Na een overheerlijk donker kasteelbiertje te hebben weggeklokt in een cafékrocht van dit kasteel, lopen we een nauwe, steile trap op waarvan de treden lichtelijk zijn afgebrokkeld. Geelbruin gruis stuift naar beneden. Om ons heen krioelt een twintigtal honden, de ene helft wit, de andere helft zwart. Ze passeren ons links en rechts en door de benen, blaffend, maar meer op een speelse dan op een agressieve manier. Het kasteel is hun thuis, niet het onze. Boven aan de trap laat de kasteeleigenaar ons door een deur glippen, terwijl hij de honden naar beneden dirigeert.
Als de deur veilig achter ons dicht klapt en de honden de vreemde gasten nog luidkeels nablaffen, toont de eigenaar ons een schilderij: een huilende wolf (of is het een van zijn honden?) op de voorgrond en een door de volle maan oplichtend kasteel tegen de achtergrond. Dat oplichten ziet er echt zo uit, zegt hij. Intrigerende man, deze kasteelheer.
Palac Kamieniecki, zoals het kasteel in het Pools heet, ligt ten zuiden van Wroclaw, in Neder-Silezië. Voor de Tweede Wereldoorlog behoorde het tot Duits grondgebied, na die oorlog tot het Poolse. In het begin de jaren dertig van de 19e eeuw gaf prinses Marianne van Oranje, dochter van koning Willem I, opdracht tot de bouw ervan. Een kasteel met een Oranje randje dus. Marianne van Oranje was getrouwd met een van de zonen van de toenmalige Pruisische koning en woonde een groot deel van haar leven in Neder-Silezië. In 1872 was de bouw voltooid en prijkte een romantisch, neogotisch paleis op een heuvel nabij de plaats Kamieniec Zabkowicki. Van veraf zie je vier karakteristieke torens, elk een kleine vijftig meter hoog.
De eigenaar is een hoogleraar in de geschiedenis, die het kasteel vijftien jaar geleden, na een erfenis van enkele tientallen miljoenen Engelse ponden – zo gaan althans de dorpsgeruchten – kocht van de Poolse overheid. Hij vertelt dat de Duitsers het paleis tijdens de Tweede Wereldoorlog gebruikten, maar in ieder geval in tact lieten. De Russen, die er later introkken en het als kazerne gebruikten, brachten echter vele vernielingen aan. Toen de huidige eigenaar erin trok, trof hij nog één enkele oude fles wijn aan. Die hadden de Russen kennelijk niet weten te vinden. De wijnkelder was uiteraard volledig geplunderd.
Op de binnenplaats kijk ik om me heen. Gehavende wandschilderingen van riddergevechten en hoofse taferelen. De kleuren zijn wat vervaald. Op enkele plekken komen de rode bakstenen onder de schilderingen uit. Kapotte luiken liggen op de grond. In de hoek staat werkloos een stenen boog zonder onderstel. Aan de wand hangt een geïmproviseerde collectie van oude kasteelfoto’s.
Ik kijk door een stenen poort, met gerafelde randen. Een witte hond snuffelt wat tussen het steengruis. De zon slaat een doffe schaduw van zijn lichaam af. Driemaal zo groot plakt de schaduwvlek tegen de roodgrijze stenen vloer door de poort naar binnen, bijna tot waar ik sta. Achter de hond strekt een buitenplaats zich nog zo’n twintig meter uit, tot een onaangekondigde leegte zich naar de uitgestrekte paleistuinen en paleisvijver stort. Kleine plassen water reflecteren op de buitenplaats de bewolkte lucht en de namiddagse zonnestralen. In de verte: heuvels, bossen, wat huizen en een torentje.
De eigenaar is druk bezig om in een deel van het paleis hotelkamers te bouwen. Enkele zijn al voor publiek open, waaronder eentje hoog in een van de vier torens. De inrichting van de kamers is bewust ouderwets: oude houten meubels en bedden, bij elkaar gescharrelde, niet op elkaar afgestemde beddenspreien en gordijnen. De Nederlandse ambassadeur in Polen verbleef hier een nacht, zegt de hoogleraar. Vreemde man, met een strenge scherpe blik. Geen lachje kan eraf. Het is niet te hopen dat hij ’s nachts slaapwandelt terwijl je als nietsvermoedende gast naar je kamer zoekt.
