Showing posts with label Klimaatonderzoek. Show all posts
Showing posts with label Klimaatonderzoek. Show all posts

Tuesday, March 1, 2016

Ongelijkheid in strijd tegen klimaatverandering veel groter dan verwacht

Megasteden in ontwikkelingslanden geven veel minder uit aan bescherming tegen klimaatverandering dan megasteden in ontwikkelde landen. En dat terwijl stadsbewoners in ontwikkelingslanden juist veel meer gevaar lopen. Dit blijkt uit Brits onderzoek dat deze week is gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift Nature Climate Change.

Lees hier het volledige artikel dat ik voor De Kennis van Nu heb geschreven.

Klik op onderstaande afbeelding om mijn bijdrage aan het Radio 1-programma De Ochtend over dit onderwerp te beluisteren:




Monday, May 12, 2014

Nederlanders meten voor het eerst ‘global cooling’ na meteorietinslag


Nederlandse wetenschappers hebben voor het eerst de temperatuurdaling gemeten die volgde op de meteorietinslag die de dinosaurussen fataal werd - 66 miljoen jaar geleden.

Lees op de website van W24 het hele artikel.

Saturday, June 7, 2008

Gaten en ijshockey op zee


Dit artikel is gepubliceerd in de Volkskrant, 31 mei 2008

26 april 2008, Amundsen Golf (Canada), 71,045° NB, 123,258° WL.

Een tandartsgeluid doorbreekt de ijsstilte. De Canadese afstudeerstudent Benoît Philippe drukt een boor met twee handen stevig in het ijs. De boor reikt tot zijn middel. Luttele minuten later haalt hij een ijskern naar boven: een witte cilinder van een kleine decimeter dik. Elke dag trekt de meesterboorder erop uit om ijskernen te boren. Goed voor de armspieren, zegt hij. En handig om warm te blijven bij een temperatuur van min vijftien graden Celsius. Waar Benoît is, wordt het ijs gatenkaas. Zijn record: 109 ijskernen op één dag. Geen wonder dat de noordpool ijs verliest, grappen zijn collega-onderzoekers.

Het ijs heeft lentekriebels. Het begint warmer te worden en de onderkant van elke ijskern kleurt al lichtbruin. Zeeijsalgen nestelen zich in het ijs zodra er na de donkere poolwinter weer genoeg zonlicht doorsijpelt. Om die algen te onderzoeken boort Benoît ijskernen.
Donker wordt het eind april nauwelijks meer in de Amundsen Golf in het westelijke deel van het Canadese poolgebied. Toch moet al dat lentelicht nog altijd eerst door een sneeuwlaag heen en vervolgens door een ijslaag van bijna anderhalve meter. Wat er dan nog aan zonne-energie overblijft, is de biomotor voor algen die van het zeeijs hun habitat maken en voor plankton en kreeftjes in het zeewater onder het ijs. Vanuit dit kleine grut leidt de arctische voedselketen verder naar vissen, walvissen en zeehonden in het poolwater, en naar poolvossen en ijsberen op het poolijs.

Zeeijs brengt de levende met de levenloze materie samen. Het is de spil van het leven in het poolgebied, zoals bomen dat in de tropen zijn. En het is de spil voor weer en klimaat in het poolgebied. Zeeijs kaatst veel zonlicht terug. Minder zeeijs betekent minder lichtterugkaatsing. Gevolg: een opwarming van de poolzee en de poolatmosfeer. Dat heeft zijn weerslag op de globale oceaancirculatie en de globale toestand van de atmosfeer.

Twee weken lang, van 24 april tot en met 8 mei, was de Canadese onderzoeksijsbreker Amundsen mijn poolhuis. De ijsbreker is een varend laboratorium voor zeeijsonderzoek. Hoe en waarom verandert het poolijs in de Amundsen Golf? En wat zijn de gevolgen voor het fysische en biologische systeem: van de bodem van de oceaan tot de top van de atmosfeer, van virussen tot ijsberen. Het is voor het eerst dat de wisselwerking tussen het bewegende zeeijs, het ijs dat aan land vastzit en de breuken tussen beide bijna een jaar lang worden bestudeerd. In totaal werken tweehonderd wetenschappers uit vijftien landen mee.

De eerste twaalf dagen dreven we mee met een kolossale ijsschots, om zo lang mogelijk hetzelfde ijs te bestuderen. De poolwind blies ons in die tijd hemelsbreed bijna 170 kilometer westwaarts. De laatste twee dagen van mijn verblijf brak de Amundsen uit de ijsschots die me zo vertrouwd was geworden. Eindelijk ijsbreken. Dat was nodig om ook onderzoek te doen in het open water en op de rand van open water en ijs. Als het schip soms even vast raakte in een ijsschots, zette de kapitein haar in de achteruit, nam een aanloop, en ramde met verse kracht weer verder. Een heerlijk geluid, het breken van ijs. Wel een oneerlijk gevecht.

Het poolonderzoek met de Amundsen startte op 15 oktober 2007 en loopt nog door tot 1 augustus 2008. Voor gedetailleerde wetenschappelijke conclusies is het nog te vroeg, maar onderzoeksleider professor Dave Barber van de Universiteit van Manitoba (Winnipeg, Canada) kan half mei wel al een aantal algemene conclusies trekken.

“We zien een systematische trend richting later bevriezen, vroeger smelten, kleiner ijsoppervlak en dunner ijs. Normaal begint de Amundsen Golf eind oktober-begin november dicht te vriezen. Afgelopen winter begon het pas eind december. Normaal vormt zich ’s winters een ijsbrug van Banks Island naar Cape Parry. Die was er dit jaar maar vier dagen. Half mei was een groot deel van de Amundsen Golf al ijsvrij. Dat is heel vroeg. De systematische trend die we nu al jaren zien, valt buiten de natuurlijke variaties die dit gebied kent.”

Ook het weer in de Amundsen Golf verandert door het terugtrekken van het zeeijs. Barber: “Tot laat in het jaar ligt er veel open water. De warmte in de bovenlaag van de oceaan trekt kleine cyclonen aan. Meer wind maakt de oceaan ruwer, waardoor er nog meer warmte van het water naar de atmosfeer wordt getransporteerd. Het lokale klimaat warmt daardoor op.”
Half april, kort voordat ik zelf aan boord van de Amundsen stapte, stuurden onderzoekers vanaf het schip een robotonderzeeër naar de zeebodem. Barber was getuige. Sommig poolleven profiteert van de opwarming, zo blijkt. “Onze onderzeeër heeft de eerste beelden gemaakt van het leven op de zeebodem onder het ijs, op 580 meter diepte. Ik was verbaasd over de diversiteit aan leven die we daar aantroffen.”

