daarna moet je ook niet meer gaan tobben dat een andere keuze misschien beter was geweest.
We hebben liever enige keuze dan geen keuze. Logisch.
Hoe meer keuze, hoe beter? Die vlieger gaat niet op. Laat mensen kiezen uit dertig soorten ijs, en driekwart gaat voor chocolade of vanille. Dan hoef je lekker niet na te denken hoe een stracciatella-ijsje ook alweer smaakt.
Laat supermarktklanten gratis proeven van zes soorten jam en geef ze vervolgens korting als ze er een potje van kopen. Dertig procent koopt een potje. Maar herhaal het experiment met 24 soorten jam, en nu hapt maar drie procent met de portemonnee toe. Viermaal zo veel keuze, maar tienmaal zo weinig aanschaf! Besluiteloosheid door een overvloed aan keuzes. Slechts achttien procent van de Nederlanders koos binnen een jaar na de invoering van het nieuwe zorgstelsel voor een andere verzekeraar. Meer dan de helft had geen zin zich te verdiepen in de kleine lettertjes over plaswekkers, psoriasisbehandelingen en prothesen.
De Amerikaanse psycholoog Barry Schwartz onderzoekt de gevoelens van kiezende consumenten. Zoals verwacht, neemt je goede gevoel in eerste instantie toe met het aantal keuzes. Je kunt het product immers beter op je behoeften afstemmen. Hiep hoi. Maar al snel begint de extra blijdschap af te nemen met elke extra keuze, todat verzadiging toeslaat. Bij het vijftiende potje jam weet je nauwelijks meer wat je moet vergelijken en raak je zelfs in verwarring over waar je nu eigenlijk zin in hebt.
Tegelijkertijd, zo blijkt uit Schwartz’ experimenten, nemen de negatieve gevoelens op een gegeven moment sterker toe met het aantal keuzes dan de positieve gevoelens. Het kost steeds meer tijd en moeite al die opties te vergelijken. Omdat je zoveel investeert in je keuze, ga je er ook veel van verwachten. Meestal te veel. Verder wordt de kans groter dat een andere keuze achteraf net iets beter blijkt en dat je spijt krijgt van je eigen keuze. Wat we verliezen of missen doet namelijk meer pijn dan wat we winnen goedmaakt. Het nettoresultaat is dat keuzevrijheid ons alleen gelukkiger maakt tot een optimaal aantal keuzes. Voorbij dit optimum word je juist ongelukkiger van meer opties.
Schwartz formuleerde vier vuistregels hoe we het beste kunnen kiezen. Kies allereerst wanneer je gaat kiezen. Als de beslissing niet zo belangrijk is, beperk dan je opties. Bijvoorbeeld niet meer dan twee winkels bezoeken, als je een alledaagse trui wilt kopen. Ten tweede: Maak je geen zorgen over wat je mist. Dat vergt zelfcontrole, want vaak ben je daar wel toe geneigd. Richt je juist op de positieve eigenschappen van de keuze die je wel hebt gemaakt. Ten derde – een cliché, maar daarom niet minder waar – verwacht niet te veel, dan raak je ook niet snel teleurgesteld.
Maar de belangrijkste vuistregel: Accepteer ‘goed genoeg’. Ga voor een keuze die aan je belangrijkste vereisten voldoet, in plaats van altijd de beste keuze te zoeken. Daarna moet je ook niet meer gaan tobben dat een andere keuze misschien beter was geweest.
Labels:
Psychologie,
Trouw
Monday, March 31, 2008
Welke lucht adem je in een vliegtuig in?
Dit artikel is gepubliceerd in Trouw, 31 maart 2008
“Buiten is de lucht dodelijk ijl en koud, binnen kun je al dromend over je reisbestemming genoeglijk nippen van een wijntje.” Zo zou de piloot je op tien kilometer hoogte gerust kunnen stellen. De buitentemperatuur is op een transatlantische vlucht zo’n vijftig graden onder nul; de luchtdruk slechts eenvijfde van die op zeeniveau.
Gelukkig wordt de luchtdruk in het vliegtuig kunstmatig gehandhaafd op het 2400-meter-niveau – skihoogte zeg maar – en het zuurstofgehalte op 21%, zoals op zeeniveau. Alleen adem je op vlieghoogte door de lagere druk per ademteug minder zuurstof in dan beneden. Het lichaam kan zich echter goed aanpassen. Een snellere ademhaling en hartslag compenseren voor het lagere zuurstofaanbod.
Waar komt de lucht vandaan die je inademt tijdens de vlucht? De buitenlucht is op vlieghoogte immers stervenskoud en bevat veel meer ozon dan gezond is voor een mens. Het toestel schotelt je daarom half-om-halflucht voor. De ene helft bestaat uit verse lucht van buiten het vliegtuig, de andere helft is hergebruikte lucht uit de cabine zelf.
Het gedeelte dat van buiten komt, wordt gehaald uit het compressorgedeelte van de motoren, nog voor er kerosine aan te pas komt. In de compressor wordt lucht samengeperst voor de voortstuwing van het vliegtuig. Lucht afzuigen van de motor is minder vreemd dan het lijkt. Hier is de druk opgestuwd tot vijftigmaal de omgevingsdruk en een temperatuur van 450 graden Celsius. Vóór deze lucht in de cabine terechtkomt, moet hij dus weer tot kamertemperatuur worden afgekoeld. Warme lucht afkoelen is efficiënter dan het opwarmen van ijskoude lucht. Speciale filters halen het ozon eruit. Verse lucht van buiten gebruiken heeft ook als voordeel dat deze schoner en sterieler is dan wat bijvoorbeeld beschikbaar is in gebouwen op de begane grond. Op vlieghoogte is de luchtvervuiling gering.
De andere helft is gebruikte lucht uit de cabine zelf, ademteugen van al je medepassagiers. Deze hergebruikte lucht wordt goed gefilterd. Het koolstofdioxide dat de reizigers uitademen, wordt er weer uitgehaald, evenals eventuele micro-organismen zoals bacteriën. Het zijn dezelfde typen filters die in ziekenhuizen worden gebruikt. Ze houden 94 tot 99,9 procent van de microscopisch kleine deeltjes gevangen. De lucht in het vliegtuig is daarmee in het algemeen schoner dan in het gemiddelde kantoorgebouw. Voordeel van de hergebruikte lucht is dat de luchtvochtigheid gegenereerd door de passagiers zelf in ieder geval nog voor enige vochtigheid zorgt. Desondanks daalt de relatieve luchtvochtigheid al snel tot beneden de vijftien procent; op langere vluchten zelfs tot zeven procent. De temperatuur wordt al naar gelang de luchtvochtigheid en het aantal passagiers bijgesteld.
De lucht komt de cabine boven de hoofden van de passagiers binnen, circuleert zowel in de linker- als de rechterhelft, en verlaat de cabine via openingen in de vloer. De circulatie is continu. Elke twee tot drie minuten is de lucht geheel vervangen. Hierdoor wordt een te grote ophoping van koolstofdioxide tegengegaan en verdunnen geurtjes snel. Veel last van de meegezeulde knoflookworst van je Bourgondische achterburen zul je niet hebben.
“Buiten is de lucht dodelijk ijl en koud, binnen kun je al dromend over je reisbestemming genoeglijk nippen van een wijntje.” Zo zou de piloot je op tien kilometer hoogte gerust kunnen stellen. De buitentemperatuur is op een transatlantische vlucht zo’n vijftig graden onder nul; de luchtdruk slechts eenvijfde van die op zeeniveau.