Ik stel me een nachtelijke wandeling in het kasteel voor: knisperend gruis van de geschiedenis onder angstige voeten; het licht van de volle maan valt in een diep zwart gat rondom het kasteel; onophoudelijk geblaf (of is het gehuil) uit alle hoeken en gaten; een kafkaësk trappenlabyrint – ’s nachts lijkt alles verder en ingewikkelder; nachtelijk gefladder van onduidelijke herkomst; piepende deuren; opwaaiend gruis (de wind waait gek genoeg steeds waar jij loopt); stadse geluiden reiken niet tot hier – die bestaan niet meer; de simpelste geluiden beangstigen het meest. Ruïnes hebben de eenzaamheid als trouwe vriend. Wat bezielt een hoogleraar geschiedenis deze ruïne te kopen, het puin achtergelaten door het Rode Leger stukje bij beetje weg te poetsen en er met een twintigtal honden (of heeft hij ook een vrouw?) de rest van zijn leven te slijten?
SCIENCE JOURNALIST - WRITER - SPEAKER @ ClearScience42 ***** Specialized in artificial intelligence, robots, the brain and Alan Turing***Gespecialiseerd in kunstmatige intelligentie, robots, het brein en Alan Turing.
Showing posts with label Reiscolumns. Show all posts
Showing posts with label Reiscolumns. Show all posts
Monday, April 7, 2008
Saturday, February 9, 2008
De prater en de zwijger
“Boot nummer 159”, roept de kaartjesverkoopster me na. Ze wijst op haar horloge. Ik zet de looppas in naar de Dunajec-rivier. Op de kant liggen houten vlotten. Elk vlot bestaat uit vijf aan elkaar gemaakte houten kuipen, met dwars daarover drie zitbankjes. De voorkant is bekleed met naaldboomtakken. Achter me zitten twee stelletjes, naast en voor me vijf schoolmeisjes. Twee bootsmannen met lange stokken staan al gereed om ons voort te punten. De een is een prater, de ander een zwijger, zo zal blijken. Beiden dragen traditionele blauwe vesten en een zwart hoedje, kledij van de Pieniny-bergen. De vesten zijn versierd met geborduurde bloemmotieven.
De zwijger en de prater duwen ons vlot met de stokken van de wal af. We drijven stroomafwaarts. De prater vraagt waar we vandaan komen. De stelletjes komen uit Gdansk en Warschau. De schoolmeisjes giebelen als ze horen dat ik uit Nederland kom. Een van de meisjes krijgt een houten schep in haar handen gedrukt. Zij moet het water dat de boot binnensijpelt opscheppen en overboord kieperen. “Kijk”, roept de prater, en hij duwt zijn stok volledig onder water. Twee seconden later stuitert de stok weer boven water, veilig in zijn handen. Drijfzand dus.
Rechts van ons ligt Slowakije, links Polen. We varen precies op de grens. Af en toe staat er een visser met lieslaarzen aan in het water. Er wordt vis schoon gemaakt aan de kant. Soms versnellen we sterk en moeten de prater en de zwijger ons met alle macht bijsturen. Dan weer drijft ons vlot traag met de stroom mee en leggen de punters hun stokken op het vlot. De zwijger zwijgt. De prater klokt slokken water weg. Hij heeft een tenger gezicht met een rode blos. Een gezond gezicht, gegrimeerd door de buitenlucht.
We varen een soort canyon in. Aan weerszijden steken rotsen van het Pieniny nationale park driehonderd meter de hoogte in. De prater wijst op drie rotsen die lijken op drie kronen. Mijn kennis van het Pools moet passen bij de anekdote die hij vertelt. Slowaakse schoolkinderen staan hun kanokledij uit te trekken. Jongens en meisjes leggen hun lichamen in de zon. De kano’s druipen nog na. Een schoolmeisje biedt me haar koekjes aan. Vervolgens krijg ik om beurten van de meisjes koekjes, zoutjes of drinken aangeboden.