Barber is een zeeijsspecialist. Hij begon zijn veldwerk in het Canadese poolgebied in 1981. Over klimaatverandering sprak nog niemand. “Toen de eerste verbanden werden gelegd tussen het gedrag van het zeeijs en klimaatverandering, was ik sceptisch. Maar in de tweede helft van de jaren negentig kwamen er meer en meer aanwijzingen dat het noordpoolijs systematisch afnam in oppervlak en volume. En als ik naar alle beschikbare gegevens kijk – de veranderingen in het ijs, in het ecosysteem rond het ijs, en ook studies meeneem naar het gedrag van permafrost en gletsjers – dan zie ik niet welke andere reden er voor de ijsafname zou kunnen zijn dan klimaatverandering.”

Maar was het zeeijsoppervlak in januari 2008 niet vrijwel gelijk aan dat in januari 2007? Komt de ijsafname niet tot stilstand?

Barber: “Het oppervlak was dan wel bijna gelijk, maar de dikte is verder afgenomen. Afgelopen winter zat er relatief nog meer dun, eenjarig ijs bij. Dat smelt nu zo weer weg. Uit de analyse van zeebodemkernen weten we dat op zijn minst in de afgelopen 1,1 miljoen jaar er ook in de zomer altijd noordpoolijs lag. Volgens de voorspellingen kan dat binnen een paar decennia voor het eerst wel het geval zijn. That ís a big deal. Het ecosysteem van ijsalgen tot ijsberen is geëvolueerd rond de aanwezigheid van zeeijs. De veranderingen die we zien, zijn grote veranderingen en ze gaan sneller dan verwacht.”

Waar twintig jaar geleden het poolijs in februari voor zestig procent uit ijs ouder dan twee jaar bestond (dik ijs), is dat nu nog maar dertig procent, volgens het Amerikaanse National Snow and Ice Data Center (NSIDC). Hetzelfde instituut deed op 5 mei 2008 een berekende voorspelling voor de zeeijstoestand in september van dit jaar. September is de maand waarin het noordpoolijs jaarlijks een minimum omvang heeft. Het NSIDC ging uit van de ijstoestand van april 2008 en berekende op grond van de smeltgegevens van de afgelopen 25 jaar hoeveel ijs de zomer van 2008 overleeft voor die 25 smeltscenario’s.
Gemiddeld gesproken overleeft dertig procent van het dunne, eenjarige ijs de zomer, en driekwart van het meerjarige, dikke ijs. Alleen als komende zomer meer dan de helft van het eenjarig ijs overleeft, wordt het laagterecord aan ijsoppervlak van september 2007 niet gebroken, volgens het NSIDC. In de afgelopen 25 jaar gebeurde dat alleen in 1996.

5 mei 2008, Amundsen Golf (Canada), 170 kilometer westwaarts

De dansvloer van de duivel, noemen sommigen het zeeijs. Zo onvoorspelbaar is het. Begin april speelden Amundsen-bemanningsleden ijshockey op een zelf afgebakend stukje zeeijs vlakbij de boot. Na een half uur begon het veld in tweeën te breken. Een paar uur later was de breuk uitgedijd tot tientallen meters.

Mijn favoriete poolplek rond de ijsbreker, is de abrupte overgang tussen een vlak stuk ijs, ter grootte van twee voetbalvelden, en een soort berggebied van opgestuwd ijs. Toch zie ik zelfs op het ogenschijnlijk vlakke stuk ijs per meter verschillen. Hier is de sneeuw wat dikker, daar wat dunner; hier is het wat witter, daar wat donkerder; hier heeft de wind kleine golfjes in de sneeuw geblazen, daar wat grotere golven. Ze zien eruit als kleine zandduinen.
De onderzoekers doen hun experimenten op het vlakke stuk ijs. De Finse onderzoeker Jens Ehn meet hoeveel zonlicht het ijs reflecteert. Iets verderop boort de Canadese afstudeerstudente Natalie Asselin een gat in het ijs. Haar collega Véronique Lago laat vervolgens aan een zestig meter lang touw een meetinstrument in het zeewater zakken. Ze meet hoe de temperatuur, de druk en het zoutgehalte in de eerste zestig meter zeewater veranderen.

Ik kijk ondertussen naar de ijsruggen die enkele tientallen meters van ons vandaan uit het ijs oprijzen. Ik loop er heen om foto’s te nemen. Het terrein wordt steeds ruwer. Ik zak soms tot mijn knieën in de sneeuw. Als ik er bijna ben, wordt ik teruggefloten door Jens Ehn. Zo ver mag ik niet alleen het ijs op. Ik heb geen geweer bij me ter verdediging tegen ijsberen (en kan trouwens ook niet schieten).

Zodra de experimenten erop zitten, gaan we er met de sneeuwscooter op af.
Grote hoekige ijsblokken steken omhoog. Van boven wit, maar naar beneden toe steeds blauwer. Sommige ijsblokken steken zo ver uit, dat zich kleine ijsgrotten hebben gevormd. Ik ga op mijn buik liggen om naar binnen te kijken. Tegen een volledig blauwe achtergrond druppelt water van tientallen kleine ijspegels af. Microklimaat in een ijsgrot.
Er staat een heerlijk zonnetje, en het is maar min acht graden. Afstudeerstudente Natalie Asselin gaat liggen op een omhoog geduwde ijsschots en zont in poolkleding. Alleen haar zonnebril gaat af. Even later proberen we sneeuwballen te gooien, maar hier ligt geen sneeuwballensneeuw. De sneeuwballen vallen hopeloos uit elkaar.

Half mei, wanneer ik net een week thuis ben, is de Amundsen Golf al grotendeels vrij van bewegend zeeijs. De wind heeft het naar de Beaufort Zee ten noorden van Alaska geblazen. Daar zal het wegsmelten. Er drijft een GPS met onze ijsschots mee, die voortdurend uitzendt waar hij uithangt. Een elektronisch oormerk. Ik zou graag willen volgen waar onze ijsschots heen drijft, wanneer hij uit elkaar valt, in hoeveel stukjes, en waar op de zeebodem het oormerk uiteindelijk beland. Nutteloze informatie, maar toch geruststellend. Een van de vele ijsillusies.