Gelukkig wordt de luchtdruk in het vliegtuig kunstmatig gehandhaafd op het 2400-meter-niveau – skihoogte zeg maar – en het zuurstofgehalte op 21%, zoals op zeeniveau. Alleen adem je op vlieghoogte door de lagere druk per ademteug minder zuurstof in dan beneden. Het lichaam kan zich echter goed aanpassen. Een snellere ademhaling en hartslag compenseren voor het lagere zuurstofaanbod.
Waar komt de lucht vandaan die je inademt tijdens de vlucht? De buitenlucht is op vlieghoogte immers stervenskoud en bevat veel meer ozon dan gezond is voor een mens. Het toestel schotelt je daarom half-om-halflucht voor. De ene helft bestaat uit verse lucht van buiten het vliegtuig, de andere helft is hergebruikte lucht uit de cabine zelf.
Het gedeelte dat van buiten komt, wordt gehaald uit het compressorgedeelte van de motoren, nog voor er kerosine aan te pas komt. In de compressor wordt lucht samengeperst voor de voortstuwing van het vliegtuig. Lucht afzuigen van de motor is minder vreemd dan het lijkt. Hier is de druk opgestuwd tot vijftigmaal de omgevingsdruk en een temperatuur van 450 graden Celsius. Vóór deze lucht in de cabine terechtkomt, moet hij dus weer tot kamertemperatuur worden afgekoeld. Warme lucht afkoelen is efficiënter dan het opwarmen van ijskoude lucht. Speciale filters halen het ozon eruit. Verse lucht van buiten gebruiken heeft ook als voordeel dat deze schoner en sterieler is dan wat bijvoorbeeld beschikbaar is in gebouwen op de begane grond. Op vlieghoogte is de luchtvervuiling gering.
De andere helft is gebruikte lucht uit de cabine zelf, ademteugen van al je medepassagiers. Deze hergebruikte lucht wordt goed gefilterd. Het koolstofdioxide dat de reizigers uitademen, wordt er weer uitgehaald, evenals eventuele micro-organismen zoals bacteriën. Het zijn dezelfde typen filters die in ziekenhuizen worden gebruikt. Ze houden 94 tot 99,9 procent van de microscopisch kleine deeltjes gevangen. De lucht in het vliegtuig is daarmee in het algemeen schoner dan in het gemiddelde kantoorgebouw. Voordeel van de hergebruikte lucht is dat de luchtvochtigheid gegenereerd door de passagiers zelf in ieder geval nog voor enige vochtigheid zorgt. Desondanks daalt de relatieve luchtvochtigheid al snel tot beneden de vijftien procent; op langere vluchten zelfs tot zeven procent. De temperatuur wordt al naar gelang de luchtvochtigheid en het aantal passagiers bijgesteld.
De lucht komt de cabine boven de hoofden van de passagiers binnen, circuleert zowel in de linker- als de rechterhelft, en verlaat de cabine via openingen in de vloer. De circulatie is continu. Elke twee tot drie minuten is de lucht geheel vervangen. Hierdoor wordt een te grote ophoping van koolstofdioxide tegengegaan en verdunnen geurtjes snel. Veel last van de meegezeulde knoflookworst van je Bourgondische achterburen zul je niet hebben.
Sunday, March 23, 2008
Waarom kun je over moeilijke beslissingen beter een nachtje slapen?
Dit artikel is gepubliceerd in Trouw, 17 maart 2008
Wel of niet verkassen naar het buitenland? Wel of niet trouwen met je geliefde? We hebben met de paplepel meegekregen dat we daar goed over moeten nadenken. Liefst zelfs een lijstje maken met voors en tegens. Daarmee overschatten we ons bewustzijn. Dat laat psycholoog Ap Dijksterhuis met een serie recente psychologische experimenten zien in zijn vorig jaar verschenen boek Het slimme onbewuste.
Nee, het onbewuste is niet iets vaags. Het is een etiket voor alle hersenprocessen die ons laten functioneren zonder door te dringen tot het bewustzijn. Aansturing van onze ademhaling bijvoorbeeld, of registreren van wat we om ons heen zien en horen. Allemaal functies van de evolutionair oudste delen van onze hersenen. Wanneer we op de fiets bliksemsnel uitwijken voor een overstekende voetganger, doen we dat eerder dan we beseffen. Vaak bepalen onbewuste processen ons gedrag. Slechts af en toe is het onbewuste zo aardig een verslagje door te geven aan het bewustzijn.
Dijksterhuis deed een fraai experiment. Hij liet proefpersonen kiezen uit vier (virtuele) appartementen, elk beschreven met twaalf aspecten. Een van de vier was het beste, en had acht positieve en vier negatieve kanten. De andere drie hadden vijf positieve en zeven negatieve kenmerken. De proefpersonen werden in drie groepen verdeeld. Snelle beslissers moesten meteen kiezen. Bewuste beslissers mochten een aantal minuten goed nadenken. Onbewuste beslissers werden eerst een tijdje afgeleid met een andere activiteit, zodat hun onbewuste tegelijkertijd de bewust opgenomen informatie kon herkauwen.
Zoals verwacht, presteerden de snelle beslissers het slechtste. De bewuste beslissers deden het beter, maar van de onbewuste beslissers nam het hoogste percentage de beste beslissing. Een hele nacht slapen hoeft dus niet altijd. Korter informatie parkeren in het onbewuste kan ook al helpen. De Harvard Business Review koos de conclusie van het het experiment als een van de Breakthrough Ideas for the Year 2007. Een nachtje slapen voor een betere beslissing – dat is nog eens een goedkope oplossing voor managers!
Eén experiment is geen experiment. Toch zijn diverse andere recente studies tot dezelfde conclusie gekomen. Zo bleek dat consumenten die eenvoudige producten hadden gekocht (zoals een handdoek) tevredener waren naarmate ze bewuster nadachten, maar dat consumenten die complexe producten kochten (zoals een auto) tevredener waren als ze ook het onbewuste een tijdje zijn werk hadden laten doen. Wie te veel nadenkt over een beslissing, gaat argumenten die makkelijk in woorden te vatten zijn belangrijker vinden dan moeilijk te formuleren argumenten. Probeer maar eens te vertellen waarom je geliefde je geliefde is.
Het bewustzijn kan dingen alleen maar een voor een doen, en verwerkt maximaal ongeveer zestig bits per seconde. Het onbewuste kan een heleboel tegelijk en kan in een seconde bijna tweehonderdduizend maal zoveel informatie verwerken: 11,2 miljoen bits. Denk alleen maar aan de hoeveelheid informatie die in bewegende beelden met geluid zit. Bij eenvoudige beslissingen, die je precies kunt formuleren, werkt bewust nadenken goed. Maar hoe gecompliceerder de beslissing, hoe beter het is er een nachtje over te slapen.
Wel of niet verkassen naar het buitenland? Wel of niet trouwen met je geliefde? We hebben met de paplepel meegekregen dat we daar goed over moeten nadenken. Liefst zelfs een lijstje maken met voors en tegens. Daarmee overschatten we ons bewustzijn. Dat laat psycholoog Ap Dijksterhuis met een serie recente psychologische experimenten zien in zijn vorig jaar verschenen boek Het slimme onbewuste.