“Aan welke kant passeren we die rotsen”, vraagt de prater wijzend op een rotspartij. Hij herhaalt dezelfde vraag meerdere malen tijdens de tocht. Op het juiste antwoord blijkt geen pijl te trekken. We denken links, en passeren rechts. Of andersom. Wij zijn niet van de bergen. We zijn stedelingen. Achter me rinkelt een mobieltje. Warschau belt de bergen. We zijn bang om alleen te zijn.
Het grootste deel van de tocht zijn we volledig omringd door rotsen en bossen. Om ons heen is het stil. Stil, behalve het geluid van spetterend, kolkend en klotsend water. Behalve fluitende vogels en uit de rivier springende vissen. Behalve een naar vis duikende vogel. Behalve ruisende bladeren. Behalve de wind. Stilte is wat er over blijft als je de mens van de natuur aftrekt.
De zwijger en de prater duwen ons vlot met de stokken van de wal af. We drijven stroomafwaarts. De prater vraagt waar we vandaan komen. De stelletjes komen uit Gdansk en Warschau. De schoolmeisjes giebelen als ze horen dat ik uit Nederland kom. Een van de meisjes krijgt een houten schep in haar handen gedrukt. Zij moet het water dat de boot binnensijpelt opscheppen en overboord kieperen. “Kijk”, roept de prater, en hij duwt zijn stok volledig onder water. Twee seconden later stuitert de stok weer boven water, veilig in zijn handen. Drijfzand dus.
Rechts van ons ligt Slowakije, links Polen. We varen precies op de grens. Af en toe staat er een visser met lieslaarzen aan in het water. Er wordt vis schoon gemaakt aan de kant. Soms versnellen we sterk en moeten de prater en de zwijger ons met alle macht bijsturen. Dan weer drijft ons vlot traag met de stroom mee en leggen de punters hun stokken op het vlot. De zwijger zwijgt. De prater klokt slokken water weg. Hij heeft een tenger gezicht met een rode blos. Een gezond gezicht, gegrimeerd door de buitenlucht.
We varen een soort canyon in. Aan weerszijden steken rotsen van het Pieniny nationale park driehonderd meter de hoogte in. De prater wijst op drie rotsen die lijken op drie kronen. Mijn kennis van het Pools moet passen bij de anekdote die hij vertelt. Slowaakse schoolkinderen staan hun kanokledij uit te trekken. Jongens en meisjes leggen hun lichamen in de zon. De kano’s druipen nog na. Een schoolmeisje biedt me haar koekjes aan. Vervolgens krijg ik om beurten van de meisjes koekjes, zoutjes of drinken aangeboden.
“Aan welke kant passeren we die rotsen”, vraagt de prater wijzend op een rotspartij. Hij herhaalt dezelfde vraag meerdere malen tijdens de tocht. Op het juiste antwoord blijkt geen pijl te trekken. We denken links, en passeren rechts. Of andersom. Wij zijn niet van de bergen. We zijn stedelingen. Achter me rinkelt een mobieltje. Warschau belt de bergen. We zijn bang om alleen te zijn.
Het grootste deel van de tocht zijn we volledig omringd door rotsen en bossen. Om ons heen is het stil. Stil, behalve het geluid van spetterend, kolkend en klotsend water. Behalve fluitende vogels en uit de rivier springende vissen. Behalve een naar vis duikende vogel. Behalve ruisende bladeren. Behalve de wind. Stilte is wat er over blijft als je de mens van de natuur aftrekt.
Labels:
Reiscolumns
De reiziger en de reisgids
Ooit bezocht ik het Poolse kustplaatsje Ustka, aan de Baltische Zee. Mijn Lonely Planet-reisgids – toch vaak een betrouwbare kameraad gebleken – meldde dat het eigenlijk niet de moeite waard was naar Ustka af te reizen. Maar een reisgids is slechts een richtingaanwijzer. En af en toe moet je die volledig negeren. Gewoon weg van de snelweg, een gek karrenspoor volgend. Dan kom je wél in Ustka terecht, en dan blijkt het meer dan de moeite waard. Toen ik er vertrok had ik het gevoel een stukje van mezelf achter te laten. Het aangenaamste, maar ook het pijnlijkste dat de reiziger kan overkomen.