Monday, April 21, 2008

Wat gebeurt er wanneer de noordpool smelt?

Dit artikel is gepubliceerd in Trouw, 21 april 2008

In de afgelopen miljoen jaar is er geen zomer geweest waarin de noordpool ijsvrij was. Maar als de modelberekeningen kloppen, en de opwarming van de aarde zou doorzetten, kan dat binnen een paar decennia wel gebeuren. De afgelopen drie decennia is het oppervlak van het noordpoolijs structureel geslonken. Ook wordt het ijs dunner. Waar twintig jaar geleden het poolijs voor zestig procent uit ijs ouder dan twee jaar bestond (dik ijs), is dat nu nog maar dertig procent. De aanwijzingen uit klimaatmodellen zijn stevig dat het broeikaseffect er debet aan is. Maakt het wat uit dat de noordpool smelt?

Wat er niet gebeurt door een smeltende noordpool, is een zeespiegelstijging. Het noordpoolijs drijft al op zee, en net zoals een smeltend ijsblokje in een glas water het waterniveau niet laat stijgen, doet een smeltende noordpool dat niet met de zee. Maar er gebeuren wel andere dingen.

Een kleiner zeeijsoppervlak kaatst minder zonlicht terug. Het ontstane open water absorbeert veel meer dan het terugkaatst. Daardoor wordt de Arctische Oceaan warmer, waardoor het ijs nog sneller afsmelt. Verder kan de globale stroming in de Atlantische Oceaan veranderen. Een van de drijvende factoren van deze oceaancirculatie, waarvan ook de Warme Golfstroom deel uitmaakt, is de vorming van koud, zout en daardoor zwaar water in de Groenland Zee. Als het zeewater hier opwarmt, kan de oceaancirculatie afzwakken met gevolgen voor weer en klimaat. Smeltend zeeijs zal ook het ecologische systeem op de proef stellen. Algen, vissen, vogels, zeehonden, ijsberen en walvissen zijn allemaal afhankelijk van het gedrag van het zeeijs. Door de opeenvolging van ijstijden en warmere interglacialen, is het arctische ecosysteem jong en kwetsbaar.

Dan zijn er nog de oorspronkelijke bewoners van de poolstreek, de ongeveer 650.000 Inuit (of eskimo’s). Hun toch al verschraalde traditionele leefwijze zal verder worden bedreigd. Zij vertellen tegenwoordig verhalen van jagers die door het ijs zijn gezakt, omdat het dunner en minder voorspelbaar is geworden. En verhalen over dieren die in de afgelopen jaren zijn opgedoken, maar waar hun taal niet eens woorden voor heeft, omdat de beesten in warmere, zuidelijkere streken leefden. Zelfs hun voor-voor-voorouders hebben ze nooit gezien en dus ook nooit benoemd.

Wie wil, kan ook positieve gevolgen van een smeltende noordpool zien, althans op het eerste gezicht. Als het ijs zich terugtrekt, kunnen schepen een deel van het jaar van Europa via de Noord-Canadese wateren en de Bering Straat een korte route naar Azië varen (de eeuwenlang gezochte Noordwest Passage), of van Europa langs Siberië door dezelfde Beringstraat naar Azië (de Noordzeeroute). Ook olie- en gasbedrijven zien al gouden bergen. Naar schatting herbergt de noordpoolzeebodem een kwart van de onontgonnen olie- en gasreserves op aarde.

De poolreserves aan fossiele brandstoffen hebben het arctische gebied ineens van geopolitiek belang gemaakt. Canada, Rusland, de VS, Denemarken en Noorwegen claimen allemaal delen van de zeebodem onder de noordpool. Symbolisch plantte Rusland vorig jaar een vlag op de bodem van de Arctische Oceaan. Het begin van een slag om de noordpoolzeebodem?

Sunday, April 6, 2008

What the Inuit have to say about climate change in the Arctic



NASA-data have shown that the Arctic sea-ice area in March 2008 is roughly the same as in March 2007. Some climate skeptics have used this fact – combined with the fact that the 1998-temperature record has not yet been beaten, despite global warming – as a sign that global warming does not continue. This conclusion is far from the facts (if you look at all the facts, not just at a sub-selection of the facts, which fit your own hypothesis).

Even more important than the sea-ice area, is the sea ice volume. Twenty years ago, Arctic sea ice consisted for 60% of ice older than two years (thick ice). Now only 30%. The ice volume is declining for at least twenty years. And even from March 2007 to March 2008 the volume has been declining, despite the fact that the surface areas in these two years are pretty much the same. That means that the 2008-ice is really thinner than the one in 2007. With a little bit of Arctic summer in 2008, quite some area of the present spring-ice will quickly melt away.

It is predicted that the global 2008-temperature will be slightly smaller than the 2007-temperature, but this is due to the cooling La Nina-effect in the Pacific Ocean. When La Nina will finish its cooling effect, chances are high the 1998-temperature-record will be beaten pretty soon.

Furthermore it strikes me that many global-warming-skeptics ignore data that are not so easily expressed in numbers and statistics. The Inuit, the local inhabitants of the Arctic – and once called Eskimo’s – have a very long tradition in dealing with the ever changing sea-ice, the ever changing biological environment and the ever changing weather in this extreme part of the earth. For their survival they have always been dependent on observing very carefully what happens to the sea-ice, to the snowfall, to the wind and to the behavior of animals as polar bears, seals and birds.








Before getting to what the Inuit have to tell about the state of the Arctic, let me go back a little while in Arctic history. The tradition of ignoring Inuit-knowledge about their own environment goes back a long way. Barry Lopez writes in his book Arctic Dreams (1986): “The impersonality of statistics masks both the complexity and the ethics inherent in any wildlife situation. Biologists are anxious about the ‘tyranny of statistics’ and the ‘ascendency of the [computer] modeler,’ about industry’s desire for a ‘standardized animal’, one that always behaves in predictable ways…A belief in the authority of statistics and the dismissal of Eskimo narratives as only ‘anecdotal’ is a dichotomy one encounters frequently in arctic environmental assessment reports.”