Nee, het onbewuste is niet iets vaags. Het is een etiket voor alle hersenprocessen die ons laten functioneren zonder door te dringen tot het bewustzijn. Aansturing van onze ademhaling bijvoorbeeld, of registreren van wat we om ons heen zien en horen. Allemaal functies van de evolutionair oudste delen van onze hersenen. Wanneer we op de fiets bliksemsnel uitwijken voor een overstekende voetganger, doen we dat eerder dan we beseffen. Vaak bepalen onbewuste processen ons gedrag. Slechts af en toe is het onbewuste zo aardig een verslagje door te geven aan het bewustzijn.
Dijksterhuis deed een fraai experiment. Hij liet proefpersonen kiezen uit vier (virtuele) appartementen, elk beschreven met twaalf aspecten. Een van de vier was het beste, en had acht positieve en vier negatieve kanten. De andere drie hadden vijf positieve en zeven negatieve kenmerken. De proefpersonen werden in drie groepen verdeeld. Snelle beslissers moesten meteen kiezen. Bewuste beslissers mochten een aantal minuten goed nadenken. Onbewuste beslissers werden eerst een tijdje afgeleid met een andere activiteit, zodat hun onbewuste tegelijkertijd de bewust opgenomen informatie kon herkauwen.
Zoals verwacht, presteerden de snelle beslissers het slechtste. De bewuste beslissers deden het beter, maar van de onbewuste beslissers nam het hoogste percentage de beste beslissing. Een hele nacht slapen hoeft dus niet altijd. Korter informatie parkeren in het onbewuste kan ook al helpen. De Harvard Business Review koos de conclusie van het het experiment als een van de Breakthrough Ideas for the Year 2007. Een nachtje slapen voor een betere beslissing – dat is nog eens een goedkope oplossing voor managers!
Eén experiment is geen experiment. Toch zijn diverse andere recente studies tot dezelfde conclusie gekomen. Zo bleek dat consumenten die eenvoudige producten hadden gekocht (zoals een handdoek) tevredener waren naarmate ze bewuster nadachten, maar dat consumenten die complexe producten kochten (zoals een auto) tevredener waren als ze ook het onbewuste een tijdje zijn werk hadden laten doen. Wie te veel nadenkt over een beslissing, gaat argumenten die makkelijk in woorden te vatten zijn belangrijker vinden dan moeilijk te formuleren argumenten. Probeer maar eens te vertellen waarom je geliefde je geliefde is.
Het bewustzijn kan dingen alleen maar een voor een doen, en verwerkt maximaal ongeveer zestig bits per seconde. Het onbewuste kan een heleboel tegelijk en kan in een seconde bijna tweehonderdduizend maal zoveel informatie verwerken: 11,2 miljoen bits. Denk alleen maar aan de hoeveelheid informatie die in bewegende beelden met geluid zit. Bij eenvoudige beslissingen, die je precies kunt formuleren, werkt bewust nadenken goed. Maar hoe gecompliceerder de beslissing, hoe beter het is er een nachtje over te slapen.
Labels:
Psychologie,
Trouw
Wanneer begint de volgende ijstijd?
Dit artikel is gepubliceerd in Trouw, 10 maart 2008
Geologisch gezien zijn ijstijden de afgelopen half miljoen jaar de norm geweest en is de huidige warme periode een uitzondering. Al 11,5 duizend jaar heeft de mens het geluk in een interglaciaal te leven, een relatief warme periode tussen ijstijden in. IJstijden duren ruwweg 90.000 jaar en worden afgewisseld met kortere warme perioden. De warme perioden duren tussen enkele duizenden jaren tot meer dan tienduizend jaar bij de huidige piek. Maar er komt onherroepelijk een einde aan. Dan breekt een lange ijstijd aan en groeien de aardse ijskappen flink. De noordpoolkap verovert dan Scandinavië, Canada en soms zelfs Noord-Nederland. De Utrechtse heuvelrug en de Veluwe zijn er het gevolg van. In ijstijden ligt de wereldgemiddelde temperatuur tussen de twee en acht graden lager dan die van de huidige warme periode.
Voorspellen wanneer de volgende ijstijd begint, is buitengewoon moeilijk. Drie factoren spelen zeker een rol. De licht ellipsvormige baan van de aarde om de zon is soms iets ronder en soms iets minder rond. Dat maakt uit voor hoe dicht de aarde gemiddeld bij de zon staat en dus hoeveel zonne-energie de aarde ontvangt. Die vorm varieert in een cyclus van ongeveer 100.000 jaar. Ten tweede doet de stand van de aardas een duit in het zakje. Omdat deze schuin staat, kent de aarde seizoenen. Met een cyclustijd van zo’n 41.00 jaar verandert de hoek een klein beetje. Is de hoek iets kleiner, dan zijn de zomers iets koeler. De derde belangrijke invloed ontstaat doordat de aardas niet alleen een beetje van hoek verandert, maar ook heel langzaam wiebelt rond de verticaal, net zoals een tol doet wanneer hij niet meer op zijn hardst ronddraait. Dat wiebelen gebeurt met een cyclus van ongeveer 23.000 jaar.
Deze drie effecten spelen door elkaar heen. Maar in de getallen zitten flinke onzekerheden, en geen wetenschapper zal beweren dat hij het geologisch grillige temperatuurverloop precies kan reconstrueren, laat staan voorspellen. Op een tijdschaal van honderdduizenden jaren zit er een regelmatig patroon in, maar de details op een schaal van honderden jaren begrijpen we (nog) niet. Er lijkt een chaotisch effect in te zitten. Bij het voorspellen van de volgende ijstijd moeten we dus een stevige slag om de arm houden. “Op grond van alleen deze drie factoren zou het waarschijnlijk nog zo’n 50.000 jaar duren voor de volgende ijstijd begint”, denkt Hans Renssen, universitair hoofddocent paleoklimatologie – het klimaat in het verre verleden – van de Vrije Universiteit Amsterdam.
Inmiddels is de menselijke bemoeienis erbij gekomen. Het verstoken van fossiele brandstoffen heeft meer broeikasgas in de atmosfeer gebracht dan er de afgelopen honderdduizenden jaren van nature in zat. Renssen: “Het extra broeikasgas zou het aanbreken van de volgende ijstijd kunnen uitstellen. Verschillende modellen doen echter sterk uiteenlopende voorspellingen. Volgens het meest extreme model breekt de volgende ijstijd pas over 500.000 jaar aan. Andere modellen houden op 100.000 jaar. Ik denk dat dat realistischer is.” Hoe het ook zij, na opwarming komt afkoeling, en niet zo’n beetje ook. Dat is een geologische waarheid als een koe.
Geologisch gezien zijn ijstijden de afgelopen half miljoen jaar de norm geweest en is de huidige warme periode een uitzondering. Al 11,5 duizend jaar heeft de mens het geluk in een interglaciaal te leven, een relatief warme periode tussen ijstijden in. IJstijden duren ruwweg 90.000 jaar en worden afgewisseld met kortere warme perioden. De warme perioden duren tussen enkele duizenden jaren tot meer dan tienduizend jaar bij de huidige piek. Maar er komt onherroepelijk een einde aan. Dan breekt een lange ijstijd aan en groeien de aardse ijskappen flink. De noordpoolkap verovert dan Scandinavië, Canada en soms zelfs Noord-Nederland. De Utrechtse heuvelrug en de Veluwe zijn er het gevolg van. In ijstijden ligt de wereldgemiddelde temperatuur tussen de twee en acht graden lager dan die van de huidige warme periode.