Diezelfde reiziger nam nu alle Krakow-reisgidsen door die hij maar kon vinden, spelde elke letter, ontleedde elke foto, elk schilderij, elk detail, elke kerk van binnen en van buiten. Het marktplein had hij al vaker op foto gezien dan in het echt, de Wawelheuvel kende hij als zijn broekzak. Krakow bestond al in zijn hoofd voordat hij er ook maar een stap had gezet. Hij kon er wel een maquette van maken als het moest. Waarom zou hij überhaupt nog willen gaan? ‘Alle ellende komt voort uit het feit dat een mens niet gewoon rustig thuis kan blijven zitten’, had de Franse filosoof en wiskundige Blaise Pascal gezegd.
Maar de reiziger is ongehoorzaam en onrustig, houdt zich niet aan Pascals devies en trekt toch naar Krakow. Hij komt aan in de stad, zuigt elke straathoek op, spreekt mensen aan, draait elke steen om en weerom, observeert, ruikt en proeft. Alle reisgidsen samen verstommen. Ze blijken niet meer dan een armetierige projectie. Het altaar van Veit Stoss in de Mariackikerk is ineens oneindig veel groter dan hij zich op grond van de foto voorstelde: vijf houten panelen van elf bij twaalf meter met bijbelse voorstellingen – een Gotisch meesterwerk; de muziek waarin de stad zich hult – jazz, hardrock, Bach, Joodse klezmer – klonk uit geen enkele reisgids; Wyspianski’s glas-in-loodraam in de Fransiscanerkerk zwelt op tot angstaanjagende en overrompelende grootte: weergaloos golvende wolkenblauwe, azuurblauwe en donkerblauwe vlakken vlammen van Gods mantel; gele en groene vlakken wapperen van gezicht en handen. De reiziger voelt zich nederig als hij omhoog kijk. De handen lijken zich vanaf een paar meter hoogte om hem heen te krommen. Vlammen bliksemen omlaag. In de reisgids had hij slechts een koddig stripplaatje gezien.
De mensen van vlees en bloed, de toevallige ontmoetingen. Die blijken op elke reis weer het belangrijkste gemis van de reisgids. De nonnen van net twintig die vredig over de markt van Krakow trekken, zorgvuldig elke wereldse blik vermijdend. De opwaaiende zomerjurkjes, de steltlopers bij het straatfestival, de jazztrompettist die zijn publiek inpakt, de Poolse schoolkinderen die meer interesse hebben in de vreemde reiziger dan in de Poolse historie. De reiziger wordt ineens een deel van de stad. Krakow zonder hem is anders dan Krakow met hem. Hij verandert de stad.
Als hij de stad achterlaat, laat hij weer een deel van zichzelf achter. Weer is het aangenaam en pijnlijk tegelijk. Als hij thuis zit, vredig in Amsterdam, wil hij meteen weer terug naar Krakow.
Diezelfde reiziger nam nu alle Krakow-reisgidsen door die hij maar kon vinden, spelde elke letter, ontleedde elke foto, elk schilderij, elk detail, elke kerk van binnen en van buiten. Het marktplein had hij al vaker op foto gezien dan in het echt, de Wawelheuvel kende hij als zijn broekzak. Krakow bestond al in zijn hoofd voordat hij er ook maar een stap had gezet. Hij kon er wel een maquette van maken als het moest. Waarom zou hij überhaupt nog willen gaan? ‘Alle ellende komt voort uit het feit dat een mens niet gewoon rustig thuis kan blijven zitten’, had de Franse filosoof en wiskundige Blaise Pascal gezegd.
Maar de reiziger is ongehoorzaam en onrustig, houdt zich niet aan Pascals devies en trekt toch naar Krakow. Hij komt aan in de stad, zuigt elke straathoek op, spreekt mensen aan, draait elke steen om en weerom, observeert, ruikt en proeft. Alle reisgidsen samen verstommen. Ze blijken niet meer dan een armetierige projectie. Het altaar van Veit Stoss in de Mariackikerk is ineens oneindig veel groter dan hij zich op grond van de foto voorstelde: vijf houten panelen van elf bij twaalf meter met bijbelse voorstellingen – een Gotisch meesterwerk; de muziek waarin de stad zich hult – jazz, hardrock, Bach, Joodse klezmer – klonk uit geen enkele reisgids; Wyspianski’s glas-in-loodraam in de Fransiscanerkerk zwelt op tot angstaanjagende en overrompelende grootte: weergaloos golvende wolkenblauwe, azuurblauwe en donkerblauwe vlakken vlammen van Gods mantel; gele en groene vlakken wapperen van gezicht en handen. De reiziger voelt zich nederig als hij omhoog kijk. De handen lijken zich vanaf een paar meter hoogte om hem heen te krommen. Vlammen bliksemen omlaag. In de reisgids had hij slechts een koddig stripplaatje gezien.