Also often ignored is the contribution the Inuit made in Arctic exploration. In the great book on Arctic exploration Arctic Grail – The quest for the Northwest Passage and the North Pole, 1818-1909 (1988) Pierre Berton analyses why so many British Arctic explorations in the 19th century failed: “The Eskimos wore loose parkas of fur or sealskin, but the British Navy stuck to more confining wool, flannel, and broadcloth uniforms, with no protective hoods. The Eskimos kept their feet warm in sealskin mukluks; even Parry rejected Navy leather. The Eskimo sleds were light and flexible, the Navy’s heavy and cumbersome – and hauled by men, not dogs. No naval man ever learned the difficult technique of dog driving or the art of building a snow house on the trail…Most puzzling of all, and most damning, is that in an age of science Europeans were unable to understand how the Eskimos escaped the great Arctic scourge that struck almost every white expeditions to the North. The seeds of scurvy were already in Parry’s men, in spite of the lemon juice and marmalade, but no one connected the Eskimo’s diet with the state of their health. Thought the effects of vitamins were unknown, the explorers sensed that scurvy was linked to diet and that fresh meat and vegetables helped ward it off. Nobody caught on to the truth that raw meat and blubber are effective antiscorbutics.”

And also: “Without the Eskimos to care for them, hunt for them, and guide them through that chill, inhospitable realm, scores more would have died of starvation, scurvy, exhaustion, or exposure. Without the Eskimos, the journeys to seek out the Pole and the Passage would not have been possible. Yet their contribution has been noted only obliquely. It was the British Navy’s loss that it learned so little from the natives. Had it paid attention, the tragedies that followed might have been averted. Here was a nation obsessed by science, whose explorers were charged with collecting everything from skins of Arctic tern to the shells that lay on the beaches. Here were men of intelligence with a mania for figures, charts and statistics, recording everything from the water temperatures to the magnetic forces that surround the Pole. Yet few thought it necessary to inquire the reasons why another set of fellow humans could survive, year after year, winter after winter, in an environment that taxed and often broke the white man’s spirit.”

Roald Amundsen, the Norwegian explorer, learned extensively from the Inuit knowledge about how to survive in such harsh environment, one of the reasons for his success. He was the first to navigate the long sought Northwest Passage (1903-1906), and also the first to reach the South Pole, beating British Robert Scott, who stuck to traditional British methods of exploring Polar Regions.

So far about history. Let’s get back to today.

At present there are about 155.000 Inuit living in the Arctic, in Alaska, Canada, Greenland and Northeast-Russia. What do they have to say about the present-day Arctic? Shari Gearheard is a climate researcher at the National Snow and Ice Data Center (NSIDC), and studies exactly that question. For over a decade, she has worked with Inuit communities in Nunavut, Canada, on Inuit knowledge of climate and environmental change.

In February 2008 she wrote in Natural History: “The Arctic climate has always fluctuated, according to studies of ice cores that date back some 400.000 years, from which past temperature and atmospheric conditions can be deduced. But the overwhelming majority of climate scientists agree that the recent changes are almost certainly attributable to global warming. Inuit, too, recognize the Arctic’s inherent variability—which they’ve observed keenly and adapted to over the centuries—and they say that something is indeed very different today. Changes in snow and sea-ice conditions, shifts in the seasonal calendar, unusual animal behavior—all exceed the familiar range of variability, they say. As a result of their intensive use of the environment, Inuit and other Arctic residents pick up on many subtle changes and intricate connections that scientific instruments cannot detect, and that scientists are just beginning to appreciate and understand.”

“Years ago, it was often difficult to get scientists to take traditional knowledge seriously. But increasingly, climate scientists and other researchers have been incorporating indigenous knowledge and observations into their research. A notable example is the prominent role of Arctic indigenous communities in the International Polar Year of 2007 to 2008, in which thousands of scientists are engaged in more than 200 research projects in the Arctic and Antarctic. Indigenous communities are contributing to studies on biological diversity, birds, caribou and reindeer, and human health, among other topics.”

“Remote sensing via satellites provides an overview of sea-ice extent and some data on its characteristics going back to the 1970s. Inuit knowledge goes back further, to the early 1900s, and provides insight into finer-scale changes, including sea ice texture and stability, and into changes in the environmental processes that drive sea ice, such as currents, snowfall, and winds. Such work is driven by the belief that linking multiple methods, scales, and ways of knowing increases confidence in individual observations, broadens the information base, and helps explain the various changes.”



“After almost thirteen years, my work in Nunavut tells a story repeated by many communities around the North: the Arctic is changing, and changing fast, on a number of fronts. Among the most striking changes, observed by locals from Alaska to Finland, is that the weather is increasingly unpredictable. Since weather determines the day’s activities for most hunters, it is a critical part of everyday life, and closely watched. Skilled Inuit forecasters observe cloud patterns and wind conditions to predict weather through the next day.”

“The increased risk of running into bad weather has pushed Inuit hunters and travelers to change their travel habits. Some pack extra supplies, just in case. As for the traditional forecasters, many have lost confidence in their prediction skills and have stopped advising hunting parties about when and where to travel. That has wrought an emotional change for some, who miss having an advisory role in their families and communities.”

“Inuit have been observing many other environmental changes, too. During the past decade, for instance, Inuit in Nunavut have noted strengthening winds, which can pack snow much harder than usual. The hard snow can prevent people from building igloos for temporary or emergency shelter, leaving them vulnerable to that unpredictable bad weather. Some Baker Lake residents told me they blamed the extra-hard snow for the deaths of several travelers out on the land.”

“Weather and wind changes, in turn, have affected sea ice—and not just its thickness. In Nunavut, all but one of the twenty-six communities lie on the coast. Their inhabitants rely intensively on sea ice for hunting and traveling, so their understanding of it is quite complex. How does the sea ice feel when you walk on it? How does it respond to being kicked or struck with a harpoon? How does it taste at different times of the year: too salty? Not as salty as it should?”

“As with the Qaanaarmiut in Greenland, many Nunavummiut, or people from Nunavut, report that the ice is thinner in places, forms later, and breaks up earlier— observations that mirror findings from numerous scientific studies. Clyde River Inuit note that familiar cracks in the sea ice are not appearing even as new ones open in unusual locations; they say the sea ice seems to be softer, not as solid as it used to be; and they say the currents have shifted in certain areas, combining with wind changes to affect ice movements. In response, Inuit in northern Quebec and parts of Nunavut are reviving the traditional practice of dogsledding. Dog teams are more reliable than snowmobiles in the changing environment, because they can help navigate dangerous sea-ice conditions and can find their way home during storms—not to mention that they don’t run out of gas or need new spark plugs.”