Voorspellen wanneer de volgende ijstijd begint, is buitengewoon moeilijk. Drie factoren spelen zeker een rol. De licht ellipsvormige baan van de aarde om de zon is soms iets ronder en soms iets minder rond. Dat maakt uit voor hoe dicht de aarde gemiddeld bij de zon staat en dus hoeveel zonne-energie de aarde ontvangt. Die vorm varieert in een cyclus van ongeveer 100.000 jaar. Ten tweede doet de stand van de aardas een duit in het zakje. Omdat deze schuin staat, kent de aarde seizoenen. Met een cyclustijd van zo’n 41.00 jaar verandert de hoek een klein beetje. Is de hoek iets kleiner, dan zijn de zomers iets koeler. De derde belangrijke invloed ontstaat doordat de aardas niet alleen een beetje van hoek verandert, maar ook heel langzaam wiebelt rond de verticaal, net zoals een tol doet wanneer hij niet meer op zijn hardst ronddraait. Dat wiebelen gebeurt met een cyclus van ongeveer 23.000 jaar.
Deze drie effecten spelen door elkaar heen. Maar in de getallen zitten flinke onzekerheden, en geen wetenschapper zal beweren dat hij het geologisch grillige temperatuurverloop precies kan reconstrueren, laat staan voorspellen. Op een tijdschaal van honderdduizenden jaren zit er een regelmatig patroon in, maar de details op een schaal van honderden jaren begrijpen we (nog) niet. Er lijkt een chaotisch effect in te zitten. Bij het voorspellen van de volgende ijstijd moeten we dus een stevige slag om de arm houden. “Op grond van alleen deze drie factoren zou het waarschijnlijk nog zo’n 50.000 jaar duren voor de volgende ijstijd begint”, denkt Hans Renssen, universitair hoofddocent paleoklimatologie – het klimaat in het verre verleden – van de Vrije Universiteit Amsterdam.
Inmiddels is de menselijke bemoeienis erbij gekomen. Het verstoken van fossiele brandstoffen heeft meer broeikasgas in de atmosfeer gebracht dan er de afgelopen honderdduizenden jaren van nature in zat. Renssen: “Het extra broeikasgas zou het aanbreken van de volgende ijstijd kunnen uitstellen. Verschillende modellen doen echter sterk uiteenlopende voorspellingen. Volgens het meest extreme model breekt de volgende ijstijd pas over 500.000 jaar aan. Andere modellen houden op 100.000 jaar. Ik denk dat dat realistischer is.” Hoe het ook zij, na opwarming komt afkoeling, en niet zo’n beetje ook. Dat is een geologische waarheid als een koe.
Monday, March 3, 2008
Waarom is de mens de enige soort die huilt met tranen?
Dit artikel is gepubliceerd in Trouw, 3 maart 2008
Als ik u vraag om nú te lachen, dan trekt u uw mondhoeken omhoog. Een gemaakt lachje. Boos kijken, dat lukt ook wel. Maar spontaan de waterlanders over uw wangen laten rollen is moeilijk, zelfs voor goede acteurs. Hooguit huilt u krokodillentranen.
Tranen biggelen uit de traanklieren in onze ooghoeken. Veel dieren hebben die klieren ook, en als hun ogen geïrriteerd zijn, dan kan er traanvocht verschijnen. Ook hebben veel dieren emoties die in principe gepaard zouden kunnen gaan met huilen. Toch huilen dieren geen tranen met tuiten, zelfs krokodillen niet. Het lijkt erop alsof hun breinen verbindingen missen die onze relatief grote, bijna anderhalve kilo hersenkwabben wel hebben.
De Amerikaan Marc Hauser is hoogleraar psychologie aan de Harvard University. In vergelijkend onderzoek bij mensen en apen bestudeert hij hoe vermogens als taal, wiskunde, muziek en moraal zijn ontstaan uit hersenbouwstenen die onze evolutionair verwanten ook hebben. “Waarom de mens de énige soort is die huilt met tranen, weten we niet”, vertelt Hauser in Boston. “Het is net als met het ontstaan van taal. We hebben nog te weinig fossiele gegevens en te weinig kennis van de hersenen om die vragen te beantwoorden. Dan vervallen we snel in het bedenken van verhalen die weliswaar plausibel klinken, maar moeilijk experimenteel te testen zijn.”
Maar gegeven dát ooit de eerste tranen van onze wangen rolden, kunnen we wel uitleggen wat de functie is, aldus Hauser. “Behalve extreem blozen, is huilen de enige emotionele uiting die voor vrij lange tijd sporen achterlaat: onze ogen worden nat, tranen rollen van onze wangen, onze blik wordt wazig. Dat is een handicap. Waarom zouden we dan huilen? Waarschijnlijk is het als een toevallig evolutionair bijproduct ontstaan. Maar toen het eenmaal ontstond, bood het voordelen. Huilen is kostbaar, moeilijk te simuleren en daarom een heel eerlijk signaal aan onze omgeving. Een signaal dat we een ander dichtbij ons willen om ons te troosten wanneer we heel verdrietig zijn en om onze ervaring te delen wanneer we juist heel blij zijn. Als we een stevige arm om ons heen voelen, stoppen we vaak met huilen. Misschien is dat fysieke contact precies wat we dan willen. Ook in het dierenrijk zien we dat signalen die heel kostbaar zijn om te produceren, heel eerlijk zijn. Alleen fitte gazellen springen op hun achterpoten de lucht in om een cheeta te imponeren. Voor veinzers ligt de drempel te hoog.”
Dieren hebben capaciteiten ontwikkeld om specifieke problemen op te lossen. ‘Laser-beam intelligence’ noemt Hauser dat. Bijen gebruiken hun eenvoudige ‘danstaal’ op één manier: om aan te geven waar voedsel ligt. Mensen kunnen capaciteiten niet slechts voor één specifiek probleem gebruiken, maar voor meerdere. ‘Floodlight-intelligence’ in de woorden van de Amerikaan. Het geheim zit waarschijnlijk in extra verbindingen tussen hersenmodules die wij wel hebben en dieren niet. En zo is bij ons op een of andere manier een verbinding ontstaan tussen de hersenmodules ‘emotie voelen’ en ‘tranen produceren’.
Als ik u vraag om nú te lachen, dan trekt u uw mondhoeken omhoog. Een gemaakt lachje. Boos kijken, dat lukt ook wel. Maar spontaan de waterlanders over uw wangen laten rollen is moeilijk, zelfs voor goede acteurs. Hooguit huilt u krokodillentranen.
Tranen biggelen uit de traanklieren in onze ooghoeken. Veel dieren hebben die klieren ook, en als hun ogen geïrriteerd zijn, dan kan er traanvocht verschijnen. Ook hebben veel dieren emoties die in principe gepaard zouden kunnen gaan met huilen. Toch huilen dieren geen tranen met tuiten, zelfs krokodillen niet. Het lijkt erop alsof hun breinen verbindingen missen die onze relatief grote, bijna anderhalve kilo hersenkwabben wel hebben.
De Amerikaan Marc Hauser is hoogleraar psychologie aan de Harvard University. In vergelijkend onderzoek bij mensen en apen bestudeert hij hoe vermogens als taal, wiskunde, muziek en moraal zijn ontstaan uit hersenbouwstenen die onze evolutionair verwanten ook hebben. “Waarom de mens de énige soort is die huilt met tranen, weten we niet”, vertelt Hauser in Boston. “Het is net als met het ontstaan van taal. We hebben nog te weinig fossiele gegevens en te weinig kennis van de hersenen om die vragen te beantwoorden. Dan vervallen we snel in het bedenken van verhalen die weliswaar plausibel klinken, maar moeilijk experimenteel te testen zijn.”