De mensen van vlees en bloed, de toevallige ontmoetingen. Die blijken op elke reis weer het belangrijkste gemis van de reisgids. De nonnen van net twintig die vredig over de markt van Krakow trekken, zorgvuldig elke wereldse blik vermijdend. De opwaaiende zomerjurkjes, de steltlopers bij het straatfestival, de jazztrompettist die zijn publiek inpakt, de Poolse schoolkinderen die meer interesse hebben in de vreemde reiziger dan in de Poolse historie. De reiziger wordt ineens een deel van de stad. Krakow zonder hem is anders dan Krakow met hem. Hij verandert de stad.
Als hij de stad achterlaat, laat hij weer een deel van zichzelf achter. Weer is het aangenaam en pijnlijk tegelijk. Als hij thuis zit, vredig in Amsterdam, wil hij meteen weer terug naar Krakow.
Labels:
Reiscolumns
‘Tot ziens wereld’
Hij bezat een boekenantiquariaat nabij het Barbican in het oude centrum van Warschau. Tot zijn vrouw hem voor de keuze stelde: je verkoopt alle boeken, of je vertrekt. Goed, dan vertrek ik, had hij geantwoord, nu inmiddels ruim tien jaar geleden. Daarna verkocht hij alsnog al zijn boeken en van de opbrengst kocht hij een simpel huis met wat grond in de Biebrza, een natuurgebied in het noordoosten van Polen. Voorgoed trok hij weg uit de verderfelijke moderne wereld. Alle plastic spullen die hij nog bezat, vernietigde hij. Toen hij hoorde dat ze in zijn nieuwe bosrijke omgeving wilden gaan bouwen, besloot hij meer grond te kopen: natuurbescherming tegen nog meer menselijke opdringerigheid. Inmiddels bezit hij 35 hectare. Een oude kerk opkopen, is een van zijn dromen, en op zijn grond een openluchtmuseum inrichten. Het verleden is zijn heden, en hij wil het behouden.
We reizen door de Biebrza, het grootste nationale park van Polen, en ook het grootste natuurlijke veen- en moerasgebied van Centraal Europa. Talrijke bijzondere vogelsoorten bevolken de Biebrza vooral in het voorjaar, wanneer de kronkelende rivier buiten zijn oevers treedt. Nu is het herfst. Het waait hard en het regent.
Als we met de auto, rijdend door het bos van de Biebrza, het huis van Krzystof Kawenczynski – bijgenaamd de koning van de Biebrza – naderen, rent een tiental honden op ons af, luidkeels blaffend. Even later loopt Kawenczynski zelf naar ons toe. Hij heeft een weelderige grijze haardos en dikke wallen onder zijn ogen. Over een moderne fleece heeft hij een bodywarmer van dierenvacht geslagen. Elk moment zou hij het gevecht met de wolven kunnen aangaan, zo lijkt het. Ik ruik drank als hij me een stevige handdruk geeft. Hij lijkt wat afwezig, niet helemaal beseffend wie we zijn. Maar we zijn welkom, geeft hij zijn honden ten teken. “Ik heb hier rust en stilte”, vertelt hij. “Ik praat met de dieren. Wolven en wilde zwijnen, ooievaars en vossen komen hier. Ik ben vrij en onafhankelijk. Ik maak geen plannen en ik weet nooit wat ik de volgende dag doe.”
Buiten voor zijn huis soezen en trippelen talloze katten. Binnen doet zijn woning nog het meest denken aan oma’s rommelzolder. Oude stoelen, tafels en klokken. Door de tijd aangevreten beelden, schilderijen en verrekijkers. Vooroorlogse potten en pannen. Een prehistorische grammofoon, waar hij meteen een langspeelplaat op draait. Vergeelde muziek met bijna romantische ruis. En dan die prachtige, vuistdikke 17e-eeuwse bijbel, een overgebleven pronkstuk uit zijn opgedoekte antiquariaat. Maar ook ligt er een stapel Poolse National Geographics uit 2002, waarin een groot verhaal over hem, de koning van de Biebrza, staat afgedrukt.