One thing is to hear researchers talk about the Inuit, the other is to let them talk. In the same article by Shari Gearheard, there is an interview with an Inuit-man. He tells: “I am sixty-five years old and I have been living in Clyde River, Nunavut, almost my entire life. When I was young, we hunted by dog team for seal, fish, fox, rabbit, and sometimes caribou in the winter, and we hunted narwhal and fished for halibut in the summer. I hunt by Ski-Doo these days, and I enjoy going out on the land when it’s not too windy.”

“In the past, we would watch the dogs to learn about the wind. If it was windy and the dogs started walking around instead of lying curled in one spot, we’d know it was going to calm down. I don’t have dogs anymore, but I use ravens today. Like dogs, they try to get into a sheltered spot if it’s going to get windy. When you’re always outside, you notice little things like that. In the old days, even as children, we had to go outside first thing in the morning to look at the weather, to learn. It’s still the same for me today, even though I sometimes look through a window. But it’s more difficult to predict the weather now, especially the wind. It seems to get windy suddenly these days. And there are many other changes, too.”

“For example, the sea ice isn’t the same anymore. It seems like it’s forming only from water, meaning it’s much less salty now. You can even see through the sea ice. In the past it wasn’t clear, it was whitish. It also breaks up sooner in the spring than it used to, and the winters don’t feel as cold. Narwhals seem to come sooner than before. When the sea ice was here longer, they didn’t come as early; they would pass us by, swimming north.”

“The snow has changed, too. It used to be really white but now it seems yellowish, as if it has some fine sand or dirt on it. The sky used to be clear blue on a nice day but now it seems reddish. It’s just a guess, but I think it’s redder for the same reason the snow is yellower: there is a smoky or dirty substance in the air. That might explain why the nights seem darker, too—the snow is dirty, not as reflective of light, and the sky is hazy.”

“I know that before our time the world was very warm, even around here. When the
glaciers started to recede people found woolly mammoth tusks, so we know things were different long ago. Many years from now, it might be like those old days. Inuit used to say that one day the Arctic would melt, that things would reverse and there would be snow down south, but none up here. We see weird weather in many places on the television these days, and it is warmer here, so maybe that’s what is happening.”

“If the changes continue, I will learn to live with them. The seals and other animals that depend on the sea ice will move to the shores; the animals will adapt. I’ve heard that because they depend on sea ice, polar bears will go extinct, but I don’t believe it. They are very adaptable. As the sea ice changes, polar bears might get skinnier and some might die, but I don’t think they will go extinct. The only way to react to the changes we are seeing is to be positive. The people and animals will adapt. At the same time, it is very important to get the information out there about what is changing, so others can understand what is happening.”




Not just Shari Gearheard has written about Inuit-knowledge. Many others have.

Elizabeth Kolbert writes in the book The Arctic (2007): “An Inuit hunter named John Keogak, who lives on Banks Island, in the Inuvik Region of Canada’s Northwest Territories, told me that he and his fellow-hunters had started to notice that the climate was changing in the mid-1980’s. Then a few years ago, people on the island began to see robins, a bird for which the Inuit in this region have no word.”

And Canadian researcher Dan Leitch (CFL-project coordinator from the University of Manitoba) tells: “In Labrador, we saw 11 polar bears in one fjord. Locals tell us that even 20 years ago, polar bears were almost never seen there. They blame the lack of sea ice for pushing them on land. If you talk to any local in the North, there is no doubt that climate change is happening. They tell stories of hunters falling through the ice because it is thinner, there is less of it, and it is much more unpredictable. They also talk of animals that have shown up in recent years that local languages have no word for, because they are usually only found in warmer climate.”

All these Inuit-observations are of course very valuable. Knowledge from people that have been living for many centuries in the extreme Arctic conditions. Knowledge that can complement our modern measurements. Knowledge that tells about thinning ice, softer ice, later winter-freezing, earlier summer-melting, more unpredictable weather, unusual animal behavior and changing snow conditions.

Not just changes that fall within normal variability of the ever changing Arctic, but changes that fall outside of the normal variability. Reason enough to study, both with experiments and with models – but also with local knowledge of the Inuit – what’s exactly happening in the Arctic.

Internet
Shari Gearheard. A change in weather. http://nsidc.org/research/projects/images/Change-In-The-Weather.pdf
Shari Gearheard at NSIDC: http://nsidc.org/research/bios/gearheard.html
Dan Leitch in Canaries in the Arctic: http://ubyssey.bc.ca/2006/12/08/canaries-in-the-arctic/

Books
Barry Lopez. Arctic Dreams. (1986)
Pierre Berton. The Arctic Grail - The quest for the Northwest Passage and the north pole, 1818-1909. (1988)
Elizabeth Kolbert (ed.). The Arctic. (2007) [A collection of great writing about the Arctic, with stories from John Franklin, Elisha Kent Kane, Jules Verne, Fridtjof Nansen and Robert Peary)]

Saturday, February 16, 2008

Onzekere wetenschap in een onzekere wereld

Bekijk mijn powerpointpresentatie over de rol van onzekerheid in het klimaatdebat. Deze lezing heb ik gegeven op vrijdag 16 november 2007 aan de Universiteit Leiden.

Friday, February 8, 2008

Na opwarming komt afkoeling

Als we niet snel de uitstoot van broeikasgassen drastisch beperken, is de menselijke beschaving rond 2050 ernstig in gevaar, vindt de Australische paleontoloog Tim Flannery. Onzin, zegt de Nederlandse geoloog Salomon Kroonenberg. De huidige opwarming van de aarde is slechts een rimpeling op geologische tijdschaal. De komst van de volgende ijstijd is een groter probleem.

Dit artikel is gepubliceerd in Natuurwetenschap & Techniek, april 2006

Voor iemand met een alarmerende boodschap maakt de Australiër Tim Flannery een opgewekte en optimistische indruk. Bij binnenkomst is hij nog onder de indruk van het Rijksmuseum. “Ik had wel een uur naar de Nachtwacht willen staan kijken, maar ik moest me haasten naar dit interview”. En dat voor een discussie met een tegenstander.
Even later stapt de Nederlandse geoloog Salomon Kroonenberg binnen. “Ik moet toegeven dat ik tot voor kort niet van je had gehoord...”, zegt hij tegen Flannery.
“Er is geen enkele reden waarom je mijn naam eerder had moeten kennen”, antwoordt deze zeer bescheiden.