Maar gegeven dát ooit de eerste tranen van onze wangen rolden, kunnen we wel uitleggen wat de functie is, aldus Hauser. “Behalve extreem blozen, is huilen de enige emotionele uiting die voor vrij lange tijd sporen achterlaat: onze ogen worden nat, tranen rollen van onze wangen, onze blik wordt wazig. Dat is een handicap. Waarom zouden we dan huilen? Waarschijnlijk is het als een toevallig evolutionair bijproduct ontstaan. Maar toen het eenmaal ontstond, bood het voordelen. Huilen is kostbaar, moeilijk te simuleren en daarom een heel eerlijk signaal aan onze omgeving. Een signaal dat we een ander dichtbij ons willen om ons te troosten wanneer we heel verdrietig zijn en om onze ervaring te delen wanneer we juist heel blij zijn. Als we een stevige arm om ons heen voelen, stoppen we vaak met huilen. Misschien is dat fysieke contact precies wat we dan willen. Ook in het dierenrijk zien we dat signalen die heel kostbaar zijn om te produceren, heel eerlijk zijn. Alleen fitte gazellen springen op hun achterpoten de lucht in om een cheeta te imponeren. Voor veinzers ligt de drempel te hoog.”
Dieren hebben capaciteiten ontwikkeld om specifieke problemen op te lossen. ‘Laser-beam intelligence’ noemt Hauser dat. Bijen gebruiken hun eenvoudige ‘danstaal’ op één manier: om aan te geven waar voedsel ligt. Mensen kunnen capaciteiten niet slechts voor één specifiek probleem gebruiken, maar voor meerdere. ‘Floodlight-intelligence’ in de woorden van de Amerikaan. Het geheim zit waarschijnlijk in extra verbindingen tussen hersenmodules die wij wel hebben en dieren niet. En zo is bij ons op een of andere manier een verbinding ontstaan tussen de hersenmodules ‘emotie voelen’ en ‘tranen produceren’.
Labels:
Psychologie,
Trouw
Monday, February 25, 2008
Kan een hersenscanner een leugenaar betrappen?
Dit artikel is gepubliceerd in Trouw, 25 februari 2008
De afgelopen jaren zijn zo’n vijftien wetenschappelijke studies uitgevoerd naar de mogelijkheid van een fMRI-hersenscanner als leugendetector. Het principe is erop gebaseerd dat het vertellen van de waarheid een soort voorgeprogrammeerde instelling van de hersenen blijkt te zijn. Om de waarheid te vertellen hoeven je hersenen geen extra moeite te doen. Ga je liegen, dan moeten de hersenen extra hun best doen om de waarheid te onderdrukken. Meer hersengebiedjes worden actief, waardoor ze oplichten op een hersenscan.
In zo’n studie moeten proefpersonen bijvoorbeeld een speelkaart uit stapeltje van vijf trekken en dan liegen over welke kaart ze hebben. “Bij dit soort eenvoudige tests scoort de hersenscanner als leugendetector tussen de 78 en 90%”, zegt Ewout Meijer, psycholoog van de Universiteit van Maastricht. Hij hoopt dit jaar te promoveren op onderzoek naar de vraag hoe je aan- of afwezigheid van daderkennis kunt aantonen. “Die studies hebben wel allemaal connecties met bedrijven die de hersenscanner als leugendetector willen gebruiken.”
Tussen de 78 en 90%? Dat levert in de rechtszaal geen enkele bewijskracht. De fundamentele problemen zijn legio en lijken onoverkomelijk. Meijer: “Er is niet één type leugen; er is niet één leugenreactie in de hersenen, en er is niet één leugencentrum. Bovendien zijn de individuele verschillen tussen mensen groot. Liegen is een complex cognitief proces. Je kunt alleen kijken naar processen die indirect met liegen te maken hebben.”
Als dat nog niet genoeg obstakels zijn, dan staat de fMRI-leugendetector nog voor een probleem met de logica: liegen gaat gepaard met onderdrukking in de hersenen, maar dat betekent niet dat onderdrukking liegen aantoont. “En daarmee zijn we bij hetzelfde fundamentele probleem dat de bijna een eeuw oude polygraaf heeft”, aldus Meijer. De polygraaf meet fysiologische reacties die samenhangen met zenuwen, zoals de huidgeleiding. Nu gaat liegen vaak gepaard met zenuwen, maar dat betekent niet automatisch dat iemand die zenuwachtig is liegt.
En hoe zit het met de basisinstelling van de hersenen? Kun je die niet zelf veranderen als je de leugen maar lang genoeg volhoudt? “Dat zou best kunnen”, denkt Meijer. “Uit experimenteel onderzoek buiten het terrein van de leugen weten we dat die basisinstelling makkelijk te veranderen is.”
Ondanks alle fundamentele problemen, is de hersenscanner als leugendetector toch al commerciële praktijk. Bij het Amerikaanse bedrijf No Lie MRI kun je voor tienduizend dollar nu al een hersenscan laten maken die zou moeten aantonen dat je niet liegt, stel dat je wordt beschuldigd van een misdrijf. Op zijn website beweert het bedrijf dat hun leugendetector een betrouwbaarheid van 90% haalt, ‘die waarschijnlijk stijgt tot 99% wanneer de No Lie MRI is uitontwikkeld’.
Meijer over die claim: “Ze gebruiken een cirkelredenering. Wanneer haalt het apparaat 99%? Als het uitontwikkeld is. Wanneer is het apparaat uitontwikkeld? Als het 99% haalt. Maar sowieso is hun claim absolute onzin. 99% is onhaalbaar. De fundamentele problemen van de leugendetectie los je niet op met een betere hersenscanner.”
De afgelopen jaren zijn zo’n vijftien wetenschappelijke studies uitgevoerd naar de mogelijkheid van een fMRI-hersenscanner als leugendetector. Het principe is erop gebaseerd dat het vertellen van de waarheid een soort voorgeprogrammeerde instelling van de hersenen blijkt te zijn. Om de waarheid te vertellen hoeven je hersenen geen extra moeite te doen. Ga je liegen, dan moeten de hersenen extra hun best doen om de waarheid te onderdrukken. Meer hersengebiedjes worden actief, waardoor ze oplichten op een hersenscan.
In zo’n studie moeten proefpersonen bijvoorbeeld een speelkaart uit stapeltje van vijf trekken en dan liegen over welke kaart ze hebben. “Bij dit soort eenvoudige tests scoort de hersenscanner als leugendetector tussen de 78 en 90%”, zegt Ewout Meijer, psycholoog van de Universiteit van Maastricht. Hij hoopt dit jaar te promoveren op onderzoek naar de vraag hoe je aan- of afwezigheid van daderkennis kunt aantonen. “Die studies hebben wel allemaal connecties met bedrijven die de hersenscanner als leugendetector willen gebruiken.”
Tussen de 78 en 90%? Dat levert in de rechtszaal geen enkele bewijskracht. De fundamentele problemen zijn legio en lijken onoverkomelijk. Meijer: “Er is niet één type leugen; er is niet één leugenreactie in de hersenen, en er is niet één leugencentrum. Bovendien zijn de individuele verschillen tussen mensen groot. Liegen is een complex cognitief proces. Je kunt alleen kijken naar processen die indirect met liegen te maken hebben.”