De dichtstbijzijnde winkel ligt twaalf kilometer van zijn huis, terwijl zijn buren drie kilometer verderop wonen. Stromend water heeft hij niet, noch een koelkast of een verwarming. “’s Winters is het vijf graden Celsius binnen”, zegt hij. Wel heeft hij elektrische stroom en telefoon, tenminste, als hij de rekening kan betalen, wat lang niet altijd het geval is. Laatst nog werd zijn telefoon afgesloten omdat hij geen geld had voor het betalen van de rekening.
De koning van de Biebrza leeft van de producten van het land. Soms krijgt hij wat van de buren, af en toe koopt hij brood, thee en citroen, en natuurlijk melk: drie liter per dag voor de beesten. De enige zloty’s die zo nu en dan binnen rollen, komen uit de portemonnees van wetenschappers: vogel- en wolvenexperts voor wie deze omgeving een natuurparadijs is. In een minimaal ingerichte logeerschuur mogen zij overnachten tegen kleine betaling. Nee, de condities gaat Kawenczynski niet voor ze verbeteren.
De wereld moet op afstand blijven. Een tv bezit hij niet. Wel een radio, die hij slechts sporadisch aanzet. “Ik wil zo weinig mogelijk weten wat er in de wereld gebeurt. Ik kijk naar de lucht. Ik zie vallende sterren tegen een echte, pikdonkere duisternis. Ik leef met de dieren. Die oorspronkelijkheid is genoeg. De rest is overbodig. Hoe meer een mens weet, hoe meer zorgen hij zich maakt. Ik heb gekozen om niet te weten. Geen stress, geen beslommeringen. Bos en wilde dieren, dat is mijn wereld.”
We reizen door de Biebrza, het grootste nationale park van Polen, en ook het grootste natuurlijke veen- en moerasgebied van Centraal Europa. Talrijke bijzondere vogelsoorten bevolken de Biebrza vooral in het voorjaar, wanneer de kronkelende rivier buiten zijn oevers treedt. Nu is het herfst. Het waait hard en het regent.
Als we met de auto, rijdend door het bos van de Biebrza, het huis van Krzystof Kawenczynski – bijgenaamd de koning van de Biebrza – naderen, rent een tiental honden op ons af, luidkeels blaffend. Even later loopt Kawenczynski zelf naar ons toe. Hij heeft een weelderige grijze haardos en dikke wallen onder zijn ogen. Over een moderne fleece heeft hij een bodywarmer van dierenvacht geslagen. Elk moment zou hij het gevecht met de wolven kunnen aangaan, zo lijkt het. Ik ruik drank als hij me een stevige handdruk geeft. Hij lijkt wat afwezig, niet helemaal beseffend wie we zijn. Maar we zijn welkom, geeft hij zijn honden ten teken. “Ik heb hier rust en stilte”, vertelt hij. “Ik praat met de dieren. Wolven en wilde zwijnen, ooievaars en vossen komen hier. Ik ben vrij en onafhankelijk. Ik maak geen plannen en ik weet nooit wat ik de volgende dag doe.”
Buiten voor zijn huis soezen en trippelen talloze katten. Binnen doet zijn woning nog het meest denken aan oma’s rommelzolder. Oude stoelen, tafels en klokken. Door de tijd aangevreten beelden, schilderijen en verrekijkers. Vooroorlogse potten en pannen. Een prehistorische grammofoon, waar hij meteen een langspeelplaat op draait. Vergeelde muziek met bijna romantische ruis. En dan die prachtige, vuistdikke 17e-eeuwse bijbel, een overgebleven pronkstuk uit zijn opgedoekte antiquariaat. Maar ook ligt er een stapel Poolse National Geographics uit 2002, waarin een groot verhaal over hem, de koning van de Biebrza, staat afgedrukt.