Beide wetenschappers hebben zich recent flink gemengd in het klimaatdebat, maar hun meningen lopen sterk uiteen. Flannery is paleontoloog, zoöloog, en een succesvol schrijver, die geregeld zijn grote zorgen uit over de toestand van planeet aarde. Afgelopen maart verscheen zijn nieuwe boek De weermakers in Nederlandse vertaling. Als we nu niet snel actie ondernemen om de uitgestoten hoeveelheid kooldioxide te beperken, dan zijn de ecosystemen rond 2050 onherstelbaar beschadigd, is de boodschap. De menselijke beschaving zal dan ernstig gevaar lopen. Volgens Flannery zien we nu al de effecten van onze emissies: meer orkanen, minder regen in de Sahel, bedreiging van het arctische en subarctische gebied, smeltende gletsjers en koraalriffen in nood.

Kroonenberg is hoogleraar geologie aan de TU Delft. Van zijn hand verscheen net een maand eerder het boek De menselijke maat. Anders dan de titel doet vermoeden, is het een pleidooi om het proces van klimaatverandering niet slechts op de menselijke tijdschaal van een eeuw te bekijken, maar op een geologische tijdschaal van tienduizenden jaren. Wie dat doet, ziet dat het klimaat altijd verandert. Wat er in deze eeuw ook gebeurt, een ding weten we zeker: over 23.000 jaar zitten we midden in de volgende ijstijd. Dat is een groter probleem dan de tegenwoordige klimaatverandering, vindt Kroonenberg. Misschien zijn de toekomstige generaties wel blij met de huidige opwarming. Dan wordt de ijstijd wat minder koud.
Tijd voor een discussie tussen beide auteurs.

Menselijke schaal of geologische schaal?
Flannery, op diplomatieke toon: “De geologische tijdschaal is de achtergrond van wat er zich nu op aarde afspeelt. Op de lange tijdschalen zal het leven zich best aanpassen. Het is waar dat er straks weer een ijstijd komt. Maar we moeten tevens op menselijke schaal kijken. Ik maak me ook zorgen om de mensen die nu leven. We zitten in een periode van snelle opwarming van de aarde, sneller dan we ooit hebben gehad. En dat door onze broeikasgassen. We zijn met 6,3 miljard mensen op aarde. Velen leven in kwetsbare gebieden. De effecten van een klimaatverandering in deze eeuw kunnen desastreus zijn voor hen. We moeten zowel naar de lange als naar de korte tijdschaal kijken. Uiteindelijk leeft een mens zeventig tot tachtig jaar.”

Kroonenberg, confronterend: “Ik ben het eens met de feiten die jij in je boek schetst over de ecosystemen op aarde. Maar ik interpreteer ze totaal verschillend. Ik bekijk ze in de context van een klimaat dat altijd verandert. Het weer verandert ook altijd. Daar bereiden we ons op voor door een klerenkast vol met kleren. We hebben zomerkleren, maar ook winterkleren. We zijn gewend aan weersveranderingen. Ik zie niet in waarom we ons niet ook kunnen aanpassen aan klimaatverandering. Wat me niet aanstaat in jouw boek, is dat je het voorspiegelt alsof het klimaat constant is geweest, en nu ineens begint te veranderen. Dan denkt iedereen: wij hebben het verpest, want het klimaat behoort stabiel te zijn. Maar die stabiliteit zit alleen in ons hoofd.”

Flannery: “Voor mij is de grote vraag hoe groot de temperatuurverandering is en hoe snel zij gaat. Als de voorspellingen kloppen, stijgt de temperatuur deze eeuw drie graden. Dat is meer dan veertig keer zo’n snelle opwarming als na de laatste ijstijd!”

Kroonenberg: “Waarom kunnen we dat niet gewoon accepteren?”

Flannery: “Door de snelheid. Een zeespiegelstijging van vier meter aan het eind van deze eeuw heeft grote gevolgen. Hoeveel miljarden gaat het niet kosten om de kust wereldwijd daartegen te wapenen? Dat stelt onze beschaving voor een enorme opgave. En dat is maar één van de veranderingen. Moeten we ons aan die bedreigingen blootstellen, alleen maar om in grote auto’s te rijden en elektriciteit te verspillen?”

Kroonenberg: “Voor mij is de grote vraag of we hetzelfde zouden reageren als vast zou staan dat de kooldioxidetoename en de temperatuurstijging volkomen natuurlijke oorzaken zouden hebben. Door vulkaanuitbarstingen bijvoorbeeld. Dat zou in principe kunnen. Zouden we dan ook CO2 in de grond stoppen? We willen de natuur tegenwoordig graag vrij zijn gang laten gaan. Laat dan ook het klimaat vrij veranderen zoals andere dingen in de natuur dat doen. De mens heeft nu een vals schuldgevoel.”

Flannery: “Daar ben ik het niet mee eens. Het gaat niet om schuld, maar om verantwoordelijkheid. En volgens de beste wetenschap die we nu hebben, is de huidige opwarming het gevolg van menselijke activiteiten. Ook als het door een vulkaan zou komen, zouden we alles doen om de levens van honderden miljoenen te redden. Waarom zouden we dan niet onze levensstijl zo veranderen dat we de mogelijke rampen tot een minimum beperken?”

Kroonenberg: “In een recent Nature-artikel staat dat de vulkaanuitbarsting van de Krakatau vijftig jaar lang een afkoelend effect heeft gehad. Stel dat er morgen een soortgelijke uitbarsting is, en dat we over een periode van een halve eeuw een afkoelend effect verwachten. Willen we dan nog steeds onze CO2-uitstoot beperken?”

Flannery: “Dat zou onze respons veranderen. Het uitgangspunt is dat we zo min mogelijk schade willen aan de menselijke beschaving...”

Kroonenberg springt er meteen op in: “Dat is het grootste verschil tussen jou en mij. Jij ziet de mens als de tuinman van de aarde, maar ik geloof totaal niet dat we dat kunnen zijn. Er is geen nulpunt in de natuur. Je kunt niet zeggen: zo is het klimaat zoals het moet zijn. Als de mens het klimaat al wil redden, is dat dan het klimaat van 2000, van 1900, van 1800...? We zijn gewend aan veranderingen op de korte tijdschaal, maar niet aan veranderingen op de lange tijdschaal. Hier, voor de Nederlandse kust, bij de Westerschelde, hebben we ons aangepast aan een dagelijkse zeespiegelstijging van vier meter!”

Het wordt toch een ander verhaal als dat wereldwijd zou gebeuren...