Als dat nog niet genoeg obstakels zijn, dan staat de fMRI-leugendetector nog voor een probleem met de logica: liegen gaat gepaard met onderdrukking in de hersenen, maar dat betekent niet dat onderdrukking liegen aantoont. “En daarmee zijn we bij hetzelfde fundamentele probleem dat de bijna een eeuw oude polygraaf heeft”, aldus Meijer. De polygraaf meet fysiologische reacties die samenhangen met zenuwen, zoals de huidgeleiding. Nu gaat liegen vaak gepaard met zenuwen, maar dat betekent niet automatisch dat iemand die zenuwachtig is liegt.
En hoe zit het met de basisinstelling van de hersenen? Kun je die niet zelf veranderen als je de leugen maar lang genoeg volhoudt? “Dat zou best kunnen”, denkt Meijer. “Uit experimenteel onderzoek buiten het terrein van de leugen weten we dat die basisinstelling makkelijk te veranderen is.”
Ondanks alle fundamentele problemen, is de hersenscanner als leugendetector toch al commerciële praktijk. Bij het Amerikaanse bedrijf No Lie MRI kun je voor tienduizend dollar nu al een hersenscan laten maken die zou moeten aantonen dat je niet liegt, stel dat je wordt beschuldigd van een misdrijf. Op zijn website beweert het bedrijf dat hun leugendetector een betrouwbaarheid van 90% haalt, ‘die waarschijnlijk stijgt tot 99% wanneer de No Lie MRI is uitontwikkeld’.
Meijer over die claim: “Ze gebruiken een cirkelredenering. Wanneer haalt het apparaat 99%? Als het uitontwikkeld is. Wanneer is het apparaat uitontwikkeld? Als het 99% haalt. Maar sowieso is hun claim absolute onzin. 99% is onhaalbaar. De fundamentele problemen van de leugendetectie los je niet op met een betere hersenscanner.”
Labels:
Hersenonderzoek,
Trouw
Monday, February 18, 2008
Waarom draait de aarde om zijn as?
Dit artikel is gepubliceerd in Trouw, 18 februari 2008
Het heelal was al 9,1 miljard jaar oud toen de aarde ontstond. Bij die gewelddadige vorming – 4,6 miljard jaar geleden – ging de aarde ook om zijn eigen as tollen. Eenmaal in de 24 uur, tenminste vandaag de dag. Maar hoe ontstond die draaiing?
Astronoom Carsten Dominik van de Universiteit van Amsterdam en de Radboud Universiteit Nijmegen bestudeert de vorming van planeten. “Stel dat je met een tennisracket tegen een bal slaat die niet roteert. Dan is de kans groot dat de bal wel roteert nadat je er tegen hebt geslagen. Meestal raak je de bal zodanig dat hij rond zijn eigen as gaat draaien.”
Tijdens de vorming van ons zonnestelsel – uit een enorme draaiende schijf van gas en stof – stortten rotsklompen van één tot enkele kilometers breed op elkaar. Zo ontstonden de planeten. En als er weer eens een nieuwe rotsklomp op de mini-aarde viel, dan groeide de mini-aarde niet alleen, hij kreeg ook weer een extra draaiing. Soms hard, soms zacht. Soms de ene kant op, soms de andere. Al die inslagen samen vormden niet alleen de aarde die we nu kennen, maar gaven er ook op een toevallige manier een draaiing aan.
De aarde draait naar het oosten. Als die richting willekeurig is bepaald, zijn er dan ook planeten in ons zonnestelsel die een andere kant op draaien? Dominik: “Venus draait nauwelijks. Mercurius draait heel langzaam. En Mars draait in dezelfde richting als de aarde. Alleen bij planeten ter grootte van de aarde of kleiner is de draaiing toevallig bepaald. Voor grotere planeten geldt dat niet meer. Die trekken zo hard aan de rotsklompen, dat die klompen steeds op dezelfde manier op de planeet storten. Dan krijg je een voorkeursdraaiing. De aarde ligt in het grensgebied. Astronomen discussiëren nog of de draaiing net wel volledig door het toeval is bepaald, of net niet.”
En als een planeet eenmaal draait, dan zijn de krachten die er op werken zo klein dat hij maar heel langzaam afremt. Dominik: “Per eeuw duurt een aardrotatie – een dag dus – 2,5 duizendste van een seconde langer. De belangrijkste oorzaak is de zwaartekracht die de maan op de aarde uitoefent, en vooral op de oceanen. Op elk moment is er een vloedberg aan de kant van de aarde die het dichtst bij de maan staat, en een andere aan de tegenoverliggende kant. De aarde draait onder die vloedbergen door. Dat veroorzaakt wrijving, waardoor de draaiing steeds trager gaat.”
Hoe verder in het verleden, hoe sneller de aarde draaide, en dus hoe korter de dagen. In het tijdperk van de dinosaurussen draaide de aarde in een volledige baan rond de zon 370 maal om zijn as, in plaats van de 365 van nu. Twee miljard jaar geleden was dat achthonderd maal in een jaar. Dat is zelfs afgeleid uit de gelaagdheid van gefossiliseerde koloniën cyanobacteriën (stromatolieten).
Het heelal was al 9,1 miljard jaar oud toen de aarde ontstond. Bij die gewelddadige vorming – 4,6 miljard jaar geleden – ging de aarde ook om zijn eigen as tollen. Eenmaal in de 24 uur, tenminste vandaag de dag. Maar hoe ontstond die draaiing?
Astronoom Carsten Dominik van de Universiteit van Amsterdam en de Radboud Universiteit Nijmegen bestudeert de vorming van planeten. “Stel dat je met een tennisracket tegen een bal slaat die niet roteert. Dan is de kans groot dat de bal wel roteert nadat je er tegen hebt geslagen. Meestal raak je de bal zodanig dat hij rond zijn eigen as gaat draaien.”
Tijdens de vorming van ons zonnestelsel – uit een enorme draaiende schijf van gas en stof – stortten rotsklompen van één tot enkele kilometers breed op elkaar. Zo ontstonden de planeten. En als er weer eens een nieuwe rotsklomp op de mini-aarde viel, dan groeide de mini-aarde niet alleen, hij kreeg ook weer een extra draaiing. Soms hard, soms zacht. Soms de ene kant op, soms de andere. Al die inslagen samen vormden niet alleen de aarde die we nu kennen, maar gaven er ook op een toevallige manier een draaiing aan.
De aarde draait naar het oosten. Als die richting willekeurig is bepaald, zijn er dan ook planeten in ons zonnestelsel die een andere kant op draaien? Dominik: “Venus draait nauwelijks. Mercurius draait heel langzaam. En Mars draait in dezelfde richting als de aarde. Alleen bij planeten ter grootte van de aarde of kleiner is de draaiing toevallig bepaald. Voor grotere planeten geldt dat niet meer. Die trekken zo hard aan de rotsklompen, dat die klompen steeds op dezelfde manier op de planeet storten. Dan krijg je een voorkeursdraaiing. De aarde ligt in het grensgebied. Astronomen discussiëren nog of de draaiing net wel volledig door het toeval is bepaald, of net niet.”
En als een planeet eenmaal draait, dan zijn de krachten die er op werken zo klein dat hij maar heel langzaam afremt. Dominik: “Per eeuw duurt een aardrotatie – een dag dus – 2,5 duizendste van een seconde langer. De belangrijkste oorzaak is de zwaartekracht die de maan op de aarde uitoefent, en vooral op de oceanen. Op elk moment is er een vloedberg aan de kant van de aarde die het dichtst bij de maan staat, en een andere aan de tegenoverliggende kant. De aarde draait onder die vloedbergen door. Dat veroorzaakt wrijving, waardoor de draaiing steeds trager gaat.”