De dichtstbijzijnde winkel ligt twaalf kilometer van zijn huis, terwijl zijn buren drie kilometer verderop wonen. Stromend water heeft hij niet, noch een koelkast of een verwarming. “’s Winters is het vijf graden Celsius binnen”, zegt hij. Wel heeft hij elektrische stroom en telefoon, tenminste, als hij de rekening kan betalen, wat lang niet altijd het geval is. Laatst nog werd zijn telefoon afgesloten omdat hij geen geld had voor het betalen van de rekening.
De koning van de Biebrza leeft van de producten van het land. Soms krijgt hij wat van de buren, af en toe koopt hij brood, thee en citroen, en natuurlijk melk: drie liter per dag voor de beesten. De enige zloty’s die zo nu en dan binnen rollen, komen uit de portemonnees van wetenschappers: vogel- en wolvenexperts voor wie deze omgeving een natuurparadijs is. In een minimaal ingerichte logeerschuur mogen zij overnachten tegen kleine betaling. Nee, de condities gaat Kawenczynski niet voor ze verbeteren.
De wereld moet op afstand blijven. Een tv bezit hij niet. Wel een radio, die hij slechts sporadisch aanzet. “Ik wil zo weinig mogelijk weten wat er in de wereld gebeurt. Ik kijk naar de lucht. Ik zie vallende sterren tegen een echte, pikdonkere duisternis. Ik leef met de dieren. Die oorspronkelijkheid is genoeg. De rest is overbodig. Hoe meer een mens weet, hoe meer zorgen hij zich maakt. Ik heb gekozen om niet te weten. Geen stress, geen beslommeringen. Bos en wilde dieren, dat is mijn wereld.”
Labels:
Reiscolumns
Op reis met de vooruitgang
Deze column is gepubliceerd in Natuur & Techniek, juni 1999
Kleine ramen kunnen diepe gronden hebben: zwarte rotsen dreigen nu eens in de sneeuw dan weer in de wolken te verdrinken, gletsjers glijden oneindig traag naar de met ijsschotsen bezaaide azuurblauwe zee. We vliegen boven de kust van Groenland en door het kleine raam kijk ik tien kilometer de diepte in.
De zon tekent bliksemsnel strakke schaduwen van rotspunten en ijsschotsen, en haar rode gelaat weerkaatst in het water. Terwijl ik dit caleidoscopisch stukje werkelijkheid beneden me bewonder, komt een stewardess langs. “Wilt u het luikje voor het raam sluiten?” Verbijsterd kijk ik haar aan. Waarom? “Er draait een film op het grote scherm midden in het vliegtuig. Met al die luikjes open valt er te veel licht binnen”, zegt ze met een verontschuldigende stem. Als het aan Lufthansa ligt, valt er weinig meer vanuit de Luft te bewonderen; de wereld van de schijn die de werkelijkheid pootje komt lichten. Waar is de verwondering gebleven van de eerste ballonvaarders en vliegeniers? Voor het eerst zie ik Groenland, voor het eerst zie ik ijsschotsen en dan ook nog van een hoogte waarvan Jules Verne alleen maar had kunnen dromen. Ik laat het luikje open om naar die andere film ver beneden mij te kijken. In de sneeuwmassa zoek ik naar sporen van menselijke aanwezigheid, maar vergeefs. Van de gezagvoerder of de stewardessen geen enkele informatie over wie of wat hier beneden mij leeft. Alleen een Hollywoodfilm als fopspeen voor de onwetende passagier. Net als thuis, met versnaperingen in de hand teruggetrokken op de vierkante meter en gekluisterd aan een beeldscherm. Op reis met de vooruitgang.
Als de film is afgelopen, duwt dezelfde stewardess me het programmaboekje in de hand van de radiokanalen waaruit ik kan kiezen. Bij kanaal 15 lees ik: “’Relaxation on the wing’ is designed to help you relax, to regain your strength and enhance your self-awareness. All you need to do is sit back and listen. ‘Relaxation on the wing’ is aimed at making your journey as stress-free as possible and reducing the effects of air travel on the system.” Kanaal 15 wil het reizen steriliseren. Als het aan Lufthansa ligt, merk je niet eens meer dat je in de Luft reist. Het wachten lijkt op de virtual-realityhelm die je thuis in je leunstoel op je hoofd zet en meteen alle sensaties van de plaats van bestemming je zenuwstelsel in schiet. Met zo’n licht ontvlambaar druktoetsje mag je zelf een specifieke sensatie uitkiezen. De random mode is er dan voor de meer avontuurlijk ingestelde virtual-realityreiziger. De gesimuleerde reis van de digitale revolutie. Geen last meer van ongewenste reiskwaaltjes, tabee zijn de toevallige ontmoetingen, weg met de storende uitzichten op Groenland. Op reis met de vooruitgang.