Kroonenberg: “Dan zijn er twee opties. De ene is om te proberen die zeespiegelstijging tegen te gaan, en de andere is om de symptomen te bestrijden. Hoe leg je een boer in Bangladesh uit dat westerse klimatologen de CO2-uitstoot in 2050 met vijftien procent willen reduceren en dat daardoor zijn land misschien tien procent minder kans heeft om onder water te lopen? Ik weet wel wat zijn antwoord zal zijn als hij moet kiezen tussen CO2-reductie en een dijk aanleggen. We stellen de verkeerde prioriteiten. Laten we ons geld besteden om acute problemen op te lossen in plaats van te vechten tegen de oorzaak, wat die ook moge zijn. De oceanen nemen van nature tweederde van alle CO2 op. De natuur is gewend CO2 op te nemen!”

Flannery schudt zijn hoofd: “Ik kan het met je eens zijn als de zeespiegelstijging het enige symptoom zou zijn. Maar als we ons verplaatsen in de mensen over vijftig jaar, en als ons huidige klimaatvoorspellingen kloppen, dan zijn er triljoenen dollars nodig om de kusten te versterken, schade van extreme weersgebeurtenissen te herstellen, in te spelen op lange droogteperioden in sommige gebieden. We krijgen problemen met de watervoorziening, met orkanen, met hete zomers. De druk op de menselijke beschaving neemt toe tot een punt waarop er geen evenwicht meer is. Dan is het te laat om nog over de onderliggende oorzaken na te denken.”

Het klimaatsysteem bestaat uit de atmosfeer, de oceaan, de aardbodem en de biosfeer. Elk systeem is op zichzelf al zo complex. Hun interactie is nog complexer. Is onze kennis wel genoeg om te zeggen dat wij de weermakers zijn?

Kroonenberg: “Als niemand verder kijkt dan het jaar 2100, dan lijkt het alsof al die curven eeuwig blijven toenemen. Bijna geen klimatoloog stelt zich de vraag hoe lang die toename duurt. Bij het naderen van de volgende ijstijd moet de temperatuur naar beneden gaan. Interessant is de vraag wanneer het omslagpunt ontstaat. Waarom berekenen ze hun modellen nooit zover dat we die trendreuk zien? Wanneer komt het moment dat de menselijke CO2-uitstoot het niet langer wint van de wereldwijde afkoeling?”

Flannery: “Het probleem is dat er zoveel onbekenden zitten in de berekeningen. Die modellen hebben grote moeite met het voorspellen van omslagpunten. De wiskunde van chaotische systemen is zo complex....”

Kroonenberg: “Daar ben ik het helemaal mee eens...”

Flannery, bijna verontschuldigend: “Maar die modelvoorspellingen zijn het enige instrument dat we hebben om in te grijpen...”

Kroonenberg: “Ik ben het helemaal eens met je voorstellen om zuinig om te springen met energie, maar om totaal andere redenen. Gewoon omdat onze brandstofvoorraden eindig zijn. Maar daar heb je de klimaathype totaal niet voor nodig!”

Flannery reageert licht geïrriteerd, maar doet zijn best vriendelijk te blijven: “Ik geloof niet dat het een hype is. De basis van mijn boek bestaat uit in Science en Nature gepubliceerde feiten. Dat zijn de beste wetenschappelijke tijdschriften. Ik probeer geen hype van de situatie te maken, alleen te laten zien wat de beste wetenschappelijke kennis van dit moment is. Noem het een beschrijving van de huidige klimaatsituatie, maar geen hype.”

Kroonenberg: “We kunnen het weer slechts vijf tot tien dagen vooruit voorspellen, maar we kunnen toch met zekerheid zeggen dat na de zomer weer een winter komt. Op dezelfde manier vraag ik klimatologen om grovere modellen te maken, met minder variabelen, die lange termijn voorspellingen doen. Laat ze een poging wagen, als ze toch weten dat er weer een ijstijd komt. De Club van Rome maakte begin jaren zeventig al voorspellingen tot het jaar 2100. We zijn nu in 2006 en we maken nog steeds voorspellingen niet verder dan 2100! Onze modellen zijn zo veel meer verfijnd, maar we zijn 35 jaar aan voorspellingen kwijtgeraakt! Besef je dat wel? Ik ben zo verbaasd dat klimatologen daar niet mee lijken te zitten. Laten we niet in paniek raken over systemen waar we heel weinig van weten. Je kunt mensen verantwoordelijk maken voor hun energieverbruik zonder ze met scenario’s te confronteren die ze helemaal niet kunnen kiezen. Ik vind het een verkeerd gebruik van wetenschap om mensen bang te maken met een opwarmende aarde om ze daarmee minder energie te laten verbruiken.”

Flannery: “Er zijn vele terugkoppelingseffecten in het klimaatsysteem, en we moeten er nog veel meer identificeren. Natuurlijk begrijpen we het klimaat niet volledig. Maar daarom rekenen de computermodellen nogal conservatief. Vergelijk de huidige situatie met die van de voorspellingen, en je ziet dat veel dingen juist sneller plaatsvinden dan voorspeld. Meer CO2 betekent ook meer en krachtigere orkanen. De voorspellingen geven aan dat we na 2080 tien tot twintig procent meer orkanen kunnen verwachten. Maar we zien al een toename van zestig procent in de totale energie van orkanen in de afgelopen twintig jaar. De werkelijkheid loopt juist vóór op de klimaatvoorspellingen.”

Kroonenberg: “Jij bent een paleontoloog. Jij bent gewend aan lange tijdschalen. Ik ben totaal niet verbaasd over veranderingen binnen een paar decennia. Dat soort dingen gebeurt gewoon. In de jaren tachtig was er een grote droogte in de Sahel. Nu wordt het er weer groen. Tussen 1940 en 1970 daalde de wereldgemiddelde temperatuur met een halve graad, terwijl de CO2-concentratie toenam. In 1975 dachten we dat we recht op een nieuwe ijstijd afstevenden. De Amerikaanse president Nixon was het bijna met de Russen eens geworden om de Beringstraat te blokkeren, om zo te zorgen dat het koude arctische water niet in de Stille Oceaan zou stromen. Ik ben totaal niet zeker dat we over dertig jaar nog hetzelfde denken als nu. Onze meningen zijn zo wispelturig. Laten we bescheiden blijven. De klimaatcurves kunnen niet eeuwig blijven stijgen. Als jij zegt dat die modellen geen omslagpunten kunnen voorspellen, dan zeg ik dat die modellen niet realistisch zijn.”

Flannery: “Maar ze zijn een goede gids...”