Hoe verder in het verleden, hoe sneller de aarde draaide, en dus hoe korter de dagen. In het tijdperk van de dinosaurussen draaide de aarde in een volledige baan rond de zon 370 maal om zijn as, in plaats van de 365 van nu. Twee miljard jaar geleden was dat achthonderd maal in een jaar. Dat is zelfs afgeleid uit de gelaagdheid van gefossiliseerde koloniën cyanobacteriën (stromatolieten).
Labels:
Sterrenkunde,
Trouw
Monday, February 11, 2008
Waarom is het zo moeilijk om een geheim te bewaren?
Dit artikel is verschenen in dagblad TROUW, 11 februari 2008
Ga vijf minuten rustig zitten, en probeer niet aan een witte beer te denken.
De kans is groot dat je gemiddeld eenmaal per minuut toch aan een witte beer denkt. Dat bleek uit een experiment waarover de Amerikaanse psycholoog Daniel Wegner in 1987 publiceerde. Proefpersonen dachten na het experiment ook vaker aan de witte beer dan zij die de gedachte niet hoefden te onderdrukken. En, om tijdens de proef maar niet aan de witte beer te denken, probeerden de vrijwilligers hun aandacht te concentreren op voorwerpen in de labruimte: de ventilator, een afstandsbediening, het plafond. Gevolg: de hersenen gingen de ventilator, de afstandsbediening en het plafond juist associëren met de witte beer. Het beest dook ineens overal op.
Voor weinig mensen zal de witte beer een persoonlijke betekenis hebben. Maar het ontbreekt ons niet aan persoonlijke gebeurtenissen die we echt geheim willen houden, bang voor schaamte, uitsluiting of echtscheiding. Als de gedachte aan een betekenisloze witte beer al zo lastig te onderdrukken is, hoe zit het dan met het geheim van overspel, seksueel misbruik, depressie, dopinggebruik, schulden of stelen?
Pas twee decennia gebeurt er serieus wetenschappelijk onderzoek naar het hebben van geheimen. In 1995 liet Wegner zien dat mensen die een eerder verbroken liefdesrelatie verborgen hielden tegenover hun nieuwe partner juist vaker aan de vorige geliefde denken dan zij die dat niet geheim hielden.
Vaak aangehaald, deels experimenteel ondersteund, maar nooit onomstotelijk bewezen, is de onderdrukkingstheorie uit 1989 van de Amerikaanse psycholoog James Pennebaker. Van nature willen we praten over wat we meemaken. En, tja, dat is nu eenmaal de waarheid, hoe ongemakkelijk ook. Onderdrukken roept een tijdelijke stressreactie op. Hoe langer we het geheim onderdrukken, hoe vaker we in de stress schieten. Totdat we zelfs voortdurend stresshormonen aanmaken. Geniepige lichamelijke en geestelijke ziekmakers.
Psycholoog Tom Frijns liet in 2005 in zijn proefschrift Keeping Secrets zien dat het belangrijk is om een onderscheid te maken tussen individuele geheimen – die je met niemand deelt – en gedeelde geheimen – die je met een of meer personen deelt, erop vertrouwend dat zij het geheim niet verklappen. Gedeelde geheimen blijken veel meer voor te komen dan individuele geheimen. Frijns vond dat in ieder geval bij adolescenten individuele geheimen psychosociale problemen kunnen veroorzaken, maar gedeelde geheimen niet. Sterker nog, volgens hem kan het delen van een geheim de sociale vaardigheden van een jong volwassene trainen. Je moet nadenken aan wie je het vertelt en hoe.
Vorig jaar schreef psycholoog en geheimenonderzoeker Andreas Wismeijer in het Tijdschrift voor Psychiatrie dat een groeiend aantal experimentele onderzoeken er op wijst dat het onderdrukken van geheimen tot lichamelijke klachten kan leiden. Maar ook dat veel onderzoeken aantonen dat het delen van een geheim helend kan werken: door er tegenover iemand over te praten, door erover te schrijven in een dagboek, in een nooit verstuurde brief of zelfs anoniem toe te vertrouwen aan het internet.
Internet
Tom Frijns. Keeping Secrets. http://dare.ubvu.vu.nl/bitstream/1871/9001/1/KeepingSecrets.pdf
Andreas Wismeijer. De emotionele belasting van geheimen.
http://webwijs2.uvt.nl/publications/665169.pdf
Ga vijf minuten rustig zitten, en probeer niet aan een witte beer te denken.
De kans is groot dat je gemiddeld eenmaal per minuut toch aan een witte beer denkt. Dat bleek uit een experiment waarover de Amerikaanse psycholoog Daniel Wegner in 1987 publiceerde. Proefpersonen dachten na het experiment ook vaker aan de witte beer dan zij die de gedachte niet hoefden te onderdrukken. En, om tijdens de proef maar niet aan de witte beer te denken, probeerden de vrijwilligers hun aandacht te concentreren op voorwerpen in de labruimte: de ventilator, een afstandsbediening, het plafond. Gevolg: de hersenen gingen de ventilator, de afstandsbediening en het plafond juist associëren met de witte beer. Het beest dook ineens overal op.
Voor weinig mensen zal de witte beer een persoonlijke betekenis hebben. Maar het ontbreekt ons niet aan persoonlijke gebeurtenissen die we echt geheim willen houden, bang voor schaamte, uitsluiting of echtscheiding. Als de gedachte aan een betekenisloze witte beer al zo lastig te onderdrukken is, hoe zit het dan met het geheim van overspel, seksueel misbruik, depressie, dopinggebruik, schulden of stelen?
Pas twee decennia gebeurt er serieus wetenschappelijk onderzoek naar het hebben van geheimen. In 1995 liet Wegner zien dat mensen die een eerder verbroken liefdesrelatie verborgen hielden tegenover hun nieuwe partner juist vaker aan de vorige geliefde denken dan zij die dat niet geheim hielden.
Vaak aangehaald, deels experimenteel ondersteund, maar nooit onomstotelijk bewezen, is de onderdrukkingstheorie uit 1989 van de Amerikaanse psycholoog James Pennebaker. Van nature willen we praten over wat we meemaken. En, tja, dat is nu eenmaal de waarheid, hoe ongemakkelijk ook. Onderdrukken roept een tijdelijke stressreactie op. Hoe langer we het geheim onderdrukken, hoe vaker we in de stress schieten. Totdat we zelfs voortdurend stresshormonen aanmaken. Geniepige lichamelijke en geestelijke ziekmakers.
Psycholoog Tom Frijns liet in 2005 in zijn proefschrift Keeping Secrets zien dat het belangrijk is om een onderscheid te maken tussen individuele geheimen – die je met niemand deelt – en gedeelde geheimen – die je met een of meer personen deelt, erop vertrouwend dat zij het geheim niet verklappen. Gedeelde geheimen blijken veel meer voor te komen dan individuele geheimen. Frijns vond dat in ieder geval bij adolescenten individuele geheimen psychosociale problemen kunnen veroorzaken, maar gedeelde geheimen niet. Sterker nog, volgens hem kan het delen van een geheim de sociale vaardigheden van een jong volwassene trainen. Je moet nadenken aan wie je het vertelt en hoe.
Vorig jaar schreef psycholoog en geheimenonderzoeker Andreas Wismeijer in het Tijdschrift voor Psychiatrie dat een groeiend aantal experimentele onderzoeken er op wijst dat het onderdrukken van geheimen tot lichamelijke klachten kan leiden. Maar ook dat veel onderzoeken aantonen dat het delen van een geheim helend kan werken: door er tegenover iemand over te praten, door erover te schrijven in een dagboek, in een nooit verstuurde brief of zelfs anoniem toe te vertrouwen aan het internet.