We reizen in oostelijk richting een snelle zonsondergang tegemoet. Beneden me laveert nog juist de stille schaduw van de blik geworden vooruitgang tussen witte ijsschotsen door. Even wens ik dat de donkere projectie daar beneden bevriest tussen twee van die vlokjes en de vooruitgang ruw tot stilstand brengt.
Kleine ramen kunnen diepe gronden hebben: zwarte rotsen dreigen nu eens in de sneeuw dan weer in de wolken te verdrinken, gletsjers glijden oneindig traag naar de met ijsschotsen bezaaide azuurblauwe zee. We vliegen boven de kust van Groenland en door het kleine raam kijk ik tien kilometer de diepte in.
De zon tekent bliksemsnel strakke schaduwen van rotspunten en ijsschotsen, en haar rode gelaat weerkaatst in het water. Terwijl ik dit caleidoscopisch stukje werkelijkheid beneden me bewonder, komt een stewardess langs. “Wilt u het luikje voor het raam sluiten?” Verbijsterd kijk ik haar aan. Waarom? “Er draait een film op het grote scherm midden in het vliegtuig. Met al die luikjes open valt er te veel licht binnen”, zegt ze met een verontschuldigende stem. Als het aan Lufthansa ligt, valt er weinig meer vanuit de Luft te bewonderen; de wereld van de schijn die de werkelijkheid pootje komt lichten. Waar is de verwondering gebleven van de eerste ballonvaarders en vliegeniers? Voor het eerst zie ik Groenland, voor het eerst zie ik ijsschotsen en dan ook nog van een hoogte waarvan Jules Verne alleen maar had kunnen dromen. Ik laat het luikje open om naar die andere film ver beneden mij te kijken. In de sneeuwmassa zoek ik naar sporen van menselijke aanwezigheid, maar vergeefs. Van de gezagvoerder of de stewardessen geen enkele informatie over wie of wat hier beneden mij leeft. Alleen een Hollywoodfilm als fopspeen voor de onwetende passagier. Net als thuis, met versnaperingen in de hand teruggetrokken op de vierkante meter en gekluisterd aan een beeldscherm. Op reis met de vooruitgang.
Als de film is afgelopen, duwt dezelfde stewardess me het programmaboekje in de hand van de radiokanalen waaruit ik kan kiezen. Bij kanaal 15 lees ik: “’Relaxation on the wing’ is designed to help you relax, to regain your strength and enhance your self-awareness. All you need to do is sit back and listen. ‘Relaxation on the wing’ is aimed at making your journey as stress-free as possible and reducing the effects of air travel on the system.” Kanaal 15 wil het reizen steriliseren. Als het aan Lufthansa ligt, merk je niet eens meer dat je in de Luft reist. Het wachten lijkt op de virtual-realityhelm die je thuis in je leunstoel op je hoofd zet en meteen alle sensaties van de plaats van bestemming je zenuwstelsel in schiet. Met zo’n licht ontvlambaar druktoetsje mag je zelf een specifieke sensatie uitkiezen. De random mode is er dan voor de meer avontuurlijk ingestelde virtual-realityreiziger. De gesimuleerde reis van de digitale revolutie. Geen last meer van ongewenste reiskwaaltjes, tabee zijn de toevallige ontmoetingen, weg met de storende uitzichten op Groenland. Op reis met de vooruitgang.
We reizen in oostelijk richting een snelle zonsondergang tegemoet. Beneden me laveert nog juist de stille schaduw van de blik geworden vooruitgang tussen witte ijsschotsen door. Even wens ik dat de donkere projectie daar beneden bevriest tussen twee van die vlokjes en de vooruitgang ruw tot stilstand brengt.
Subscribe to:
Posts (Atom)