Kroonenberg, fel: “Alleen tot 2100 en niet verder!”

Flannery: “Ik zou ook graag zien dat ze verder in de toekomst voorspellen...”

Kroonenberg: “...dan moet dat bovenaan de agenda staan van het IPCC.”

Flannery: “Daar ben ik het niet mee eens. Het IPCC richt zich op de gevolgen van menselijk handelen. Het is geen onderzoeksinstituut dat de toekomst over tweehonderdduizend jaar moet voorspellen. De modellen zijn niet perfect, maar dat is geen excuus om de beste wetenschap die we nu hebben te negeren. Met het Kyoto-protocol in de hand kunnen we onze emissies over een periode van veertig jaar drastisch terugbrengen.”

Kroonenberg: “De natuur kan dat zelf veel beter dan wij dat doen. En de natuur heeft het eerder gedaan. Het enige positieve van het Kyoto-protocol is dat mensen zich bewust worden van hun energiegebruik, maar om de verkeerde redenen!”

Flannery: “Hoe weet je dat het de verkeerde redenen zijn?”

Kroonenberg: “Ik denk dat we erg bijziend zijn. Tussen 1977 en 1993 steeg het waterpeil van de Kaspische Zee met 2,5 meter. Vanaf 1996 daalde het waterpeil, en inmiddels is het alweer een tijdje stabiel. In de twintigste eeuw hebben we driemaal gedacht: het daalt, dus het zal wel blijven dalen; of andersom: het stijgt en dus zal het wel blijven stijgen. Het waterpeil fluctueert daar over de jaren, decennia, eeuwen en niemand is nog in staat die veranderingen te voorspellen. We kennen pas een paar belangrijke factoren.”

Flannery: “Ik ben niet verbaasd dat we dat niet kunnen voorspellen. Lokale modellen zijn zo enorm moeilijk te maken. Maar wat is de les die we uit je verhaal moeten trekken?”

Kroonenberg: “We zijn zo gewend te denken dat een trend die we zien almaar blijft doorgaan, dat we altijd verbaasd zijn als de trend weer de andere kant opgaat. Daarom moeten klimatologen modellen maken die ook de trendbreuk voorspellen. Anders geloof ik hun modellen niet. Na opwarming komt afkoeling. Jij schrijft dat het klimaat in de afgelopen tienduizend jaar stabiel was. Dat is niet waar. We hebben de kleine ijstijd gehad en een warme periode in de middeleeuwen.”

Flannery: “Natuurlijk is het klimaat veranderd. Het gaat om een relatieve stabiliteit. Maar het is erg moeilijk om de huidige opwarming anders te zien dan een opwarming veroorzaakt door de mens.”

Kroonenberg: “Zeespiegelstijging...zeespiegeldaling...temperatuurstijging... temperatuurdaling...De natuur heeft het in de loop van de tijd allemaal keer op keer meegemaakt. Het gebeurt sowieso. Dat kunnen wij niet sturen. We denken alleen maar dat wat we nu zien nieuw is.”

Flannery, zuchtend: “Dat is jouw mening. Ik denk dat we naar een geheel nieuw verschijnsel zitten te kijken.”

Moeten we, behalve aan de gevolgen voor de mens, ook niet denken aan de gevolgen voor flora en fauna. Tim Flannery schrijft in zijn boek dat soorten in het verleden makkelijker konden migreren bij een klimaatverandering dan nu. De biodiversiteit is teruggedrongen tot nationale parken.

Kroonenberg: “Kijkend naar de geologische geschiedenis is een afkoeling veel schadelijker voor de biodiversiteit dan een opwarming. In het Eoceen was de biodiversiteit in de tropen gelijk aan die van de gematigde zone. In het huidige geologische tijdperk is de biodiversiteit in de gematigde zone veel schraler dan in de tropen als gevolg van de laatste ijstijden. Elke keer dat er een ijstijd is, worden de ecosystemen teruggedrongen tot de mediterrane gebieden. Wanneer het klimaat weer opwarmt, schuift de biodiversiteit weer terug naar het noorden. Dat levert wel verliezen op, omdat er altijd soorten zijn die het bijvoorbeeld niet redden de Alpen of de Pyreneeën over te steken.”

Flannery: “De gouden pad is waarschijnlijk het eerste slachtoffer geworden van de opwarming. Hij kwam in de wouden van Costa Rica voor, maar is nu uitgestorven. Hij bleek erg gevoelig voor de uitdrogende omstandigheden in zijn terrein. En degelijk wetenschappelijk onderzoek wijst erop dat dat door de klimaatverandering komt.”

Kroonenberg: “Vinden we dat nou zo erg om het beest zelf, of omdat we denken dat dat door ons komt? Ik heb zes jaar in het regenwoud gewerkt, en ik vind het óók erg als een soort uitsterft. Maar het platbranden en kappen van regenwoud is een veel groter probleem dan de klimaatverandering.”

Wat moeten we doen?

Flannery: “Ieder individu is verantwoordelijk. Zelf heb ik bijvoorbeeld zonnepanelen voor mijn huis aangeschaft. Dat gaf me een bevrijdend gevoel. Ik klus graag en ik ben dat zelfs gaan doen met ouderwetse spullen die geen elektriciteit gebruiken. Ik heb een kleinere auto aangeschaft, een hybride. Ik ben de baas van het South Australian Museum in Adelaide. Daar werken honderd mensen. We hebben zonnepanelen aangeschaft, en we gaan veel bewuster met elektriciteit om. Zo besparen we driehonderdduizend dollar per jaar. En dat met hele simpele maatregelen. Als ik dat in een museum kan doen, dan kan elke industrie dat op nog grotere schaal. Verder moet er een koolstofbelasting komen, vooral om de uitstoot van industrieën te beperken. We moeten gewoon toe naar een elektriciteitsgebruik dat veel minder gepaard gaat met koolstofuitstoot.”

Zo kunnen we weer en klimaat van de toekomst beïnvloeden. Daarom zijn we volgens Flannery de weermakers. Kroonenberg gelooft er niets van: “Tegen klimaatverandering kunnen we niks doen.” Maar dat er na een periode van opwarming een periode van afkoeling volgt, daarover zijn beiden het wel eens.


Informatie
Salomon Kroonenberg. De menselijke maat – De aarde over tienduizend jaar. Amsterdam: Atlas, 2006, 256 pag., ISBN 9045014645
Tim Flannery. De weermakers. Amsterdam: Atlas, 2006, 320 pag., ISBN 9045013851