Internet
Tom Frijns. Keeping Secrets. http://dare.ubvu.vu.nl/bitstream/1871/9001/1/KeepingSecrets.pdf
Andreas Wismeijer. De emotionele belasting van geheimen.
http://webwijs2.uvt.nl/publications/665169.pdf
Labels:
Psychologie,
Trouw
Friday, February 8, 2008
Maakt techniek gelukkig?
Nog meer muziek op je i-pod; een nog snellere computer; nog meer tv-kanalen. Draadloos internetten in het vliegtuig; mobiel bereikbaar zijn op elke gletsjer, in elke fjord, in elk oerwoud; het mobieltje als filmcamera, wereldnavigator, mega-encyclopedie en continu spuwende nieuwsvulkaan. De technische mogelijkheden lijken onbegrensd, maar hoe zit het met ons geluk?
“Meer techniek draagt bij aan meer geluk, maar alleen tot een bepaald niveau”, zegt Harry Lintsen, hoogleraar geschiedenis van de techniek aan de TU Eindhoven. “Wanneer techniek wezenlijk bijdraagt aan onze gezondheid en aan onze basisbehoeften van voeding, woning en kleding, dan maakt meer techniek inderdaad gelukkiger.” Zo scoort Nederland hoger op de technologie-index dan India, en India weer hoger dan Tanzania. En hetzelfde geldt voor het geluksgevoel. Maar Zweden scoort hoger dan Nederland op de technologie-index, terwijl het geluksniveau er gelijk ligt.
Wanneer techniek niet meer wezenlijk bijdraagt aan het vervullen van de basisbehoeften, dan wordt een verzadigingsniveau bereikt. Lintsen: “Nederland bereikte dat niveau in de jaren zestig. Voor zover we dat kunnen meten, voelt de gemiddelde Nederlander van nu zich gelukkiger dan die van honderd jaar geleden, maar niet dan die van veertig jaar geleden. Hoogstens zitten in de laatste decennia kleine golfbewegingen op dat basisniveau. Andere factoren dan techniek spelen nu een belangrijkere rol voor ons geluk: sociale relaties; zelfontplooiing; zingeving en het al dan niet optreden van rampzalige gebeurtenissen in je leven.” Van het nieuwste mobieltje en de snellere computer is de lol weer snel af. Net als van meer geld. Een half jaar na een flinke salarisverhoging is het extra geluksgevoel alweer verdwenen.
In de plaats van het sjouwen in fabrieken, bracht de modernisering wel nieuwe problemen: een druk leven, werkstress, en recent zelfs informatiestress. Heeft dat ons geluksgevoel veranderd? Het onderzoek suggereert van niet. In een ander opzicht overtreffen volgens Lintsen wel de positieve effecten van de technologisering de negatieve. “Dat wordt in ieder geval gesuggereerd door het feit dat de welzijnsindex nog is gegroeid.” De welzijnsindex is een door economen geconstrueerde geluksformule, die bijvoorbeeld ook de inkomensongelijkheid, de hoeveelheid vrije tijd en de milieuschade meeneemt. Maar het gaat uiteindelijk natuurlijk om hoe mensen zich voelen. Zo’n geluksformule kan ons niet dicteren dat we ons gelukkiger moeten voelen, als dat feitelijk niet gebeurt.
Ook als het geluksgevoel niet langer toeneemt, betekent dat trouwens niet dat een land achterover kan leunen. Lintsen: “Zie Rusland na de val van de muur en Argentinië na de financiële crisis in 2001. In beide landen nam zelfs de gemiddelde levensduur af. Wel verandert met het bereiken van het verzadigingsniveau de rol van de techniek. De nieuwe uitdaging ligt in duurzaamheid. Kunnen we dat geluksniveau eeuwenlang vasthouden? Voor duurzaamheid geldt nog de klassieke technologische vraag: ‘Kunnen we wat we willen?’ Als het gaat om mobieltjes, internet of andere toepassingen, dan is de nieuwe technologische vraag voor de 21e eeuw: ‘Willen we ook wat we kunnen?’”
Published in TROUW, February 4, 2008
“Meer techniek draagt bij aan meer geluk, maar alleen tot een bepaald niveau”, zegt Harry Lintsen, hoogleraar geschiedenis van de techniek aan de TU Eindhoven. “Wanneer techniek wezenlijk bijdraagt aan onze gezondheid en aan onze basisbehoeften van voeding, woning en kleding, dan maakt meer techniek inderdaad gelukkiger.” Zo scoort Nederland hoger op de technologie-index dan India, en India weer hoger dan Tanzania. En hetzelfde geldt voor het geluksgevoel. Maar Zweden scoort hoger dan Nederland op de technologie-index, terwijl het geluksniveau er gelijk ligt.
Wanneer techniek niet meer wezenlijk bijdraagt aan het vervullen van de basisbehoeften, dan wordt een verzadigingsniveau bereikt. Lintsen: “Nederland bereikte dat niveau in de jaren zestig. Voor zover we dat kunnen meten, voelt de gemiddelde Nederlander van nu zich gelukkiger dan die van honderd jaar geleden, maar niet dan die van veertig jaar geleden. Hoogstens zitten in de laatste decennia kleine golfbewegingen op dat basisniveau. Andere factoren dan techniek spelen nu een belangrijkere rol voor ons geluk: sociale relaties; zelfontplooiing; zingeving en het al dan niet optreden van rampzalige gebeurtenissen in je leven.” Van het nieuwste mobieltje en de snellere computer is de lol weer snel af. Net als van meer geld. Een half jaar na een flinke salarisverhoging is het extra geluksgevoel alweer verdwenen.
In de plaats van het sjouwen in fabrieken, bracht de modernisering wel nieuwe problemen: een druk leven, werkstress, en recent zelfs informatiestress. Heeft dat ons geluksgevoel veranderd? Het onderzoek suggereert van niet. In een ander opzicht overtreffen volgens Lintsen wel de positieve effecten van de technologisering de negatieve. “Dat wordt in ieder geval gesuggereerd door het feit dat de welzijnsindex nog is gegroeid.” De welzijnsindex is een door economen geconstrueerde geluksformule, die bijvoorbeeld ook de inkomensongelijkheid, de hoeveelheid vrije tijd en de milieuschade meeneemt. Maar het gaat uiteindelijk natuurlijk om hoe mensen zich voelen. Zo’n geluksformule kan ons niet dicteren dat we ons gelukkiger moeten voelen, als dat feitelijk niet gebeurt.
Ook als het geluksgevoel niet langer toeneemt, betekent dat trouwens niet dat een land achterover kan leunen. Lintsen: “Zie Rusland na de val van de muur en Argentinië na de financiële crisis in 2001. In beide landen nam zelfs de gemiddelde levensduur af. Wel verandert met het bereiken van het verzadigingsniveau de rol van de techniek. De nieuwe uitdaging ligt in duurzaamheid. Kunnen we dat geluksniveau eeuwenlang vasthouden? Voor duurzaamheid geldt nog de klassieke technologische vraag: ‘Kunnen we wat we willen?’ Als het gaat om mobieltjes, internet of andere toepassingen, dan is de nieuwe technologische vraag voor de 21e eeuw: ‘Willen we ook wat we kunnen?’”
Published in TROUW, February 4, 2008
Subscribe to:
Posts (Atom)